Schending privacy door een waarnemend huisarts?

Inleiding: over een uitspraak van het RTG

In een beslissing van 21 mei 2021 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te Zwolle een waarschuwing aan een huisarts opgelegd, vanwege – samengevat – de ‘schending van de privacy van klaagster’. Het volgende was aan de hand.

De huisarts werkte als waarnemer in de praktijk waar klaagster patiënt was. Op 24 maart 2020 heeft klaagster een telefonisch consult gehad met de waarnemer. Na het consult heeft klaagster de waarnemer verweten dat hij haar onheus heeft bejegend en dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld. Om op deze verwijten te reageren heeft de waarnemer op 21 juli 2020 het dossier van klaagster opnieuw ingezien, op de (praktijk)locatie. Hij was er toen al niet meer werkzaam. Daarná heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de huisartsenpraktijk. Bij deze klachtenprocedure heeft klaagster een machtigingsformulier ingevuld en ondertekend. Daarmee gaf zij toestemming om de klachtencommissie én de waarnemer haar dossier over de periode van 22 maart tot en met 29 juli 2020 in te (laten) zien. In de procedure bij het RTG wordt de waarnemend huisarts verweten dat hij het dossier van klaagster heeft ingezien op 21 juli 2020, dus nog vóór klaagster daarvoor toestemming had gegeven. Dat roept de vraag in welke gevallen een huisarts (waarnemer) in het dossier kan en mag kijken. En wanneer niet. Daar gaan we in dit artikel op in.

Wanneer mag een waarnemer in het dossier kijken?

Het RTG vond dat tussen de waarnemer en klaagster op 21 juli 2020 geen behandelrelatie meer bestond. Daarom mocht de huisarts volgens het RTG op dat moment niet meer in het dossier kijken. Ook was er volgens het RTG geen arts-patiëntrelatie meer. Volgens het RTG was ook dit reden dat de huisarts niet meer in het dossier van klaagster mocht kijken. Maar klopt dat wel?

Over de behandelrelatie en ‘beschikking’ tot het dossier

Een ‘behandelrelatie’ is er in ieder geval als er een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 lid 1 BW bestaat. Het komt ons voor dat hiervoor ook direct contact tussen arts en patiënt moet bestaan of hebben bestaan, waaronder ook digitaal consult. Op een geneeskundige behandelingsovereenkomst is Boek 7, Titel 7, Afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek (ook wel de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst, ‘WGBO’) van toepassing. De WGBO is op grond van de schakelbepaling van artikel 7:464 BW lid 1 BW ook van toepassing op relaties die strikt genomen geen behandelingsovereenkomst zijn, maar waarbij wel handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht.[1] Van een behandelrelatie zou dus kunnen worden gezegd dat daarop de WGBO van toepassing is, of het nu een geneeskundige behandelingsovereenkomst is of niet.

In de WGBO staat onder meer de geheimhoudingsverplichting van de ‘hulpverlener’. In dit geval was de eigen huisarts van klaagster hoe dan ook ‘hulpverlener’ in de zin van de WGBO. Maar het is goed denkbaar dat klaagster óók met de waarnemer een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten, en dat dus de waarnemer ook ‘hulpverlener’ in de zin van de WGBO was.[2] En ook al was de waarnemer strikt genomen niet ook ‘hulpverlener’, dan zou de WGBO via de schakelbepaling van toepassing zijn. Op de relatie tussen de waarnemer en klaagster was de WGBO dus hoe dan ook van toepassing.

Omdat de behandelrelatie echter was geëindigd mocht de waarnemer volgens het RTG echter niet meer bij het dossier. Overigens ook niet als (nadien) ‘rechtstreeks bij de behandeling betrokkene’, in de zin van artikel 7:457 lid 2 BW. Dat doet wat vreemd aan. Volgens deze redenering zou een waarnemend arts – in brede zin; waarnemers zijn natuurlijk per definitie niet altijd huisartsen – namelijk ná afloop van zijn waarneming geen toegang meer hebben tot de dossiernotities die hij nota bene zelf heeft gemaakt, op grond van artikel 7:454 BW. Dat is niet wenselijk.

Met het vormen en bewaren van een dossier worden meerdere doeleinden en belangen gediend en nagestreefd. Te noemen zijn het dienen als een behoorlijk verslag van de hulpverlening waarop later de behandelaar zelf en eventuele waarnemers of andere betrokken hulpverleners kunnen terugvallen, het dienen als manier tot inzage in de behandeling door de patiënt en het dienen als documentatiebron bij juridische procedures.[3] Op basis hiervan kan worden gezegd dat aan een waarnemend huisarts hoe dan ook óók het recht zou (moeten) toekomen op een kopie van het dossier, of, zoals dat thans bijna altijd aan de orde is, toegang tot ‘zijn’ deel van het elektronisch patiëntendossier. Volgt uit de uitspraak van het RTG dat een waarnemer zijn ‘eigen’ dossier – na het eindigen van een behandelrelatie – dus nooit meer zonder uitdrukkelijke toestemming van de cliënt zou mogen inzien? Daar lijkt het wel op. Daarnaast geldt dat de desbetreffende informatie ook zonder enige twijfel deel uitmaakt van hetgeen onder het beroepsgeheim van de (in dit geval) betrokken arts valt. En daarmee is er naar onze mening dus geen schending van enige privacy, door de dossierinzage. Alles wat de waarnemer op 21 juli 2020 heeft ingezien, kon hij op 24 maart 2020 ook inzien. En dat mocht hij toen ook. Aangaande het beroepsgeheim het verder volgende.

Over de reikwijdte van het beroepsgeheim; privacy?

Het beroepsgeheim van de hulpverlener staat in artikel 7:457 lid 1 BW (jo. artikel 7:464 lid BW). Voor in artikel 3, 14 en 34 Wet BIG geregelde beroepen geldt ook een geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 88 Wet BIG. De in deze zaak aangeklaagde waarnemend huisarts had dus een beroepsgeheim met twee grondslagen.

De geheimhoudingsplicht betreft het toevertrouwd geheim: een bewust vertrouwelijk gedane mededeling. Maar ook andere informatie, die een hulpverlener (zoals een arts) ter kennis komt vanwege het feit dat hij hulpverlener (of: BIG-geregistreerd) is, valt onder het geheim. De geheimhoudingsplicht impliceert aldus (ook) een vertrouwensband, of -relatie, tussen de betrokken beroepsbeoefenaar en de patiënt. Ook gezien het beroepsgeheim is er dus al snel een ‘behandelrelatie’.

De zwijgplicht van de arts geldt, (mede) gelet op het in artikel 7:457 lid 1 BW bepaalde, ten opzichte van iedereen, maar niet ten opzichte van de patiënt zelf.[4] Maar ten opzichte van de arts zelf? Dat is iets wat het RTG met deze uitspraak wel lijkt bedoelen, maar lijkt toch moeilijk voorstelbaar. Juist ook omdat de informatie waar het hier om gaat hem al bekend was. Het gaat hier immers om gegevens uit het dossier die de waarnemer kende en, gelet op het feit dat klaagster zich tot hem had gewend met een hulpvraag en dus het gegeven dat een (enige) behandelrelatie bestond, ook mocht en kon kennen.

Er was dus een behandelrelatie geweest. Die behandelrelatie was weliswaar kort en al geëindigd ten tijde van de dossierinzage op 20 juli 2020, maar zij was er wel geweest. En dat maakt mijns inziens dat het beroepsgeheim van de betrokken arts hier wél van toepassing was en dat de informatie over het consult op 24 maart 2020 daar dus onder viel. De waarnemend huisarts heeft met de dossierinzage op 21 juli 2020 geen informatie met derden gedeeld (zonder daarvoor vereiste toestemming), waar het gaat om het consult van 24 maart 2020. De waarnemer heeft de inzage in die gegevens bovendien alleen uitgevoerd om – waarschijnlijk – zijn geheugen op te frissen en klaagster van een adequaat antwoord op haar dan nog informele klacht te voorzien. Zijn beroepsgeheim heeft de waarnemend huisarts wat dit deel van de inzage betreft naar onze mening dus niet geschonden. En klaagsters privacy evenmin. Waar het gaat om andere informatie, is dat anders. Want de huisarts had méér informatie ingezien, dan alleen die van zijn eigen consult. En daar is het in dit geval niet goed gegaan. Het gaat hier om informatie over de twee eerdere klachten van klaagster, in juli 2018 en augustus 2019. En die informatie behoort niet tot hetgeen de waarnemend huisarts ter kennis is gekomen vanwege zijn behandelrelatie met klaagster. Dit is informatie die valt onder het beroepsgeheim van de ‘eigen huisarts’. En daar mocht de waarnemer niet zonder meer ‘bij’. In zoverre is het onzorgvuldig van de waarnemer dat hij informatie uit 2018 en 2019 heeft ingezien, terwijl daarvoor geen grond meer was. Het is juist dat de klacht in zoverre wel gegrond is.

Tot slot

Deze uitspraak laat zien dat het voor beroepsbeoefenaren soms erg lastig is om vast te stellen wanneer dossierinzage nu wel of juist niet geoorloofd is. Vragen over dossierinzage zijn en blijven altijd actueel. Deze uitspraak, maar ook wet- en regelgeving over bijvoorbeeld logging bij (elektronische) dossiers laat dit goed zien. Heeft u daarover vragen? Neemt u dan gerust contact met ons op.

[1] Een en ander voor zo ver de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.

[2] R.P. Wijne, Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade, Den Haag: Boom Juridisch 2021,  p. 203.

[3] R.P. Wijne, Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade, Den Haag: Boom Juridisch 2021, p. 294 en aldaar aangehaalde literatuur.

[4] H.J.J. Leenen e.a., Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 163-164.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?