Salarisverlaging wegens onvoldoende functioneren

Hoge Raad: Bij toepassen van salarisverlaging wegens onvoldoende functioneren conform een bepaling uit de cao, draagt werkgever de bewijslast van het onvoldoende functioneren.

In een arrest van 30 augustus 2019 geeft de Hoge Raad weer wat regels omtrent bewijslastverdeling zijn als de werkgever het loon van een werknemer met toepassing van een bepaling uit de cao verlaagt wegens onvoldoende functioneren. Volgens de Hoge Raad is het de werkgever, en niet de werknemer, die in een dergelijke situatie moet kunnen bewijzen dat de werknemer geen aanspraak maakt op zijn gebruikelijke loon maar op een lager loon, ook al is het de werknemer die de vordering heeft ingesteld. Daarmee wijkt de Hoge Raad af van de door het Hof in deze zaak toegepaste hoofdregel in het bewijsrecht die luidt ‘wie stelt, moet bewijzen’ en het uitgangspunt dat het de werknemer is die de bewijslast draagt in zaken waarin hij of zij achterstallig loon vordert.[1]

Feiten en achtergrond

De Hoge Raad komt tot deze uitspraak naar aanleiding van een lang lopend geschil tussen Lapack, een onderneming die logistieke, houten verpakkingsoplossingen levert en één van haar voormalige productiemedewerkers. De werknemer in kwestie klaagt over het feit dat hij in de periode dat hij voor Lapack werkzaam is geweest (tussen 2010 en 2014) niet conform de cao voor de Houtverwerkende Industrie (hierna: ‘de cao’) is uitbetaald. De werknemer stelt dat Lapack het ‘normloon’ uit de cao aan hem had moeten betalen maar dat Lapack in plaats daarvan steeds loon heeft betaald dat hoort bij, wat in de cao heet, de ‘instroomschaal’. Omdat het loon uit de ‘instroomschaal’ beduidend lager ligt dan het ‘normloon’, vordert de werknemer een veroordeling van Lapack tot betaling van een bedrag van ruim € 18.000,- bruto aan achterstallig loon.

Tussen Lapack en de productiemedewerker staat vast dat de cao van toepassing is op hun arbeidsrelatie en ook dat Lapack de werknemer, inderdaad, niet het ‘normloon’ maar steeds het loon uit de ‘instroomschaal’ heeft betaald. De reden dat Lapack de werknemer steeds heeft verloond op grond van de ‘instroomschaal’ is dat Lapack ontevreden was over het functioneren van de werknemer. In artikel 10 van de cao staat dat ‘vakonvolwassen werknemers’ volgens de ‘instroomschaal’ mogen worden betaald en volgens Lapack voldeed werknemer niet aan de eisen uit de voor hem geldende functieomschrijving.

Eerste aanleg en hoger beroep

In 2015 buigt de kantonrechter te Groningen zich over deze kwestie en deze stelt de werknemer in het gelijk. De kantonrechter is van mening dat aan de werknemer het ‘normloon’ betaald had moeten worden. De kantonrechter hecht daarbij veel waarde aan het feit dat de tijdelijke contracten van de werknemer meermaals zijn verlengd; dat verdraagt zich niet met ondermaats presteren. De kantonrechter veroordeelt Lapack het verschil te betalen tussen het ‘normloon’ en wat er daadwerkelijk aan de werknemer is uitbetaald.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het oneens met de kantonrechter en draait de veroordeling terug. Niet omdat het Hof het inhoudelijk oneens is met de kantonrechter over de vraag of de werknemer wel of niet goed functioneerde, maar omdat het Hof vindt dat het volgens de regels van bewijsrecht aan de werknemer is om te bewijzen dat hij aan de eisen van zijn functie voldeed. Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht is het immers degene die iets vordert – hier achterstallig loon – die moet bewijzen dat hij daar recht op heeft. Het Hof onderzoekt nog of er een reden is om hier van die hoofdregel af te wijken, maar vindt dat dat niet het geval is. De bewijslast rust dus op de werknemer. Het Hof overweegt dat Lapack voldoende gemotiveerd de stellingen van de werknemer over de kwaliteit van functioneren heeft betwist, terwijl de werknemer slechts zeer beperkt en algemeen bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen dat hij goed functioneerde. Om die reden concludeert het Hof dat de werknemer niet is geslaagd in zijn opdracht voldoende bewijs te leveren van zijn goede functioneren. Het Hof draait de veroordeling terug. De werknemer laat het er niet bij zitten en wendt zich tot de Hoge Raad.

Hoge Raad

De Hoge Raad laat zich in zijn arrest van 30 augustus 2019 uit over de vraag of het terecht is dat het Hof de bewijslast bij de werknemer laat liggen. Uit het arrest volgt dat de Hoge Raad bij de beoordeling van die vraag veel belang hecht aan de tekst van de cao over ‘normloon’ en ‘instroomschaal’. Zo constateert de Hoge Raad dat in artikel 10 van de cao staat dat ‘het normloon geldt voor de werknemer die aan de eisen van zijn functie voldoet’ en ook dat ‘de werknemer die nog niet aan de eisen van zijn functie voldoet, kan worden ingedeeld in de instroomschalen’. Uit de gekozen bewoordingen begrijpt de Hoge Raad dat salariëring in een instroomschaal een uitzondering is, terwijl de hoofdregel luidt dat werknemers het ‘normloon’ krijgen. Omdat salariëring in de instroomschaal een uitzondering is op de hoofdregel, moet ook de bewijslast anders worden verdeeld, aldus de Hoge Raad. Nu de werkgever stelt dat er sprake is van een uitzondering op de hoofdregel om het ‘normloon’ aan de werknemer te betalen, is het volgens de Hoge Raad wel zo rechtvaardig dat het dan ook de werkgever is die moet bewijzen dat toepassing van die uitzondering gerechtvaardigd is. Nu de Hoge Raad vindt dat de bewijslast van het ondermaats presteren van de werknemer bij de werkgever ligt, vernietigt deze het arrest van het Hof en verwijst hij de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Heeft u vragen over de gevolgen van deze uitspraak voor uw organisatie? Of heeft u een andere vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met Marloes Stuurop voor meer informatie of één van de andere medewerkers van de Business Unit Arbeidsrecht.

[1] H.J.W. Alt, Stelplicht en bewijslast in het nieuwe arbeidsrecht, Deventer 2017, hoofdstuk 6

 

Pieter Bakker, legal counsel

Sector

    Expertise

    < Vorige

    Volgende >

    Spring naar toolbar