Proceskostenveroordeling in familiekwesties

Tot grote frustratie van veel advocaten (en hun cliënten) is het in het familierecht moeilijk om de andere partij in de proceskosten veroordeeld te krijgen. Algemeen uitgangspunt is dat de proceskosten tussen voormalig echtelieden worden gecompenseerd, met andere woorden dat ieder zijn of haar eigen kosten draagt. Bij wijze van uitzondering wordt soms een van partijen in de proceskosten veroordeeld. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer een volkomen zinloos verzoek wordt ingediend, waardoor de ander op kosten wordt gejaagd. Een proceskostenveroordeling houdt in dergelijke uitspraken in dat aan de wederpartij het betaalde griffierecht en een forfaitair bedrag aan advocaatkosten moet worden vergoed. Dit bedrag dekt echter niet de werkelijk gemaakte kosten.

Nog uitzonderlijker is het wanneer de rechter een van partijen veroordeelt in de reële proceskosten die de andere partij heeft gemaakt. Onlangs werd echter een uitspraak gepubliceerd waarin dit wel het geval is. Het gerechtshof in Den Haag heeft op 14 mei 2014 in een zaak beslist dat zich ook in familierechtelijke zaken gevallen kunnen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren, zoals de hoofdregel in het algemeen geldt. Wél dient overduidelijk sprake te zijn van het nodeloos in rechte te betrekken van de andere partij.

In de zaak waarover het hof Den Haag diende te beslissen waren partijen in 2012 gescheiden. De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 400 per maand. De vrouw gaat van deze beslissing in hoger beroep. Het hof komt tot het oordeel dat het beroepschrift van de vrouw niet voldoet aan de wettelijke eis dat het beroepschrift de gronden moet bevatten waarop het hoger beroep berust, en verklaart haar in dit beroep niet ontvankelijk. De vrouw heeft in haar beroepschrift namelijk helemaal geen gronden geformuleerd tegen de beslissing van de rechtbank. Zij stelt dat er door de rechtbank een procedurele fout is gemaakt, hetgeen zou rechtvaardigen dat de zaak opnieuw moet worden bekeken, maar zij geeft in haar beroepschrift niet aan waarom de partneralimentatie moet worden bepaald op ruim € 2.800 per maand. Ze verwijst daarbij naar een verweerschrift dat geen deel uitmaakt van het procesdossier bij de rechtbank en ook niet in het debat tussen partijen is betrokken. Nu de vrouw ook op de zitting geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld, wordt zij in haar hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Gelet op deze omstandigheden komt het hof tot zijn oordeel dat -overeenkomstig het verzoek van de man- de vrouw in de reële proceskosten moet worden veroordeeld. Het hof wijst het door de man in dit verband verzochte bedrag van ruim € 3.900 toe.

Voor meer informatie kun u contact opnemen met mr. Nicole Lindhout-Schot, 073 61 61 100.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar