Procederen in IE-zaken

Nieuwe regelingen proceskosten in IE-zaken

Procederen in IE-zaken kent een aparte dynamiek. Niet alleen inhoudelijk, maar ook ten aanzien van de kosten. In IE-zaken geldt al tien jaar de wettelijke regel dat de partij die in het gelijk wordt gesteld ten koste van de verliezende partij aanspraak kan maken op een vergoeding van de gemaakte advocaatkosten. Per 1 april 2017 zijn de richtlijnen voor de toekenning van deze kosten echter veranderd.

Stel: u hebt een geschil met een van uw afnemers die niet wenst te voldoen aan een betalingsverplichting. U begint een procedure voor de rechter en u wint de zaak glansrijk. So far, so good. Echter, met het overgrote deel van de gemaakte advocaatkosten blijft u zitten. Dit ondanks het wettelijke uitgangspunt dat de partij die de procedure voor de gerechtelijke instantie verliest, door de rechter wordt veroordeeld de proceskosten van de tegenpartij te vergoeden. Dat komt omdat in Nederland een forfairtair systeem wordt gehanteerd waarbij, bij de berekening van de vergoeding van de advocaatkosten, vaste bedragen per proceshandeling worden gehanteerd. Dit heet het liquidatietarief, welk tarief varieert van enkele honderden tot enkele duizenden euro’s per proceshandeling, afhankelijk van de hoogte van het bedrag waar de procedure over gaat. De proceskostenveroordeling die zo wordt berekend, dekt bij lange na niet de werkelijk gemaakte advocaatkosten.

Voor zaken betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten ligt dit sinds een jaar of 10 anders. Op grond van een Europese richtlijn geldt sinds 1 augustus 2007 in Nederland de wettelijke regel dat de partij die in het gelijk wordt gesteld in een IE-zaak ten koste van de verliezende partij wel aanspraak maken op een vergoeding van de gemaakte advocaatkosten. Dit wordt ook wel het ‘loser pays’ systeem genoemd. Het doel van deze proceskostenregel is het niveau van de bescherming van de intellectuele eigendom te versterken door te voorkomen dat een benadeelde partij vanwege de daarmee samenhangende kosten ervan zou worden weerhouden om ter waarborging van zijn rechten een gerechtelijke procedure in te stellen.

In IE-zaken waarbij u zeker kunt zijn van uw zaak (voorzover die er zijn) is het mooi meegenomen dat de verliezer uw advocaatkosten (en, onder meer, kosten van andere gemachtigden en deskundigen) moet betalen. In IE-zaken waar winst niet evident is (de meeste zaken), dient naast het procesrisico dus ook het proceskostenrisico meegenomen te worden. Als u immers wordt aangemerkt als de verliezende partij moet u de proceskosten van de tegenpartij betalen, welke kosten erg in de papieren kunnen lopen. Dit proceskostenrisico speelt een niet onbelangrijke rol bij de beslissing om al dan niet te gaan procederen. Mogelijk gaat er van het proceskostenrisico zelfs een ‘chilling effect’ uit, hetgeen inhoudt dat zowel de IE-rechthebbenden als de tot inbreuk aangesproken partijen niet meer durven te procederen vanwege de onzekerheid over de kosten.  Dit is strijdig met het doel van de regeling.

Om de praktijk een handvat te bieden het proceskostenrisico beter te kunnen inschatten, wordt er sinds 1 augustus 2008 gewerkt met ‘indicatietarieven’. Deze tarieven geven een indicatie van de bedragen die, afhankelijk van de soort procedure en de complexiteit daarvan, in de regel nog als redelijk en evenredig kunnen worden aangemerkt. De indicatietarieven dekken de werkelijke kosten meestal niet, maar in tegenstelling tot het liquidatietarief vaak wel een aanzienlijk deel daarvan. Oorspronkelijk golden de indictietarieven alleen voor procedures in eerste aanleg. Sinds 1 januari 2015 hanteren ook de gerechtshoven en de hoge raad indicatietarieven voor IE-zaken. Naar aanleiding van ontwikkelingen in de rechtspraak zijn nieuwe versies ‘indicatietarieven’ voor zowel de rechtbanken als de gerechtshoven als de hoge raad opgesteld die op 1 april 2017 in werking treden.

Nieuw is onder meer dat in de leidraad indicatietarieven thans expliciet is verwoord dat de indicatietarieven in beginsel hebben te gelden als ‘plafondtarieven’. Dat wil zeggen dat alleen in bijzondere gevallen een hoger bedrag zal worden toegekend dan de genoemde maximale indicatietarieven. Verder is nieuw dat er vanaf 1 april 2017 zal worden gewerkt met vier verschillende categorieën procedures: zeer eenvoudige procedures, eenvoudige procedures, normale procedures en complexe procedures. Voorheen waren er slechts twee categorieën: eenvoudige en normale procedures. Tevens wordt nu aangegeven waarop bijvoorbeeld zal worden gelet bij de categoriebepaling: de omvang van het benodigde feitenonderzoek, de omvang van het feitencomplex, de grondslagen van de vorderingen, de omvang van het verweer, het aantal proceshandelingen, het aantal relevante producties en het financiële belang van de zaak. Niet veranderd is dat de indicatietarieven niet gelden voor octrooizaken.

De praktijk zal echter moeten uitwijzen of deze nieuwe indicatietarieven de rechtzoekende en zijn tegenpartij ook daadwerkelijk in staat zullen stellen om een betere inschatting te kunnen maken van het proceskostenrisico. Het ‘plafond’ is in beginsel gegeven, maar de hoogte daarvan is afhankelijk van in welke categorie de zaak wordt ingedeeld en de verschillen zijn groot. Voor een zeer eenvoudige bodemzaak geldt volgens de indicatietarieven namelijk het liquidatietarief, terwijl voor een complexe bodemzaak het maximale indicatietarief €40.000 bedraagt. Het is maar de vraag of de partijen aan de hand van de gegeven open normen (omvang feitencomplex, grondslagen van de vorderingen, omvang van het verweer, etc.) zelf een goede inschatting kunnen maken van in welke categorie de procedure zal worden ingedeeld.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar