Over mijn lijk!

Over de juridische status van een lijk en de organen van een overledene

Vragen bij en na het overlijden als gevolg van een verkeersongeval

Dit bericht haalde op 4 juli jl. het achtuurjournaal: een donorarts zou organen gestolen hebben.[1] Wat was er aan de hand?

Een 18-jarig meisje overleed in 2011 na een ernstig verkeersongeval. Na 24 uur werd vastgesteld dat er onomkeerbare hersenschade bestond. Er was een vermoeden van hersendood. Op advies van de behandelend neuroloog werd besloten de behandeling te staken. Dit werd op maandag 28 februari 2011 met de familie besproken. In datzelfde gesprek werd met de familie gesproken over de mogelijkheid van orgaan- en weefseldonatie. De ouders van het meisje stemden in met nierdonatie. De donatie van de beide nieren maakte twee succesvolle niertransplantaties mogelijk.

Enkele tijd later maakten de ouders uit het medisch dossier op dat ook de milt en wat bloedvaten waren verwijderd. Daar hadden zij in hun visie echter geen toestemming voor gegeven. De ouders klaagden daarom bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag over het gedrag van zowel de uitnamechirurg als de transplantatiecoördinator. De uitspraak werd op 4 juli jl. gedaan.[2]

Volgens de tuchtrechter was de ‘wijze van opereren gebruikelijk en voorgeschreven’ en ‘medisch noodzakelijk voor een succesvolle transplantatie’. De verwijderde bloedvaten waren nodig om de organen bij de ontvanger goed te kunnen aanhechten en de delen van de milt waren gebruikt om onderzoek te doen naar eventuele afstotingsverschijnselen bij de ontvanger – niet de hele milt was dus uitgenomen. De ouders wisten klaarblijkelijk niet dat dit gebruikelijk was/erbij hoorde.

De tuchtrechter heeft op dit punt meegewogen dat een uitnamechirurg geen enkel contact heeft met familieleden, en dus ook geen rol had in de communicatie naar familieleden. De transplantatiecoördinator, die na toestemming voor donatie contact legt met nabestaanden, heeft in deze zaak na de operatie ‘de gebruikelijke zaken besproken’. Volgens de tuchtrechter had ‘betere informatievoorziening aan de familie wel de voorkeur verdiend’. De informatievoorziening vooraf en achteraf kon en kan dus zeker beter. Misschien had de tuchtprocedure hierdoor zelfs kunnen worden voorkomen.

De tuchtrechter heeft in de uitspraak ook een aantal aanbevelingen over de informatievoorziening gedaan. Zo moet er voor nabestaanden direct informatie schriftelijk beschikbaar zijn over de noodzaak van het uitnemen van extra weefsel zoals bloedvaten en milt. Ook adviseerde de tuchtrechter om nauwkeurig data, tijdstippen en informatie over wat is uitgenomen vast te leggen bij een uitnameoperatie.

Het gaat bij orgaandonatie om ingrijpende beslissingen over – delen van – een stoffelijk overschot. Informatie hierover geven en ook krijgen is dus wel het minste. En die ontbreekt vaak. Orgaandonatie spreekt hierdoor bij veel mensen tot de verbeelding. Wie mag er nu eigenlijk iets over een lijk – en de bestanddelen daarvan – zeggen?

Het juridisch uitgangspunt: de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam

De menselijke lichamelijkheid houdt bij het intreden van de dood op te bestaan. Het lichaam wordt dan een lijk, waarbij het zogenaamde ‘hersendoodcriterium’ geldt.[3]

Is een lijk eigenlijk vatbaar voor eigendom? Over de vraag naar eigendom van een lijk heeft de Hoge Raad zich een lange tijd geleden al eens uitgesproken. In zijn arrest uit 1946 oordeelde hij dat ten aanzien van erven of nabestaanden kan worden gezegd dat van een ‘toebehoren’ in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Met andere woorden: er is strafrechtelijk gezien sprake van diefstal indien een lichaamsdeel of stoffen uit een lijk worden weggenomen zonder toestemming van de betrokkene. ‘Orgaandiefstal’ bestaat juridisch gezien dus echt. In het bedoelde arrest wordt overigens in het midden gelaten of ten aanzien van de nabestaanden kan worden gesproken van eigendom van het lijk van de persoon die is overleden. Wie dus eigenaar is of wordt, is niet duidelijk.

In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat het een té vermogensrechtelijke benadering is om te spreken van ‘eigendom van een lijk’.[4] Dit uitgangspunt wordt met name ook ingegeven door de zogenaamde nawerking van de persoonlijkheidsrechten, zoals het recht op lichamelijke integriteit, van de overledene. Het recht op lichamelijke integriteit is onder meer[5] vervat in artikel 11 van de Grondwet. Daarin staat:
“Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam”.
Met de opname van deze bepaling in de Grondwet wordt volgens de wetgever rechtszekerheid aangaande het recht op onaantastbaarheid van het lichaam gegeven, wat een kernelement van de persoonlijke levenssfeer is en blijft.[6]

De lichamelijke integriteit is dus een onderdeel van de persoonlijke levenssfeer. En die geldt ook na de dood.[7] Lichamelijke integriteit moet worden beschermd. Beperkingen op dit recht kunnen, aldus artikel 11 van de Grondwet, alleen bij of krachtens wettelijke bepalingen worden gesteld. Die wettelijke bepalingen zijn bijvoorbeeld de Wet op de lijkbezorging (‘Wlb’) en de Wet op de orgaandonatie (‘Wod’).

De Wet op de lijkbezorging

In de Wlb wordt geregeld wat er met een lichaam gebeurt wanneer iemand is overleden. Zo wordt er, als iemand volgens de (schouw)arts een natuurlijke dood is gestorven, volgens artikel 7 lid 1 Wlb een verklaring van overlijden afgegeven. Die verklaring van overlijden is van belang, omdat zonder die verklaring iemand niet kan worden begraven of gecremeerd. Dat volgt uit artikel 11 en 12 Wlb. De Wlb kent overigens geen andere manier van lijkbezorging dan begraven of cremeren. Wist u bijvoorbeeld dat het balsemen van een lijk anders dan voor gebruik als bedoeld in de Wod niet mag? Dat staat in artikel 71 Wlb. Iets anders is de ontleding van een lijk. Dat is een bijzondere vorm van lijkbezorging, die wordt geregeld in 67 Wlb. Ontleding gebeurt slechts als iemand ‘zijn lijk daartoe heeft bestemd’. Dus: zijn lijk ter beschikking heeft gesteld aan de wetenschap.[8] Een andere manier van lijkbezorging is resomeren, oftewel het oplossen van een lijk onder druk in heet water met behulp van kaliumhydroxide. Momenteel is ook deze manier van lijkbezorging – die als ‘duurzaam’ wordt gezien – nog niet mogelijk; in de toekomst wellicht wel.[9]

In gevallen van niet-natuurlijk overlijden kan geen verklaring van overlijden door de (schouw)arts worden gegeven. Dan wordt door de (schouw)arts melding gedaan aan de gemeentelijk lijkschouwer (artikel 7 lid 2 en 3 Wlb). Dat kan zo zijn als er een vermoeden van een misdrijf is, als gevolg waarvan iemand om het leven is gekomen. De melding gebeurt ook als sprake is geweest van euthanasie of hulp bij zelfdoding.[10]

In artikel 11 Wlb is bepaald dat verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand nodig is om iemand te begraven of cremeren. Het verlof wordt volgens artikel 12 Wlb niet gegeven als er geen overlijdensverklaring is of geen verklaring van geen bezwaar tegen begraving of crematie van de officier van justitie. Op grond van artikel 10 lid 1 Wlb doet de lijkschouwer verslag aan de officier van justitie indien hij geen verklaring van overlijden kan afgeven. Dat is aan de orde als er sprake is van een niet-natuurlijke dood. De officier van justitie kan vervolgens nog een onderzoek naar (de oorzaak van) het overlijden instellen. Zodra de officier meent dat het lijk niet meer noodzakelijk is voor het onderzoek, wordt de verklaring van geen bezwaar gegeven.[11] Dan kan lijkbezorging plaatsvinden.

Het verlof tot begrafenis of crematie wordt door iemand aangevraagd. Meestal is dat een familielid of naaste betrekking van de inmiddels overledene. Is er eenmaal verlof voor een begrafenis of crematie gegeven, dan bepaalt artikel 18 Wlb dat degene die het verlof heeft aangevraagd – of iemand die kan worden geacht in de plaats daarvan te zijn getreden – ook zorgt voor de lijkbezorging. Voor de begrafenis of crematie dus. Is er nu niemand die ‘actie onderneemt’ en verlof vraagt, dan moet degene ‘die het lijk onder zijn berusting heeft’ dit uiterlijk drie dagen na het overlijden melden bij de burgemeester. De burgemeester zorgt dan op grond van artikel 21 Wlb voor de begrafenis of crematie. De daarmee gepaard gaande kosten komen voor rekening van de gemeente, maar kunnen worden verhaald op de nalatenschap.[12]

Volgens de tweede volzin van artikel 18 Wlb dient de lijkbezorging – dus de begrafenis of crematie – te geschieden volgens de wens of vermoedelijke wens van de overledene.

Eenmaal begraven, is er sprake van zogenaamde ‘grafrust’ en lijkt het bestek van de Wlb daarmee op te houden.[13] Het is echter niet ondenkbaar dat nabestaanden het ná het overlijden van een familielid oneens worden of blijven over de plaats waar de betreffende persoon is begraven. Of dat hun wens op dit punt verandert. De Wlb voorziet mede om die reden[14] in een mogelijkheid tot herbegraven.

In artikel 29 Wlb wordt bepaald dat een lijk slechts wordt opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven en, als het om een particulier graf gaat, met de toestemming van de rechthebbende op dat graf. De burgemeester wijst een verzoek tot opgraven af indien dit binnen een termijn van tien jaar plaatsvindt.[15] De genoemde termijn is de termijn voor de algemene grafrust, die in artikel 31 lid 2 Wlb staat. Ook wijst de burgemeester een verzoek waarschijnlijk af indien er sprake is van een algemeen graf waarbij ook de resten van andere overledenen beroerd moeten worden. Het gaat hier – net als bij alle bestuursrechtelijke besluiten – om een belangenafweging.[16]

De Wet op de orgaandonatie

Vóór dat iemand daadwerkelijk wordt gecremeerd of begraven, spelen – bij met name nabestaanden – natuurlijk ook verschillende andere vragen. Dat zagen wij maar al te goed in de zaak van de ‘orgaandiefstal’. Orgaandonatie wordt geregeld in de Wod.

Aan de Wod liggen twee uitgangspunten ten grondslag: in de eerste plaats is dat artikel 11 van de Grondwet, zoals hiervoor besproken. Het tweede uitgangspunt is het principe van de rechtvaardige verdeling: vanwege het tekort aan organen voor orgaantransplantatie is sprake van een schaarse vorm van gezondheidszorg die in gelijke mate of volgens een eerlijke verdeling toegankelijk en verkrijgbaar dient te zijn. De Wod heeft daarom vier doelstellingen:[17] het scheppen van waarborgen voor de donor, het verhogen van het orgaanaanbod, het bevorderen van een rechtvaardige verdeling van beschikbaar komende organen en het voorkomen van commerciële praktijken.

Anders dan veelal wordt gedacht, regelt de Wod ook het een en ander over orgaandonatie bij leven. Deze vorm van orgaandonatie blijft in deze bijdrage buiten beschouwing; hier wordt gefocust op de wetgeving die geldt bij donatie na overlijden.

In artikel 21 jo. artikel 20 Wod is bepaald dat het verwijderen van een orgaan na het overlijden van een persoon alleen met toestemming is toegestaan.[18] Hoofdstuk 3 van de Wod regelt de toestemming voor het ter beschikking stellen van organen na overlijden. In artikel 9 Wod is bepaald dat meerderjarigen en minderjarigen die 12 jaar of ouder die tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake in staat zijn, toestemming kunnen geven voor het verwijderen van hun organen nadat zij zijn overleden, of hiertegen juist bezwaar kunnen maken. Ook kunnen zij de keuze overlaten aan specifieke naasten (partner, of familie) of iemand die zij hiervoor in het bijzonder hebben aangewezen.

De keuze van de aanstaande donor wordt geregistreerd in het donorregister (artikel 10 lid 2 Wod). Iedereen die 18 jaar (dus meerderjarig) wordt krijgt en donorformulier toegestuurd (artikel 10 lid 1 Wod), zodat hij een keuze kenbaar kan maken en die kan laten registreren. Wat er op het donorformulier staat vermeld, wordt geregeld in artikel 10 lid 4 Wod en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur.[19]

Een eenmaal gemaakte keuze kan altijd worden veranderd (artikel 9 lid 3 Wod). Overigens kan een keuze ook op een andere manier kenbaar worden gemaakt; de registratie in het donorregister is niet per sé leidend.[20] Volgens artikel 9 lid 4 Wod kan de keuze ook via een zogenaamd ‘donorcodicil’ kenbaar worden gemaakt. Zo’n donorcodicil is niet meer dan een schriftelijke verklaring, die iemand zelf heeft gedagtekend ondertekend, kenbaar maken.

De Wod heeft een zogenaamd ‘gemengd’ beslissysteem.[21] Het is een mengeling van zowel een toestemmings- als bezwaarsysteem en wordt daardoor ook wel gekenmerkt als een onzuiver toestemmingssysteem. De donor kan immers zowel uitdrukkelijk bezwaar maken tegen orgaandonatie als toestemming – al dan niet onder voorwaarden – geven. Ook de familie van de donor kan nog het nodige te zeggen hebben. Tegenover het (zuivere) toestemmingssysteem staat het (zuivere) bezwaarsysteem: in een dergelijk systeem is iemand donor tenzij hij bezwaar heeft gemaakt.[22] Dit is een zogenaamd actief systeem. Het huidige systeem uit de Wod is overigens als ‘passief’ en niet ‘actief’ te kenmerken. Het systeem wordt immers pas in werking gesteld op het moment dat een potentiele donor vóór zijn overlijden zelf actie heeft ondernomen.

Vaak komt het voor dat er door een overledene geen keuze over orgaandonatie is gemaakt, of dat die niet is geregistreerd of vastgelegd in een donorcodicil. Dat was ook het geval in de tuchtprocedure waarin de donorartsen werden beschuldigd van ‘orgaandiefstal’. Voor die situatie bestaat artikel 11 Wod. Let wel: dit artikel is pas aan de orde als er géén beslissing van de overledene bekend is. Is die er wel, dan vindt artikel 11 Wod geen toepassing. Dat betekent ook dat indien iemand uitdrukkelijk toestemming voor orgaandonatie heeft gegeven – en dit ook zo is vastgelegd – naasten, zoals familieleden, strikt juridisch gezien niets tegenin kunnen brengen. Overigens is dit in de praktijk nog wel eens anders en wordt nabestaanden toch óók om toestemming gevraagd.[23]

In artikel 11 Wod is bepaald dat indien van een meerderjarig iemand ‘geen wilsverklaring omtrent het verwijderen van organen aanwezig is’, daarvoor toestemming kan worden gevraagd aan de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel, dan wel bloedverwanten of aanverwanten tot en met de tweede graad. Deze opsomming is limitatief. Daarnaast is niet de toestemming van alle betrokkenen nodig. Is er toestemming van de echtgenoot, dan hoeft aan de andere (later) in de wet genoemde personen niet ook nog eens toestemming te worden gevraagd. Bovendien moeten deze personen ‘onmiddellijk bereikbaar’ zijn. Hier ligt een inspanningsverplichting voor de donor- of transplantatiearts: hij of zij moet zich zodanig inspannen om de naasten te bereiken als redelijkerwijs van hem binnen de beschikbare tijd verwacht kan worden.[24] Is er geen toestemming van de naaste bloed- of aanverwanten, of zijn die het oneens over wat er moet gebeuren, dan vindt er geen donatie en transplantatie plaats.[25]

Orgaandonatie en –transplantatie vindt ook niet plaats wanneer een minderjarige van twaalf jaar of ouder – en die wel wilsbekwaam is – toestemming heeft gegeven en als een ouder of voogd daartegen toch bezwaar maakt (artikel 12 Wod). De ouders van kinderen onder de twaalf hebben overigens ook een leidende rol: in het geval iemand twaalf jaar of jonger is, kan de toestemming voor orgaandonatie worden gegeven door de ouder(s) of voogd (artikel 11 lid 3 Wod).

Worden – bij leven of na overlijden – in strijd met het toestemmingsvereiste organen uitgenomen dan bepaalt artikel 32 lid 1 Wod dat ook dit specifieke handelen strafbaar is. Er staat een gevangenisstraf van een jaar of een boete van € 20.500,- op dit delict.

De Wod is inmiddels drie keer geëvalueerd. Sinds de inwerkingtreding van de wet is het evenwel niet gelukt om het aantal donororganen en orgaantransplantaties structureel te laten stijgen – wat wel één van de doelstellingen van de wet was en is. In 2011 bedroeg de toename van het aantal postmortale transplantaties (ten opzichte van het gemiddelde aantal over de periode 2005–2007) slechts 5,3%, terwijl minimaal 25% beoogd was.[26] Volgens de laatste gegevens van de Nederlandse Transplantatiestichting vonden in 2015 265 donaties plaats. In 2016 waren dat 235 donaties; een daling van 11%.[27]

Onder meer met de drie evaluaties van de Wod in de hand is in 2012 een initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Wod ingediend door D66-Kamerlid Pia Dijkstra, genaamd ‘Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met het opnemen van een actief donorregistratiesysteem’.[28]

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de Wod een actief donorregistratiesysteem te geven. Hiertoe zal artikel 10 lid 4 Wod wijzigen. Dit artikel(lid) zal zodanig gewijzigd dat op het donorformulier uitdrukkelijk wordt vermeld dat wanneer een meerderjarige persoon geen wilsverklaring of wilsbeschikking omtrent orgaandonatie aflegt of verstrekt, de betrokkene zes weken na verzending van de herinnering daaraan in het donorregister wordt geregistreerd als een persoon die toestemming heeft verleend voor het na zijn overlijden verwijderen van zijn organen. Dus: het omgekeerde van wat nu de procedure is. Iemand is onder de voorgestelde wet donor tenzij hij zelf uitdrukkelijk bezwaar maakt.

Het wetsvoorstel is inmiddels door de Tweede Kamer heen, met 75 tegen 74 stemmen.[29] De voorgestelde wet nu ter goedkeuring bij de Eerste Kamer.[30] Of de het nieuwe (actieve) donorsysteem er komt en hoe lang dit dan nog gaat duren, is niet duidelijk.

Conclusies

Een lijk – of netter gezegd: een stoffelijk overschot – kan geen eigendom van iemand zijn. Organen wel. Die kunnen juridisch gezien dus ook worden gestolen. Aangifte van orgaandiefstal doen is dus mogelijk en kan leiden tot een strafprocedure, maar ook – zoals in de geschetste casus aan de orde was – tot een tuchtrechtprocedure.

Lijken geven meer juridische vragen. Bijvoorbeeld naar wie nu verantwoordelijk is voor lijkbezorging. Dat is meestal een naaste of familie, maar kan bij gebreke daarvan ook de burgemeester – en dus de gemeente – zijn. Begraving, crematie en ontleding zijn de drie ‘opties’, als het om lijkbezorging gaat. Het balsemen van een lijk is verboden.

Voordat lijkbezorging plaatsvindt, kunnen zich tevens verschillende andere (juridische) problemen voordoen. Zoals bijvoorbeeld de vraag naar orgaandonatie. De Wod voorziet hierin en kent een zogenaamd ‘onzuiver’ toestemmingssysteem: is er geen toestemming van de overledene en geven de nabestaanden die ook niet, dan vindt in principe geen orgaandonatie plaats. Het zonder toestemming uitnemen van organen is strafbaar.

Mogelijk gaat het regime van de Wod op de schop en komt voor het toestemmingssysteem een zogenaamd bezwaarsysteem in de plaats. Bezwaar maken wordt dan de regel: maak je geen bezwaar, dan ben je orgaandonor op het moment dat je komt te overlijden. Vooralsnog is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer dit nieuwe systeem er komt.

Duidelijk is wel dat de uitspraak ‘Over mijn lijk’ vele soorten van betekenissen kan worden toegedicht. Ook in juridische zin.

[1] Aldus verschillende media, waaronder het Medisch Contact van 4 juli 2017. Zie <https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/van-orgaandiefstal-beschuldigde-chirurg-handelde-juist.htm>.

[2] Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage 4 juli 2017, ECLI:NL:TGZRSGR:2017:112.

[3] H.J.J. Leenen, J.K.M. Gevers en J. Legemaate, Handboek Gezondheidsrecht Deel I, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 59.

[4] J.K.M. Gevers, ‘Rechtsbescherming na de dood’, in: J.K.M. Gevers en J.H. Hubben (red.), Grenzen aan de zorg; zorgen aan de grens, Alphen aan den Rijn: Samsom 1990, p. 170-180.

[5] Het recht op lichamelijke integriteit kent meerdere bronnen, zoals uiteraard artikel 3 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden, alsook artikel 1 en 3 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

[6] Kamerstukken II, 1979/80, 16086, nr. 8, p. 1.

[7] Kamerstukken II, 1979/80, 16086, nr. 8, p. 7.

[8] Kamerstukken II 1980/81, 11256, nr. 10, p. 9.

[9] Er wordt wel onderzocht of resomeren tot de mogelijkheden van lijkbezorging kan gaan behoren; vgl. Kamerstukken II 2016/17, 30696, nr. 42.

[10] Dat zijn immers ook gevallen van een niet-natuurlijke dood. In dat geval meldt de gemeentelijk lijkschouwer vervolgens aan de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie, volgens artikel 10 lid 2 Wlb.

[11] Zie daarover H.J.J. Leenen e.a. (red.), Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2014, p. 427. Lezenswaardig is tevens het aldaar bij voetnoot 170 vermelde proefschrift, C. Das, Overlijdensverklaringen en artsen: wet en praktijk (diss.) Amsterdam: VU 2004.

[12] Of, als de nalatenschap niet genoeg verhaal biedt, op de bloed- en aanverwanten die krachtens artikel 1:392 tot en met 1:396 BW verplicht waren tot onderhoud van de overledene. Dat geldt overigens niet voor (gewezen) echtgenoten; de plicht tot het verstrekken van levensonderhoud van een echtgenoot vindt zijn grondslag in artikel 1:81 BW en biedt dan ook geen ruimte om kosten te verhalen (zie Rechtbank Den Haag 3 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1014).

[13] Dat geldt uiteraard ook voor crematie en ontleding.

[14] Kamerstukken II, 1975/76, 11256, nr. 6, p. 12

[15] ABRvS 25 september 1997, ECLI:NL:RVS:1996:AN5237.

[16] Aardig in dit verband is een nog onder de oude Wlb gewezen uitspraak van Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State, ABRvS, 28 november 1991, ECLI:NL:RVS:1991:AN2340.

[17] Die staan ook in de considerans bij de wet. Vgl. ook Kamerstukken II, 1991/92, 22358, nr. 3, p. 5-8. Zie over de doelstellingen ook uitvoerig de Derde Evaluatie van de Wet op de Orgaandonatie, Den Haag: ZonMw, november 2006, p. 7 en 19.

[18] Artikel 8 Wod bepaalt een en ander voor een donatie bij leven.

[19] Het Besluit donorregister, Besluit van 26 januari 1998, Staatsblad 1998, nr. 41, laatstelijk gewijzigd bij Staatsblad 2016, nr. 141.

[20] Kamerstukken II, 1991/92, 22358, nr. 3, p. 40.

[21] Tweede Evaluatie van de Wet op de Orgaandonatie, Den Haag: ZonMw, april 2004, p. 40. Kamerstukken II, 1991/92, 22358, nr. 3, p. 14-17. Zie over de verschillende beslissystemen ook Kamerstukken II 1993/94, 22358, nr. 17, p. 10-13.

[22] Zie uitvoerig over de verschillende systemen de Tweede Evaluatie van de Wet op de Orgaandonatie, Den Haag: ZonMw, april 2004, p. 20-26.

[23] Vgl. de Tweede Evaluatie van de Wet op de Orgaandonatie, Den Haag: ZonMw, april 2004, p. 40.

[24] Kamerstukken II, 1992/93, 22358, nr. 5, p. 69. Deze regel kan volgens de wetgever ook niet nader worden gedetailleerd of geconcretiseerd, daar iedere specifieke situatie zijn eigen kenmerken heeft en per geval bekeken moet worden, wat redelijk is. Dit moet aan het inzicht van de arts en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid worden overgelaten.

[25] Kamerstukken II, 1992/93, 22358, nr. 5, p. 69.

[26] Kamerstukken II 2012/13, 33506, nr. 3, p. 2.

[27] Jaarverslag NTS 2016, p. 10. Beschikbaar via <https://www.transplantatiestichting.nl/sites/default/files/product/downloads/nts_jaarverslag_2016.pdf>.

[28] Kamerstukken II 2012/13, 33506, nrs. 1 en 2.

[29] Handelingen II 2015/16, 110-14-1 (13 september 2016).

[30] Kamerstukken I 2015/16, 33506, nr. A.

 

Jaqueline de Vries – Holla Advocaten

 

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar