Onzorgvuldige beoordeling suïcidaliteit?

In de geestelijke gezondheidszorg worden dagelijks beoordelingen van suïcidaliteit gedaan, bijvoorbeeld in het kader van een crisismelding. Op 12 mei 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam (hierna: ‘hof’) een interessant arrest gewezen in een zaak waarin twee aanbieders van spoedeisende geestelijke gezondheidszorg en aldaar werkzame artsen aansprakelijk werden gesteld. Eisers stelden dat de artsen een onzorgvuldige beoordeling van suïcidaliteit hadden uitgevoerd en dat na die beoordeling onzorgvuldig was gehandeld.

Wat is er gebeurd?

Deze zaak draaide om de behandeling van een patiënte (hierna: ‘mevrouw’). Mevrouw had in december 2012 de huisarts bezocht omdat zij zich niet goed voelde en zich zorgen maakte over de toekomst. De huisarts meende dat mevrouw kampte met een postnatale depressie, na haar bevalling vier maanden eerder. De huisarts schreef mevrouw een slaapmiddel en een antidepressivum voor en verhoogde de dosis antidepressivum kort daarna. Enkele dagen later wilde mevrouw ‘s avonds een suïcidepoging doen, maar haar partner en een vriendin konden ingrijpen. De partner van mevrouw heeft hierop 112 gebeld, waarna mevrouw, via de huisartsenpost, terecht kwam bij de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam (hierna: ‘SPA’). De SPA is een samenwerkingsverband van de twee – in deze zaak aangesproken – zorgaanbieders voor spoedeisende psychiatrische zorg, ook buiten kantooruren. De dienstdoende huisarts van de huisartsenpost had de SPA verzocht een beoordeling van suïcidaliteit uit te voeren.

Omdat mevrouw voor die beoordeling niet naar de onderzoekslocatie wenste te komen, werd zij thuis bezocht door twee arts-assistenten, die hun bevindingen terugkoppelden aan de psychiater als achterwacht. De arts-assistenten en psychiater kwamen tot de gezamenlijke conclusie dat er geen grond was voor een (gedwongen) opname van mevrouw. De drie artsen verhoogden de dosis slaapmiddel en spraken af dat het Acuut Behandel Team (hierna: ‘ABT’) de volgende dag telefonisch contact met mevrouw zou opnemen om te bespreken hoe de nacht was verlopen en of nadere actie nodig zou zijn. Ook lieten de arts-assistenten een spoedtelefoonnummer achter.

De volgende ochtend werd mevrouw door de nachtdienst aan het ABT overgedragen. Een arts-assistent van het ABT probeerde die dag, zoals afgesproken, verschillende keren om mevrouw telefonisch te bereiken. Uiteindelijk sprak de arts-assistent met de partner van mevrouw, die aangaf dat het beter met haar leek te gaan. Afgesproken werd dat mevrouw na het weekend bij het ABT zou langskomen om te worden gezien door een psychiater. Die avond heeft mevrouw zichzelf van het leven beroofd.

Enkele maanden later vonden er nabesprekingen plaats tussen de partner en familieleden enerzijds, en enkele van de betrokken artsen en de psychiater-manager van de SPA. De interne suïcidecommissie van de zorgaanbieders concludeerde dat geen sprake is geweest van een meldingsplichtige calamiteit en dat bij beide suïcidepogingen sprake was van een impulsieve suïcidepoging.

Een jaar na het overlijden van mevrouw heeft de partner de zorgaanbieders en de vijf betrokken artsen aansprakelijk gesteld voor de schade die de partner en zijn dochter hebben geleden als gevolg van het overlijden van mevrouw. De zorgaanbieders en artsen hebben deze aansprakelijkheid betwist.

Aansprakelijkheidsprocedure

In deze procedure vorderden de partner en zijn dochter (hierna: ‘de partner’) onder meer schadevergoeding met als grondslag dat de zorgaanbieders en de artsen jegens mevrouw toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en dat de artsen jegens mevrouw onrechtmatig hebben gehandeld en daardoor schadeplichtig zijn.

In de procedure in eerste aanleg heeft de Rechtbank Amsterdam de vorderingen afgewezen omdat, heel kort gezegd, niet kan worden geoordeeld dat de artsen hun zorgplicht hebben geschonden. De partner ging tegen dat oordeel in hoger beroep.

Beoordeling

Het hof zette in het arrest eerst uiteen aan welke norm moet worden getoetst, namelijk die van het ‘goed hulpverlenerschap’ uit artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek. Voor beantwoording van de vraag of de artsen de zorg van een goed hulpverlener in acht hebben genomen, moet worden beoordeeld of zij ‘de zorgvuldigheid hebben betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist mag worden verwacht’. Daarbij overwoog het hof dat een protocol voor een medische behandeling een richtlijn geeft die in beginsel in acht moet worden genomen, maar dat daarvan soms kan en in bepaalde gevallen ook moet worden afgeweken. Hier geldt  als maatstaf dat aan de patiënt de zorg behoort te worden verleend die ‘in de omstandigheden van het geval van een redelijk bekwaam arts mag worden verlangd’. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de feiten en omstandigheden waarmee de artsen op dat moment bekend waren en bekend mochten worden geacht. Om te voorkomen dat het oordeel wordt beïnvloed door ‘wijsheid achteraf’, mag het feit dat mevrouw uiteindelijk suïcide heeft gepleegd geen rol spelen bij de beoordeling van het handelen van de artsen vóór de suïcide, aldus het hof.

Op basis van het verweer van de twee arts-assistenten die mevrouw ’s avonds hebben bezocht en de psychiater-achterwacht met wie zij overleg hebben gevoerd oordeelde het hof dat het onderzoek niet inadequaat is geweest. De arts-assistenten hebben de psychiatrische beoordeling van mevrouw conform de toepasselijke ‘Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag’ uitgevoerd. Het hof ging voorbij aan de stelling van de partner dat de arts-assistenten verder hadden moeten doorvragen toen zij mevrouw bezochten, onder meer omdat de partner zelf actief aan het gesprek had deelgenomen en hij de arts-assistenten daarop had kunnen wijzen. Ook heeft de partner niet onderbouwd welk voorschrift van de richtlijn daarmee is geschonden of dat anderszins onzorgvuldig is gehandeld. Naar het oordeel van het hof hebben de artsen voldoende acht geslagen op het medicatiegebruik van mevrouw alsook de kans dat mevrouw de situatie bagatelliseerde. Zij hebben haar verhaal voldoende getoetst bij de partner. De partner heeft onvoldoende onderbouwd dat een gedwongen opname aangewezen was, in het licht van de daarvoor geldende eisen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid. De door de artsen getroffen maatregelen kunnen in de gegeven omstandigheden als voldoende zorgvuldig worden aangemerkt. Met name omdat mevrouw niet psychotisch was hadden de artsen niet hoeven besluiten tot de ingrijpende maatregel van gedwongen opname.

Ook de arts-assistent die op de dag na de eerste suïcidepoging contact met mevrouw zou opnemen heeft volgens het hof adequaat gereageerd. Het hof passeerde ook de stelling van de partner, inhoudend dat de opleving die mevrouw na een goede nachtrust had, moest worden gezien als een aankondiging voor de suïcide. Volgens het hof ging het hier namelijk niet om een onverwachte of bijzondere verbetering van de toestand van mevrouw, maar juist om een beoogde en voorziene verbetering als gevolg van een goede nachtrust. De partner heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd waarom deze arts-assistent niet had mogen besluiten om mevrouw pas na het weekend te laten zien door een psychiater. Bovendien heeft de arts-assistent dat besluit met de partner zelf afgestemd.

Nu niet is vast komen te staan dat mevrouw niet ‘naar de regelen der kunst’ is behandeld, valt ook de psychiater-achterwacht en de psychiater-manager van de SPA geen verwijt te maken. Het hof bekrachtigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees daarmee alle vorderingen af.

Tot slot

Beoordelingen van suïcidaliteit worden in de geestelijke gezondheidszorg dagelijks uitgevoerd. Als vervolgens sprake is van een andere realiteit kan dat aanleiding geven tot een discussie over de vraag of de beoordeling juist is geweest en of zorgvuldig is gehandeld. Uit dit arrest volgt dat, als de behandelaar kan uitleggen dat hij, kort gezegd, heeft gehandeld zoals van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, er geen sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid en aldus geen grond voor schadevergoeding bestaat. In deze zaak hebben de zorgaanbieders die uitleg  kunnen geven en is onvoldoende aangevoerd en onderbouwd om het hof tot een ander oordeel te brengen.