Onrechtmatige opzegging toelatingsovereenkomst leidt tot schadeplichtigheid

1. Inleiding

Ziekenhuis moet aan kant gezette cardiothoracaal chirurg vier ton betalen“, kopte de media op 5 januari 2015. Aanleiding voor het bericht was een eindvonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 december 2014 inzake een geschil tussen een medisch specialist die de toelating tot het ziekenhuis was opgezegd enerzijds en het ziekenhuis en de vereniging medische staf (hierna: VMS) anderzijds. De rechtbank oordeelde dat zowel het ziekenhuis als de VMS onrechtmatig jegens de medisch specialist had gehandeld en dat zij beide dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk waren voor de door de medisch specialist geleden schade. Vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de schade wees de rechtbank de medisch specialist een voorschot van € 400.000,- toe, hetgeen overeenkomt met het gederfd inkomen over de tweede achterliggende jaren.

Een lezenswaardige uitspraak, niet alleen voor wat betreft de feiten en het oordeel van de rechtbank, maar die ook in een wat breder perspectief geplaatst dient te worden.

2. Feiten

De medisch specialist (hierna: de specialist) om wie het in deze uitspraak gaat, was vanaf 1 april 1998 werkzaam als cardiothoracaal chirurg in het ziekenhuis. Hij had geen toelatingsovereenkomst getekend. Medio 2012 ontstond er een incident op de operatiekamer toen de specialist het ziekenhuis verliet terwijl hij kort hierna moest opereren, zijn patiënt al onder narcose lag en de time-outprocedure al door hem was gedaan. Kort daarna is hij teruggekomen maar gezien zijn emotionele toestand was hij niet meer in staat te opereren en heeft een collega de operatie overgenomen.

Naar aanleiding van het incident vonden diverse gesprekken met de specialist plaats, mede omdat de anesthesiologen van het ziekenhuis aangaven dat dit de druppel was die de emmer deed overlopen. Ongeveer gelijktijdig meldden de andere cardiologen van het ziekenhuis dat in hun ogen diende te worden getwijfeld aan de chirurgische kwaliteit van de specialist en dat ze geen vertrouwen hadden in zijn functioneren. Volgens de cardiologen was er geen weg meer terug. Nadat de specialist had uitgelegd dat de mortaliteit weliswaar hoger was, maar dat hij ook heel veel hoogrisicopatiënten die in zeer slechte conditie waren, had geopereerd, besloten zijn collega’s dat hij weer aan het werk mocht gaan. Wel diende er nog een aantal gesprekken gevoerd te worden. Ook werd de specialist opgedragen zijn taken beter na te komen.

Eind 2012 liet de maatschap aan de raad van bestuur van het ziekenhuis weten dat na onderzoek was geconcludeerd dat er vooralsnog geen zorgen waren gerezen ter zake van het chirurgisch handelen van de specialist. Ook een onderzoek naar de operatieresultaten in 2011 en 2012 leidde niet tot die conclusie.

In november 2012 echter meldden de cardiologen twee accidenten aan de raad van bestuur, later aangevuld met een lijst van acht patiënten bij wie een probleem zou zijn ontstaan. Naar aanleiding hiervan vond wederom een gesprek plaats met de specialist en totdat één en ander onderzocht zou zijn, kreeg hij bijzonder verlof.

De specialist protesteerde tegen deze beslissing; hij stelde voor een deskundige te benoemen en hamerde op de noodzaak van een mediation met zijn maatschap en de andere maatschappen. Enige dagen later lieten de anesthesiologen schriftelijk weten dat de situatie onder de specialisten niet was verbeterd en dat zij hem vooralsnog niet zouden ondersteunen bij operaties.

Begin januari 2013 vroeg de maatschap cardiologie aan de VMS het reglement ‘mogelijk disfunctioneren lid medische staf’ toe te passen. Ook de maatschap anesthesiologie wees op die mogelijkheid, maar vroeg daar niet direct om. De maatschap van de betreffende specialist besloot ‘op te schalen’ door middel van een formele melding vanuit de maatschap aan het stafbestuur over het mogelijk disfunctioneren van een lid van de medische staf. De maatschappen cardiochirurgie, anesthesiologie en cardiologie stelden een document op met de titel ‘procedure mogelijk disfunctioneren medisch specialist’ en gaven aan dat de specialist gedurende drie maanden onder supervisie zou moeten opereren en dat de samenwerking met de cardiologen en anesthesiologen moest verbeteren. De specialist ontkende niet dat er problemen waren, maar zei dat die betrekking hadden op de samenwerking tussen de maatschappen in zijn algemeenheid en niet zozeer op hem persoonlijk.

De VMS leidde uit zijn reactie een weigering van het verbetertraject af en deed de zaak over aan de raad van bestuur van het ziekenhuis. De raad van bestuur sprak vervolgens met de specialist en gaf aan dat hij niet langer te handhaven was en dat opzegging van zijn toelating moest volgen. Omdat de specialist nooit een toelatingsovereenkomst had getekend, werd hem verzocht dat alsnog te doen. Hem werd geadviseerd om alsnog onvoorwaardelijk in te stemmen met het door het stafbestuur geformuleerde verbetervoorstel.

Hierna volgde een formele procedure tot opzegging van de toelatingsovereenkomst, de specialist werd gehoord, maar protesteerde. Hij herhaalde dat er een objectief onderzoek door een deskundige moest komen en dat daarna een plan van aanpak moest worden opgesteld; zonder dat zou er onzorgvuldig en dus onrechtmatig worden gehandeld. Dit gehoord hebbende, zegde de raad van bestuur in september 2013 de toelating op, zulks op grond van omstandigheden die van dien aard waren dat redelijkerwijs niet van de stichting kon worden verlangd de toelatingsovereenkomst in stand te houden.

In oktober 2013 mengde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) zich in het debat. Zij vroeg opheldering over een zestal casus, die deel uitmaakten van de eerdere lijst van acht. De IGZ stelde de vraag of de stichting had overwogen de casus als calamiteit te melden. Uit het antwoord bleek dat geen van de casus een calamiteit was en dat in alle gevallen sprake was van een complicatie en bij één casus van een niet-gekende operatietechniek. De IGZ antwoordde dat de kritiek van het ziekenhuis onbegrijpelijk was. Was eerst het beeld geschetst dat de patiëntenpopulatie aanmerkelijk zwaarder was, uit de casus bleek echter dat die allemaal laag scoorden. Hoewel er kritiek bestond op de gehanteerde operatietechniek en deze niet overeenkwam met de in het hartteam afgesproken strategie, was er weinig vastgelegd over de uitkomst van de besprekingen naderhand. De uitkomsten van de operaties werden benoemd als complicaties terwijl aan de andere kant grote zorgen werden geuit over de operatietechnische vaardigheden. “Dat rijmt niet met elkaar”, aldus de IGZ. Al met al constateerde de IGZ belangrijke tegenstrijdigheden en kon ze daaruit niet concluderen dat het werk van de specialist kwalitatief voldoende was. Zij verzocht daarom om de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie (NVT) te benaderen met het verzoek een deskundige aan te wijzen voor de analyse van de patiëntendossiers.

Nadat zulks aan de NVT was verzocht, gaf deze aan dat op basis van het reglement van de commissie professionaliteit een onderzoek kon worden uitgevoerd door twee leden bijgestaan door een jurist. Het ziekenhuis protesteerde hiertegen omdat die voorgestelde aanpak niet zou overeenstemmen met de wens van de IGZ en het ziekenhuis, maar de NVT hield voet bij stuk en later werd alsnog ingestemd met de door de NVT voorgestelde werkwijze. In de tussenliggende periode schreef een niet meer praktiserend thoraxchirurg als bevriende partijdeskundige een rapport over de casus. Deze kwam tot de conclusie dat er was gewerkt volgens de stand van de wetenschap van dat moment. De raadsman van de specialist stelde ziekenhuis en VMS aansprakelijk, sommeerde om de opzegging in te trekken, de specialist te rehabiliteren en zijn schade te vergoeden. Het ziekenhuis en VMS waren hiertoe niet bereid.

De medisch specialist spande vervolgens een procedure (bodemprocedure en een verzoek voorlopige voorziening) aan bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en legde daaraan onzorgvuldig en onrechtmatig handelen door het ziekenhuis en de VMS ten grondslag. De rechtbank diende in dat kader over een aantal zaken te oordelen.

3. Beoordeling van de kwestie door de rechtbank

 3.1     Bevoegdheid rechtbank

Allereerst kwam de vraag aan de orde of de rechtbank bevoegd was. Reeds eerder had de rechtbank in een tussenbeslissing het beroep van het ziekenhuis en de VMS op een arbitraal beding verworpen en zich bevoegd verklaard om van het geschil tussen de specialist, het ziekenhuis en VMS kennis te nemen. De rechtbank bleef bij deze tussenbeslissing en constateerde dat weliswaar sprake was van een contractuele relatie met kenmerken van een toelatingsovereenkomst, maar dat hun rechtsverhouding inhoudelijk niet overeenstemde met de toelatingsovereenkomst die aan de specialist was toegezonden. Het ziekenhuis mocht er niet van uitgaan dat de specialist de bepalingen van de toelatingsovereenkomst had aanvaard door niet te reageren op het verzoek tot ondertekening van die overeenkomst. Het zelfde gold voor later toegezonden exemplaren. Er was om die reden ook geen (schriftelijk) arbitraal beding tussen partijen overeengekomen, zodat de rechtbank bevoegd was. Om dezelfde reden bestond er geen wilsovereenstemming over artikel 23 lid 5 van de toelatingsovereenkomst 2012. Het beroep van het ziekenhuis op de vervaltermijn van 30 dagen in artikel 23 lid 5 van de toelatingsovereenkomst ging dan ook niet op, aldus de rechtbank. Bovendien had die vervaltermijn alleen betrekking op het tijdig instellen van beroep bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Omdat geen arbitrage was overeengekomen kwam volgens de rechtbank aan de vervaltermijn voor het instellen van arbitrage geen betekenis toe. Het primaire verweer van het ziekenhuis werd verworpen en de rechtbank concludeerde dat zij bevoegd was en de medisch specialist ontvankelijk in zijn vorderingen. Uit praktische overwegingen spreekt de rechtbank in de rest van het vonnis overigens toch over de toelatingsovereenkomst.

3.2     Onrechtmatige opzegging?

Het ziekenhuis voerde als subsidiair verweer dat zij de toelatingsovereenkomst rechtmatig had opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden. De enkele vertrouwensbreuk tussen de specialist en de andere leden van zijn maatschap, leverde volgens het ziekenhuis in beginsel al een gewichtige reden op voor opzegging van de toelatingsovereenkomst. Het ziekenhuis beriep zich daarbij op jurisprudentie van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.

De rechtbank overwoog daarop omdat wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging van een voor onbepaalde tijd gesloten mondelinge toelatingsovereenkomst, als uitgangspunt geldt dat deze in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Eindigt de toelatingsovereenkomst, dan betekent dit doorgaans ook het einde van de samenwerkingsovereenkomst met andere specialisten, zoals de overeenkomst van maatschap. De aard van de onderhavige mondelinge toelatingsovereenkomst rechtvaardigt dan ook dat opzegging hiervan slechts mogelijk is als een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, aldus de rechtbank verder.

Het ziekenhuis had in dit geval de opzegging gebaseerd op omstandigheden die van dien aard waren dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verlangd de overeenkomst met de medisch specialist ongewijzigd in stand te houden. Deze grond voor opzegging is verenigbaar met de hiervoor genoemde maatstaf als sprake is van voldoende zwaarwegende omstandigheden. De rechtbank moest dan ook beoordelen of daaraan in dit geval was voldaan.

3.3      Zwaarwegende omstandigheden?

Uit de opzegbrief leidde de rechtbank af dat een groot aantal omstandigheden aan de opzegging ten grondslag was gelegd. De rechtbank somde die in het vonnis op en vatte die als volgt samen: “De medisch specialist wordt dus verweten medisch-technisch niet te functioneren, niet goed samen te werken en geen verbetervoorstel te accepteren teneinde een herstel van vertrouwen te bewerkstelligen.” De rechtbank leidde echter uit de eigen stellingen van het ziekenhuis af dat bij nader inzien niet kon worden geconcludeerd dat sprake was geweest van een medisch-technisch disfunctioneren. Ook aan de IGZ had het ziekenhuis meegedeeld dat er geen calamiteiten waren maar complicaties. De specialist zelf had een medisch-technisch disfunctioneren altijd had betwist en ook de eigen maatschap had geconcludeerd dat de mortaliteitscijfers bij de specialisten van de maatschap niet anders waren. De rechtbank ging er daarom vanuit dat ten tijde van de opzegging van de toelatingsovereenkomst door het ziekenhuis geen sprake was van medisch-technisch disfunctioneren van de specialist.

Over de eis dat de samenwerking moest worden verbeterd had de rechtbank in de stellingen en de processtukken van het ziekenhuis niets aangetroffen waaruit bleek waarin de specialist zich concreet diende te verbeteren. Integendeel, de specialist werd aangemerkt als een plezierig collega die zo snel mogelijk op de rails moest. Ook toen de rechtbank ter gelegenheid van pleidooi daarnaar vroeg, kon het ziekenhuis geen overtuigend antwoord geven. Het gebrek aan samenwerking was dan ook geen aanleiding om het reglement disfunctioneren toe te passen. Nog daargelaten dat evenmin was gesteld dat de specialist eerder concreet op disfunctioneren was aangesproken. De rechtbank nam aan dat er een probleem was met de samenwerking, dat dit op een of andere wijze was gerelateerd aan de specialist, maar kon niet concluderen dat de oorzaak hiervan bij de specialist lag. Daar had het ziekenhuis onvoldoende onderzoek naar verricht. Het oordeel van de rechtbank was dan ook dat de opzeggingsgronden geen stand hielden, zodat het ziekenhuis toerekenbaar onrechtmatig had gehandeld door de toelatingsovereenkomst met de specialist op te zeggen. Het ziekenhuis is daarom verplicht de door hem geleden schade te vergoeden, aldus de rechtbank.

3.4     Handelen van de VMS

Vervolgens kwam het handelen van de VMS aan de orde. Volgens het reglement diende het stafbestuur zodanige informatie in te winnen dat het naar zijn oordeel over voldoende informatie beschikte om te kunnen besluiten over de gegrondverklaring van de melding. Uit het voorgaande vloeide echter voort dat de VMS niet over voldoende informatie beschikte en daarom op onzorgvuldige wijze (impliciet) had geconcludeerd dat de melding gegrond was. “Dit was jegens de specialist onrechtmatig”, aldus de rechtbank.

De VMS had het causaal verband tussen haar handelen en de opzegging betwist. Dat verweer werd door de rechtbank verworpen. Het advies van de VMS, al of niet een formeel advies, leidde er toe dat de raad van bestuur de casus overnam en de VMS had moeten beseffen dat het ziekenhuis ook zonder formeel advies grote betekenis zou toekennen aan de bevindingen van de VMS. De raad van bestuur van het ziekenhuis had het verbetervoorstel van de VMS ook feitelijk als advies overgenomen. Zou de specialist het verbetervoorstel niet onvoorwaardelijk accepteren dan kon geen andere weg volgen dan opzeggen van de toelatingsovereenkomst. Daar komt bij dat de VMS desgevraagd – en dus ook formeel – de raad van bestuur van het ziekenhuis had geadviseerd over het voornemen de toelatingsovereenkomst te beëindigen. Dit betekende dat de VMS had bijgedragen tot de beslissing van het ziekenhuis om de toelatingsovereenkomst op te zeggen. Worden het door de VMS goed bevonden verbetervoorstel en advies weggedacht, dan is niet aannemelijk dat het ziekenhuis de toelatingsovereenkomst met de specialist zou hebben opgezegd. Aan de vereisten van causaal verband is voldaan. De rechtbank verwees uitdrukkelijk naar een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juli 2014 die over een soortgelijke casus ging. Ook de VMS dient daarom de door de specialist geleden schade te vergoeden en beide zijn hoofdelijk aansprakelijk, aldus de rechtbank.

3.5     Schade

Tot slot kwam de rechtbank toe aan de omvang van de schade. Het ziekenhuis had betoogd dat op grond van jurisprudentie bij een onrechtmatige opzegging van de toelatingsovereenkomst een billijke schadevergoeding wordt toegekend tot ter hoogte van een jaaromzet van de medisch specialist en niet een voorziening tot de pensioengerechtigde leeftijd. Het ziekenhuis baseerde zich daarbij op jurisprudentie van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Daar ging de rechtbank niet zonder meer in mee. De rechtbank overwoog dat de omvang van de schade moest worden bepaald door de toestand zoals deze in werkelijkheid is te vergelijken met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest. Het aanvangsmoment voor de berekening van de gevorderde inkomensschade was 6 maart 2014 toen de maatschapsovereenkomst eindigde. Zou die overeenkomst niet zijn beëindigd, dan zou de maatschapsovereenkomst hebben doorgelopen tot

30 juni 2016. De gevorderde inkomensderving moest volgens de rechtbank daarom worden berekend van 6 maart 2014 tot 30 juni 2016. De toelatingsovereenkomst met de specialist was opgezegd op het moment dat hij 62 jaar was en het was niet waarschijnlijk dat hij elders vergelijkbare werkzaamheden zou kunnen verrichten. De rechtbank wenste dus uit te gaan van een eindleeftijd van 65, maar had onvoldoende gegevens om de inkomensschade nauwkeurig vast te stellen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daartoe cijfers in het geding te brengen. Ook diende de medisch specialist uit te leggen waarom hij daarnaast pensioenschade vorderde omdat het pensioen doorgaans wordt betaald uit inkomen. De vordering tot betaling van reputatieschade en overige immateriële schade werd afgewezen. Dat het leven van de specialist zowel professioneel als privé ontwricht is geraakt en dat daardoor een aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade, was naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het beroep op eigen schuld dat het ziekenhuis had gedaan werd afgewezen. Evenzo sneuvelde de vordering van buitengerechtelijke kosten omdat niet was gesteld dat er andere werkzaamheden waren verricht dan waarvoor de proceskostenveroordeling alle vergoeding pleegt in te sluiten.

De zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van conclusies teneinde een nadere toelichting te geven op de schadeposten. In afwachting van de conclusiewisseling is in de hoofdzaak de beslissing aangehouden en is in de voorlopige voorziening een voorschot op de inkomensschade van € 400.000,- toegewezen. Dat bedrag werd door de rechtbank uitdrukkelijk bestempeld als een vergoeding voor de misgelopen winst uit onderneming en daarover is de specialist inkomstenbelasting verschuldigd. Er bestond volgens de rechtbank geen aanleiding in plaats van dit brutobedrag het door het ziekenhuis genoemde lagere nettobedrag toe te wijzen.

4. Conclusie

De rechtbank verwees uitdrukkelijk verwees naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juli 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:5833. In deze (van oorsprong) ‘Zwolse’ zaak oordeelde de civiele rechter ook over onrechtmatig handelen door het ziekenhuis en de VMS nadat het Scheidsgerecht Gezondheidzorg had geoordeeld over de opzegging van de toelatingsovereenkomst met eveneens een cardiothoracaal chirurg werkzaam in Zwolle. Het Scheidsgerecht liet deze opzegging in stand. De chirurg stapte na de arbitrale procedure naar de civiele rechter, hetgeen leidde tot een uitspraak van de rechtbank en het gerechtshof.

Thans is er met de onderhavige zaak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wederom een civielrechtelijke uitspraak over het handelen van een ziekenhuis en een medische staf jegens een vrijgevestigd medisch specialist. Naast gelijkenissen zijn er ook verschillen met de Zwolse zaak.

Het belangrijkste verschil zit hem hierin dat in de onderhavige uitspraak de rechtbank ook toegekomen is aan volledige inhoudelijke beoordeling van het handelen van het ziekenhuis. Was in de Zwolse zaak die beoordeling al gedaan door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg, omdat tussen partijen een schriftelijk arbitraal beding was overeengekomen, in deze casus toetst de rechtbank dat handelen zelfstandig omdat er nimmer een toelatingsovereenkomst was ondertekend. Ontsprong het ziekenhuis dus eerder de dans, thans wordt haar handelen volledig inhoudelijk getoetst. Kon na de “Zwolse” uitspraak worden geconcludeerd dat de medische staf haar eigen verantwoordelijkheid behield en dat ondanks de arbitrale procedure tussen ziekenhuis en medisch specialist haar handelen volledig inhoudelijk kon worden getoetst waarbij aan de orde komt of er zorgvuldig was gehandeld, blijft deze conclusie ook na deze uitspraak overeind en kon in dit geval dezelfde maatstaf worden toegepast op het ziekenhuis.

Wat in deze casus opvalt en nadelig voor het ziekenhuis en de medische staf heeft uitgewerkt is het feit dat het ziekenhuis en medische staf het dossier simpelweg niet goed op orde hadden. In een van de bijlagen bij de processtukken werd melding gemaakt van het feit dat het erop leek alsof er een bepaald proces rondom de specialist binnen het ziekenhuis aan de gang was. Dat lijkt nu in het vonnis bewaarheid te worden. Een groot aantal collega-medisch specialisten had aangevoerd dat de medisch specialist disfunctioneerde, echter wanneer het erop aankwam werd dit niet hard gemaakt. Zo concludeerde de eigen maatschap dat het handelen binnen de norm viel en dat er weer vertrouwen was en werden de acht casus die door een andere maatschap werden benoemd achteraf bestempeld als complicaties en niet gemeld aan de inspectie. Achteraf bezien kan uit het dossier worden opgemaakt dat alle beschuldigingen die zijn geuit lopende het traject zijn ingetrokken of in ieder geval niet hard gemaakt. Daarbij gevoegd het constante verweer van de medisch specialist in kwestie, het uitgebrachte deskundigenbericht van de weliswaar bevriende, niet meer praktiserende cardiothoracaal chirurg en de vragen van de IGZ, hadden bij de VMS en de raad van bestuur tot de bedenking moeten leiden dat het dossier onvoldoende was om de zware conclusie te kunnen dragen dat er sprake was van disfunctioneren. Ook is het bijzonder om niets meer terug te lezen over de uitkomst van het onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie in het bijzonder de commissie professionaliteit. Waarom is daar niet op gewacht en een stap gezet die geen weg meer terug kende. Gelukkig voor ziekenhuis en medische staf dat de betreffende specialist al 62 jaar was en dus niet al te lang meer zou werken. Anders zou het schadebedrag behoorlijk hebben kunnen oplopen.

Een aspect dat naar mijn idee uit deze casus kan worden afgeleid is dat de rechtbank, zij het dat dat nog maar kan worden gebaseerd op een beperkt aantal uitspraken, wat ruimhartiger lijkt te zijn met schadevergoedingen dan het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Een beroep op jurisprudentie van dit scheidsgerecht wordt door de rechtbank zonder nadere motivering afgewezen. Gezien het feit dat in meerdere overeenkomsten die met ingang van 1 januari 2015 in werking zijn getreden in het kader van het nieuwe medisch specialistische bedrijf is opgenomen dat de civiele rechter bevoegd is om van geschillen kennis te nemen kan zulks leiden tot meer uitspraken van civiele rechters op dit gebied. Het blijft dus zo dat de zware beslissing om de samenwerking met de medisch specialist te verbreken alleen dán zonder risico kan worden genomen als er een dossier ligt waaruit duidelijk blijkt dat er sprake is van disfunctioneren. Afgaan op roddel en achterklap in het ziekenhuis zonder dat deugdelijk te onderbouwen, wordt door de rechter afgestraft en objectief bezien is dat ook maar terecht. Of het gerechtshof ook in deze casus nog ooit een oordeel zal moeten geven en hoe dat dan zal luiden, zullen we af moeten wachten.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Coen Verberne, Advocaat Gezondheidsrecht, +31 40 23 80 691.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar