Onderzoeksrapport ‘Deeltjesversneller in het recht?’

Evaluatie van de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade

 

Onderzoek naar de mogelijk versnellende factoren van de gerechtelijke deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade op de buitengerechtelijke onderhandelingen en de reactie van het kabinet daarop. Het onderzoek is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) uitgevoerd door mevrouw mr. M. Wesselink, programmamanager bij de Academie voor Wetgeving en de Academie voor Overheidsjuristen. Voor het onderzoek heeft mevrouw Wesselink gebruik gemaakt van de dataverzameling die zij reeds had afgerond voor de dissertatie waarmee zij thans bezig is. Mevrouw Wesselink heeft in de periode juli tot en met september 2014 met voorrang aan het onderhavige onderzoeksrapport gewerkt.

Toen initiatieven ter verbetering van het schaderegelingsproces, zoals zelfregulering en specifieke mediation, onvoldoende effect bleken te sorteren, is op 1 juli 2010 de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in werking getreden. De deelgeschilprocedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een deel van het geschil dat hen verdeeld houdt aan de rechter voor te leggen. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen daarna voort te zetten, zodat zij zelf tot een minnelijke oplossing kunnen komen. In tegenstelling tot reguliere procedures is deze procedure derhalve niet gericht op het finaliseren van het gehele geschil, maar op het faciliteren van de buitengerechtelijke onderhandelingen. Het biedt partijen een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. Het toepassingsgebied is beperkt tot personenschade, omdat vooral op dat terrein de afhandeling van schade lang kan duren en deze vaak buitengerechtelijk plaatsvindt.

In het onderzoek staat de vraag centraal of de deelgeschilprocedure de buitengerechtelijke onderhandelingen versnelt. De onderzoeker concludeert dat de deelgeschilprocedure doeltreffend is in de zin dat daarvan een versnellende werking op de buitengerechtelijke onderhandelingen in het personenschadeveld uitgaat. Volgens de onderzoeker blijkt de deelgeschilprocedure enkele belangrijke onderhandelingsbelemmerende factoren in het personenschadeveld te verminderen en de reeds door de Gedragscode Behandeling Letselschade en andere maatregelen in gang gezette trend om de benadeelde centraal te stellen, te versterken alsook het minnelijk regelen te stimuleren. Het resultaat van dit onderzoek kan volgens de onderzoeker niet meer dan een indicatie geven voor het antwoord op de vraag of de deelgeschilprocedure ook op andere terreinen zinvol ingezet kan worden.

De onderzoeker concludeert daarnaast dat deelgeschilprocedures in de praktijk vrijwel altijd eenzijdig door de benadeelde worden aangespannen. Van deze procedure maken aansprakelijkheidsverzekeraars bijna geen gebruik vanwege de daaraan verbonden kosten, het risico van negatieve precedentwerking en de drempel om de benadeelde in rechte te betrekken. Uit het onderzoek volgt verder dat het bemiddelingsloket van de Letselschade Raad bij het instellen van een deelgeschilprocedure een beperkte, informatieverstrekkende rol speelt. De onderzoeker constateert voorts dat bij de afhandeling van personenschade vrijwel geen onderhandelingen plaatsvinden tussen twee advocaten. Gedragsregel 13 van de Gedragsregels 1992 voor de advocatuur, die verbiedt informatie over gevoerde onderhandelingen zonder instemming van de andere partij openbaar te maken, vormt derhalve geen belemmering voor het instellen van een deelgeschilprocedure waarbij een – zakelijk overzicht van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de vordering -moet worden vermeld.

De onderzoeker concludeert ook dat de deelgeschilprocedure de buitengerechtelijke onderhandelingen versnelt voordat deze procedure eventueel wordt aangespannen, omdat het bijdraagt aan het herstel van de onevenwichtige machtsverhouding tussen de benadeelde enerzijds en de aansprakelijkheidsverzekeraar anderzijds. De laagdrempelige toegang van de procedure stelt de benadeelde in staat om onafhankelijk van de vaak machtige en ervaren wederpartij en zonder een groot financieel risico te lopen, de rechter te raadplegen over een ontstane impasse in de onderhandelingen. Hierdoor ontstaat een gelijkwaardigere machtsverdeling, wat ertoe leidt dat partijen scherper en beter met elkaar kunnen onderhandelen. Daarnaast constateert de onderzoeker dat van de deelgeschilprocedure ‘schaduwwerking’ uitgaat op de onderhandelaars. Het serieus dreigen met het instellen van deze procedure volstaat soms al om de onderhandelingen vlot te trekken. Aansprakelijkheidsverzekeraars passen volgens de onderzoeker preventief hun beleid aan, stellen zich communicatiever en coöperatiever op en blijven langer aan tafel zitten om deelgeschilprocedures te voorkomen.

De onderzoeker concludeert voorts dat tijdens en na een deelgeschilprocedure vooral een versnellend effect uitgaat van de manier van geschilbeslechting en van de juridische beslisfunctie. Het onder regie van de rechter bespreken van een deel van het geschil (door het uitlichten van een ‘springend’ punt) zonder een volledige procedure op te tuigen, voorkomt dat allerlei andere punten die mogelijk ook een probleem kunnen vormen, daadwerkelijk tot probleem worden gemaakt. De (juridische) beslisfunctie biedt volgens de onderzoeker de mogelijkheid om duidelijkheid te krijgen binnen het open juridisch kader waarin partijen onderhandelen, waardoor zij een vervolgstap kunnen zetten. Van deze rechtsvorming kan in andere zaken worden geprofiteerd mits deze eenduidig is.

De gemiddelde doorlooptijd van deelgeschilprocedures is relatief snel vergeleken met de doorlooptijden van andere gerechtelijke procedures, voor zover een vergelijking mogelijk is. De gemiddelde doorlooptijd van een deelgeschilprocedure bedraagt 3,7 maanden bij de sector civiel en 4 maanden bij de sector kanton. In deze periode liggen de onderhandelingen wel meestal stil. Het hangt vervolgens mede van de uitkomst van de procedure af of de onderhandelingen daarna zonder verdere vertraging kunnen worden opgepakt en kunnen worden afgerond. De onderzoeker heeft geen antwoord gevonden op de vraag of door de deelgeschilprocedure minder bodemprocedures worden aangespannen en of zij sneller verlopen als die procedures na een deelgeschilprocedure worden ingesteld. De deelgeschilprocedure lijkt voor de rechterlijke macht wel een efficiënt instrument te zijn dat tijdswinst oplevert, omdat het minder voorbereidingstijd in beslag neemt dan een bodemprocedure waarin over alle aspecten van de zaak een beslissing dient te worden genomen.

Uit het onderzoek is niet gebleken dat vroegtijdig gebruik wordt gemaakt van de deelgeschilprocedure en dat daarmee een versnelling van de onderhandelingen optreedt. In de praktijk blijkt de deelgeschilprocedure pas te worden ingezet indien de onderhandelingen zijn vastgelopen. Een deelgeschilverzoek wordt vrijwel niet gezamenlijk door de onderhandelende partijen gedaan. Ook blijkt de procedure in de praktijk zelf even conflictueus te zijn als andere civielrechtelijke procedures, waarbij polarisering en juridisering plaatsvindt. De hypothese dat de deelgeschilprocedure de wederzijdse afhankelijkheid van het onderhandelingsproces benadrukt en partijen zich daardoor constructiever ten opzichte van elkaar opstellen dan in andere gerechtelijke procedures, is volgens de onderzoeker dus niet uitgekomen. De onderzoeker concludeert dat indien wordt overwogen om (delen van) de deelgeschilprocedure ook op andere gebieden dan personenschade open te stellen ter versnelling van de onderhandelingen, het van belang is om eerst te bezien welke onderhandelingsrelaties en onderhandelingsbelemmerende factoren zich in het desbetreffende veld voordoen. Om die reden geeft de onderzoeker geen uitputtende lijst met terreinen waarin de deelgeschilprocedure kan worden opengesteld. Een analyse van de onderhandelingsrelaties is volgens de onderzoeker van belang, omdat uit het onderzoek blijkt dat de manier waarop de deelgeschilprocedure de onderhandelingen versnelt, afhankelijk is van de verschillende mogelijke onderhandelingsrelaties. Een analyse van de onderhandelingsbelemmerende factoren is van belang om te kunnen bepalen of behoefte bestaat aan toepassing van de gehele procedure, zoals die voor de afhandeling van personenschade geldt, dan wel aan specifieke onderdelen daarvan. De onderzoeker licht toe dat de specifieke kostenbepaling in het personenschadeveld heel goed werkt, omdat het de in dat veld bestaande scheve machtsverdeling helpt te herstellen. Die bepaling is in dat veld ook mogelijk omdat de kosten vrijwel altijd voor rekening van een aansprakelijkheidsverzekeraar komen die over de nodige financiële middelen beschikt. De onderzoeker merkt op dat dit op andere gebieden anders kan liggen. De onderzoeker stelt verder dat kan worden overwogen om het toepassingsgebied van de deelgeschilprocedure, dat is beperkt tot ‘third-party’ verzekeringen (de aansprakelijkheidsverzekering), op het terrein van personenschade uit te breiden naar ‘first-party’ verzekeringen (de directe schadeverzekering). De onderzoeker licht toe dat bij ‘first-party’ verzekeringen, zoals de (particuliere) arbeidsongeschiktheidsverzekering of verzekeringen voor letsel, ontstaan door deelname aan medisch wetenschappelijk onderzoek («proefpersonenverzekeringen»), zich vergelijkbare discussies over personenschade kunnen voordoen als bij ‘third-party’ verzekeringen. Reactie op het onderzoeksrapport Het uitbreiden van het toepassingsgebied van de deelgeschilprocedure naar ‘first-party’ verzekeringen vergt een wetswijziging die op zichzelf beschouwd goed denkbaar is. Uit het rapport blijkt echter niet van een duidelijke behoefte aan het openstellen van de deelgeschilprocedure voor onderhandelingen met de eigen schadeverzekeraar. Daarbij is van belang dat op dit moment enkele hierna te noemen wetsvoorstellen aanhangig zijn die, evenals de deelgeschilprocedure, een vereenvoudiging en versnelling van civielrechtelijke procedures beogen.

Dit artikel is ook opgenomen in Opmaat Letselschade. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marloes Hulstein, tel. +31 40 23 80 682.

 

Bron: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 132, nr. 1

(Brief van De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten, d.d. 16 januari 2015)

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar