OM naar Hoge Raad

OM naar de Hoge Raad in euthanasiezaak

“Op 11 september 2019 oordeelde de Rechtbank Den Haag dat een specialist ouderengeneeskunde, die verdacht werd van het onzorgvuldig uitvoeren van euthanasie bij een demente patiënte, diende te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het Openbaar Ministerie (‘OM’) vervolgde de 68-jarige, inmiddels gepensioneerde specialist ouderengeneeskunde (of: verpleeghuisarts), vanwege het euthanaseren van een wilsonbekwame patiënt. De arts voerde de euthanasie op 22 april 2016 uit bij een dementerende vrouw die was opgenomen in een Haags verpleeghuis. De 74-jarige vrouw had een schriftelijke wilsverklaring opgesteld waarin stond dat zij euthanasie wilde wanneer zij wegens dementie zou worden opgenomen in een verpleeghuis en zij zelf de tijd daarvoor rijp achtte. Maar toen zij eenmaal was opgenomen, gaf de patiënte gemengde signalen over haar doodswens. Toch ging de verpleeghuisarts in goed overleg met de familie over tot euthanasie. De officier van justitie eiste geen straf tegen de verpleeghuisarts, wel een schuldigverklaring. Volgens de aanklager had de vrouw niet aan alle zorgvuldigheidseisen voor euthanasie voldaan. Eerder kwamen de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg al tot de conclusie dat de verpleeghuisarts niet conform de regels heeft gehandeld.

De rechtbank Den Haag oordeelde op 11 september dat de arts diende te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank achtte bewezen dat de arts het leven van de patiënte op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beëindigd door toediening van euthanatica. Hierbij had zij zich echter gehouden aan alle zorgvuldigheidseisen van de ‘Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding’ (Euthanasiewet). Daarom diende volgens het oordeel van de rechtbank ontslag van rechtsvervolging te volgen. Uiteraard zal de arts als eerste opgelucht hebben gereageerd. Het vervolg op deze procedure was echter nog ongewis; zou hoger beroep in worden gesteld? De arts had uiteraard geen belang bij hoger beroep. Hoe zou dat zitten dat met het OM? Daar is nu duidelijkheid over gekomen. Er is door het OM echter geen (gewoon) hoger beroep ingesteld. Dat zou binnen veertien dagen na de einduitspraak gebeurd moeten zijn en dat is niet zo. Het OM heeft de Procureur-Generaal (‘PG’) bij de Hoge Raad daarentegen wel verzocht om ‘cassatie in het belang der wet’ te vorderen. De PG heeft positief op dit verzoek gereageerd. De procedure van ‘cassatie in het belang der wet’ komt erop neer dat de PG de Hoge Raad rechtsvragen kan stellen. Met deze procedure wordt een ‘gewoon’ hoger beroep dus overgeslagen en wordt de zaak direct door de Hoge Raad beoordeeld. Het voordeel van deze procedure ten opzichte van een ‘gewoon’ hoger beroep voor de arts is dat een eventueel ander oordeel van de Hoge Raad voor haar persoonlijk geen gevolgen meer zal hebben. Tegen het vonnis dat in haar zaak gewezen staat immers geen  ‘rechtsmiddel’ – de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan – meer open. Hiermee is haar zaak tot een definitief einde gekomen.

Het OM is tot deze beslissing gekomen omdat het het niet eens met het vonnis van de rechtbank, maar ook heeft gezien hoe belastend de zaak is voor de verpleeghuisarts. Omdat de feiten vaststaan, maar het OM wel duidelijkheid over een aantal rechtsvragen wil, wordt nu via cassatie in het belang der wet de ongebruikelijke stap naar de Hoge Raad gemaakt. Hierdoor wordt de arts een hoger beroep bespaard. Het OM wil met deze zaak vooral duidelijkheid krijgen hoe artsen moeten omgaan met euthanasie op wilsonbekwame patiënten. Ook wil het OM dat er rechtszekerheid ontstaat voor artsen en patiënten over dit belangrijke punt in de euthanasiewetgeving en (dus) de medische praktijk. Ook voor het maatschappelijke en politieke debat is het van belang om zoveel mogelijk helderheid over de uitleg van de Euthanasiewet te krijgen. In afwachting van het arrest van de Hoge Raad schort het OM de beoordeling van andere lopende euthanasiezaken op wanneer in die zaken dezelfde rechtsvragen aan de orde zijn.

De bevoegdheid om cassatie in het belang der wet te vorderen en voor de Hoge Raad om deze vordering te beoordelen is opgenomen in artikel 456 van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 78 lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. De vordering kan alleen worden ingesteld door de Procureur Generaal. Er mag geen gewoon rechtsmiddel meer openstaan voor partijen, reden waarom het verzoek pas kon worden gedaan nadat de hoger beroepstermijn was verstreken. Cassatie in het belang der wet ziet op het algemeen belang en heeft dus (gelukkig) geen consequenties voor de verdachte. Ongetwijfeld zal vanaf diverse zijden worden gereageerd op deze stap. Hoe je het ook wendt of keert: er komt nu wel een oordeel van ons hoogste rechtscollege over de uitleg van de Euthanasiewet en dat kan alleen maar worden toegejuicht. Wel heel fijn voor de arts dat dit alles buiten haar om gaat en zij wel al definitief weet waar zij aan toe is.”

Neem voor meer informatie contact op met Coen Verberne.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar