Naar een vennootschappelijk echtscheidingsrecht?

Rechters anticiperen op wetsvoorstel om de mogelijkheden voor een aandeelhouder om “uit te treden” te verruimen.

In Nederland kan sinds 1971 de echtscheiding op verzoek van een der echtgenoten worden uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Nu is de samenwerking tussen aandeelhouders niet in alle opzichten te vergelijken met een huwelijk, maar ook in met name de B.V. gebeurt het meer dan eens dat we kunnen constateren dat de samenwerking tussen de aandeelhouders duurzaam is ontwricht. En net als in een burgerlijk huwelijk geldt in de regel dat bij een duurzame ontwrichting van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer is en ook niet meer kan zijn. Zouden daarom niet ook aandeelhouders op een soortgelijke manier uit elkaar moeten kunnen? En zo ja, is er zoiets als een vennootschapsrechtelijk echtscheidingsrecht?

De wet kent de zogenaamde geschillenregeling, die onder meer voorziet in een gedwongen overdracht van aandelen. In de geschillenregeling wordt met betrekking tot een gedwongen overdracht van aandelen een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin een aandeelhouder door zijn mede-aandeelhouder(s) kan worden gedwongen zijn aandelen aan hen over te dragen (“uitstoting”) of juist de situatie waarin een aandeelhouder van zijn mede-aandeelhouders (of in sommige gevallen zelfs mogelijk ook met succes van de vennootschap) kan vorderen dat zij zijn aandelen kopen (“uittreding”).

De uitstoting van een aandeelhouder kan worden gevorderd indien – kort gezegd –  deze aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhoudersschap in redelijkheid niet kan worden geduld. De aandeelhouder kan dan worden verplicht zijn aandelen over te dragen. Het gaat hier dus om een aandeelhouder die zich onbehoorlijk gedraagt en daarmee het belang van de vennootschap schaadt.

Uittreding is – kort gezegd – mogelijk voor een aandeelhouder die door gedragingen van zijn mede-aandeelhouder(s) zodanig in zijn belangen is geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhoudersschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Te denken valt bijvoorbeeld aan situaties waarin (welbewust) informatie achtergehouden wordt voor de aandeelhouder of waarin er (hoewel dat mogelijk is) geen dividend wordt uitgekeerd. De beknelde aandeelhouder verkrijgt met het uittreedrecht dus een exit.

Van de geschillenregeling wordt tot dusver in de praktijk maar beperkt gebruik gemaakt. In het beperkt aantal gevallen waarin een procedure werd gestart, strandde de vordering namelijk vaak op (te strikte) toepassing van de wettelijke criteria. Deze constatering heeft geleid tot een wetsvoorstel, waarin onder andere de voorwaarden voor toepassing van de geschillenregeling zijn versoepeld.

Een belangrijke in het wetsvoorstel aangedragen wijziging ten aanzien van de uittreding, is dat de gedragsnorm van de redelijkheid en de billijkheid komt te gelden als criterium op grond waarvan de rechter de vordering kan toewijzen. Recentelijk is in de rechtspraak op het wetsvoorstel geanticipeerd, waardoor in de toekomst met name het uittreedrecht in de praktijk sneller kan worden toegepast. Zo oordeelde de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2020:3000) onder verwijzing naar het wetsvoorstel dat voor de toewijzing van een vordering tot uittreding geen sprake dient te zijn van “bijkomende zwaarwegende omstandigheden”, “zwaarwegende gronden”, of “verwijtbaarheid” van de medeaandeelhouder(s) of de vennootschap. De uittreding is immers bedoeld als een adequate exit voor een beknelde minderheidsaandeelhouder. Volgens de rechtbank Den Haag was het voor toewijzing van de vordering voldoende dat gedragingen van medeaandeelhouder(s) (of de vennootschap) de eisende aandeelhouder in een beknelde positie brengen.

Dat het uittreedcriterium is verruimd, is pure winst. De praktijk zal moeten uitwijzen in welke gevallen de beknelde (minderheids)aandeelhouder voortaan een dergelijke exit mogelijkheid heeft, maar het is duidelijk dat het aantal gevallen waarin dit mogelijk is, zal toenemen. Van een “no fault divorce” wil de wetgever echter niet weten, waardoor de verruiming van de regeling niet voor alle conflicten in de vennootschap een oplossing lijkt te bieden. Daarmee wijkt ons vennootschapsrecht dus (helaas) af van het reguliere echtscheidingsrecht. En dat is jammer, want waarom zou je op een conflict moeten wachten voordat je uit elkaar kunt?

Het is om die reden dan ook te hopen, dat de rechter ruimhartig gebruik maakt van de mogelijkheid om partijen in vennootschapsrechtelijke zin te scheiden wanneer het tussen de aandeelhouders niet langer samen gaat. Want ook bij een vennootschappelijke duurzame ontwrichting dient het recht praktische oplossingen te bieden.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar