Laster op Facebook

Een kort geding van een huisarts tegen een patiënt. De betrokken patiënt maakte zich schuldig aan laster op Facebook, door zich onnodig grievend uit te laten over de huisarts en haar bovendien verwijten te maken die hij niet kon onderbouwen. De patiënt moet stoppen en gestopt blijven met zijn lastercampagne, op straffe van een dwangsom.

In deze kwestie is een huisarts een kort geding tegen een van haar voormalig patiënten gestart. De betreffende patiënt had namelijk het nodige over de huisarts – en vooral haar beweerdelijk verkeerd uitgevoerde werk – op Facebook gezet. Zo heeft de patiënt onder meer geschreven:
“Wel fijn zo ‘n huisarts die ontkende dat er een niersteen zat terwijl ze me niet onderzocht had … dit gaat nog wel n staartje voor d’r krijgen, eigenwijze troll..”;  “en die huisarts gaat er voor bloeden”;
en tot twee keer toe: “Wanneer komt er een eind aan de praktijken van [de huisarts]? Een zich huisarts noemende vrouw in [woonplaats] en tevens maar dan ook levensgevaarlijk voor haar patiënten. Mij heeft het een NIER gekost door de eigenwijzigheid van die vrouw en dankzij kordaat ingrijpen van [persoon1] (de nieuwe collega van [persoon2] ) leef ik nog.”; “Het moet afgelopen zijn met de levensgevaarlijke praktijken van deze vrouw.”; “Echt he, ze heeft n ongeluk gehad en is vanaf die tijd de weg kwijt en iedereen laat het maar zo want het was altijd een goeie arts … nou.. ik ga haar de nek  omdraaien voor wat ze mij en wie weet hoeveel anderen heeft aangedaan voordat er dooien vallen (misschien zijn die er al)” en Ik lees als ik later verward ben, dat ze me vastbinden. Nou [eiseres] , ik heb nieuws voor je, ‘t word tijd…”
Pogingen om in gesprek te treden met patiënt hadden eerder tot niets geleid. De patiënt had aangegeven de behandeling van zijn klachten bij het Regionaal Tuchtcollege te willen afwachten. Ook na het sturen van brieven en het aankondigen van een kort geding heeft de patiënt geweigerd te stoppen met het plaatsen van vergelijkbare teksten. De huisarts is hierop het onderhavige kort geding gestart en bij de voorzieningenrechter geëist dat deze de patiënt zou gelasten te stoppen met zijn lastercampagne op Facebook en de reeds geplaatste berichten te verwijderen. Daarnaast heeft de huisarts rectificatie gevorderd, waarin de patiënt zou moeten aangeven dat het niet de bedoeling was de huisarts diverse verwijten te maken.
Aan haar eisen heeft de huisarts ten grondslag gelegd dat de uitlatingen van de patiënt bedreigend, beledigend en opruiend zijn. De lastercampagne van de patiënt is volgens haar ongefundeerd en leugenachtig. De patiënt tast volgens de huisarts haar eer en goede naam aan. De huisarts wordt daarnaast geschonden in haar recht op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer. Bovendien lijdt zij schade als gevolg van het handelen van de patiënt: zo wordt zij al benaderd door derden en laten patiënten zich uitschrijven uit de praktijk.
Bij de beoordeling van dit geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat in deze kwestie het recht op privacy (artikel 8 EVRM) tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) staat. Deze rechten zijn in beginsel gelijkwaardig, zij het dat het ene recht in een specifiek geval zwaarder kan wegen. Welk van de twee rechten dat dan is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. De patiënt moet zich in deze kwestie in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend kunnen uitlaten over misstanden in de huisartsenzorg. Daar tegenover staat het belang van de huisarts, dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor haar ongewenste publiciteit.
De vrijheid van meningsuiting is bedoeld om iemand de ruimte te geven onvrede over – bijvoorbeeld -het resultaat van een geneeskundige behandeling publiekelijk te uiten. Die uiting kan (daarnaast) een maatschappelijk belang hebben. Daar staat wel tegenover dat iemand die publiekelijk het standpunt inneemt dat zijn huisarts slecht werk heeft verricht, dit standpunt moet kunnen waarmaken. Anders is er geen sprake meer van het aan de kaak stellen van een zaak van maatschappelijk belang, maar van laster. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de patiënt in dit geval zal moeten waarmaken dat de huisarts haar werk niet goed heeft gedaan, oftewel is tekortgeschoten in de uitvoering van de (geneeskundige behandelings)overeenkomst. Gebleken is evenwel dat de patiënt geen bewijsmateriaal heeft: hij heeft geen verklaring van een andere arts die zijn standpunt onderbouwt. Ook is hij niet naar de civiele rechter gegaan om zijn gelijk te halen. Hij zou wel naar het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg zijn gestapt. Maar daar zou zijn klacht zijn ‘kwijtgeraakt’. Hij kan pas een nieuwe klacht aangetekend versturen als zijn uitkering is gestort. Een uitspraak van het RTG is er dus vooralsnog niet. Omdat tussen het begin van de lastercampagne van de patiënt (mei 2016) en het kort geding de nodige tijd zat, overweegt de voorzieningenrechter dat de patiënt voldoende tijd heeft gehad om genoeg bewijsmateriaal te verzamelen of om daar in ieder geval mee te beginnen. Dat hij dat nog niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico.

De huisarts hoeft volgens de voorzieningenrechter nu niet meer te dulden dat de patiënt nog negatieve uitlatingen over haar en haar werk doet. Door deze uitlatingen wordt de huisarts in haar eer en goede naam aangetast. Dat is op zich al onrechtmatig. Volgens de voorzieningenrechter is het ook aannemelijk dat de huisarts schade lijdt; dat de huisarts patiënten verliest is aannemelijk. Dit, nu partijen in een kleine gemeente wonen en publieke kritiek op de plaatselijke huisarts heeft dan dus gemakkelijk de aandacht van veel patiënten.
Zelfs al zou de huisarts haar werk niet goed doen, dan mag de patiënt zich niet onnodig grievend uitlaten met ‘eigenwijze troll‘ en ‘met zo’n stomme kop‘. Bedreigingen zoals ‘nou… ik ga haar de nek omdraaien‘ zijn volgens de voorzieningenrechter in dit verband al helemaal niet toelaatbaar. Volgens de patiënt is dit taalgebruik op Facebook echter heel gewoon. De voorzieningenrechter overweegt dat als dit al zo zou zijn, het er dan om  gaat of de huisarts de woorden van de patiënt zo – bedreigend – heeft mogen opvatten. Omdat de woorden van de patiënt in het algemeen spraakgebruik en naar algemene maatschappelijke opvattingen grievend en bedreigend zijn mocht de huisarts de woorden en de daarachter liggende bedoeling ernstiger opvatten dan de patiënt zelf wellicht bedoeld heeft.
De vordering van de huisarts wordt vrijwel volledig toegewezen en zelfs aangevuld. De voorzieningenrechter vindt het namelijk niet aannemelijk dat de patiënt zijn lastercampagne niet ook op andere media – zoals Twitter – zal voortzetten. Daarom krijgt hij een verbod de lastercampagne op Facebook of op welk ander social medium dan ook voort te zetten. Zijn berichten moet de patiënt ook verwijderen en hij moet ze verwijderd houden. De patiënt kan echter niet worden veroordeeld tot het doen van de mededeling dat het niet zijn bedoeling was om de naam van de huisarts op Facebook te noemen en haar diverse verwijten te maken. Dit was volgens de voorzieningenrechter immers juist wel zijn bedoeling.
Het kan dus wel degelijk zin hebben tegen ongefundeerde en onnodig grievende uitlatingen met goed gevolg op te komen bij de rechter.

Rechtbank Rotterdam 8 februari 2017, Uitspraak: ECLI:NL:RBROT:2017:103

Coen Verberne en Jacqueline de Vries

 

 


 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar