In hoeverre is flexibiliteit in bestemmingsplannen toegestaan?

Voor het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR 2024/5) schreven Ties Pranger en Harald Wiersema een annotatie bij de uitspraak Crownpoint. Deze uitspraak bevestigt dat het rechtszekerheidsbeginsel een belangrijke begrenzing vormt op flexibiliteit in bestemmingsplannen verbrede reikwijdte. Een interessante uitspraak, zeker in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.

Wat is er gebeurd?

De gemeenteraad van Dordrecht stelde een bestemmingsplan vast, genaamd ‘7e herziening Schil, locatie Crownpoint’ (hierna: “bestemmingsplan Crownpoint”). Dit is een ‘bestemmingsplan verbrede reikwijdte’. Met het plan wordt de transformatie mogelijk gemaakt van een bestaand kantoorpand naar een appartementencomplex. Het gebouw bevat een ondergrondse openbare parkeergarage, die is ontsloten aan één zijde.

De bewoners van een nabijgelegen appartementencomplex konden zich niet verenigen met het bestemmingsplan  Crownpoint. Zij vreesden voor de gevolgen van de transformatie voor hun woon- en leefklimaat.

Onduidelijkheid

De Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan Crownpoint voor de ontsluiting van de (nieuwe) parkeervoorziening meerdere mogelijkheden biedt, waarbij sprake is van één voorkeursalternatief. Echter, bij de vaststelling van het bestemmingsplan Crownpoint staat nog niet vast of het voorkeursalternatief ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft de ruimtelijke gevolgen van de parkeervoorziening onder de nieuwe woonbebouwing namelijk niet meegenomen bij de vaststelling van het plan. Daarnaast heeft de raad ook het aantal verkeersbewegingen dat kan optreden niet meegenomen in zijn afweging.

Onzorgvuldig en ondeugdelijk

Artikel 2.10 lid 1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevat de gronden waarop een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. Dat betekent dat als die gronden niet van toepassing zijn, de vergunning wordt verleend. Dat is een verplichting.

In bestemmingsplannen verbrede reikwijdte is het mogelijk regels te stellen waarvan de uitleg afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. De Afdeling stelt echter vast dat deze mogelijkheid géén grondslag biedt om bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de verkeerskundige aspecten en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontsluitingsroute van de half verdiepte parkeervoorziening te toetsen. Enkel de gronden uit artikel 2.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kunnen van toepassing zijn. Dit betekent dat een aan te vragen omgevingsvergunning, die uitgaat van de bestreden ontsluiting, niet om de verkeerskundige aspecten en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontsluitingsroute zou kunnen worden geweigerd. De aanvraag is dan niet in strijd met het bestemmingsplan. Om die reden oordeelt de Afdeling dat de vaststelling van het bestemmingsplan Crownpoint op dit punt niet zorgvuldig is. Ook is geen sprake van een ‘deugdelijke motivering’.

Tot slot

Het spanningsveld tussen flexibiliteit en rechtszekerheid is daarmee duidelijk zichtbaar. De raad heeft flexibiliteit willen beogen, maar heeft onvoldoende rekening gehouden met de wet en de rechtszekerheid. Er moet vastgesteld kunnen worden of het plan ruimtelijk aanvaardbaar is en daarvoor moeten in het bestemmingsplan handvatten worden geboden.

Meer weten of wilt u de volledige annotatie lezen? Neem vooral contact met ons op.