Het medisch beroepsgeheim

Ook na het overlijden van de patiënt blijft het beroepsgeheim van de arts gelden.

Op 20 juli jl. wees de rechtbank Limburg, locatie Roermond, een vonnis in een opmerkelijke zaak. Deze zaak ging over de afgifte van het medisch dossier, na de zelfmoord van een patiënte. De ouders van de patiënte wilden inzage. De GGZ-instelling, Met GGZ, die het dossier onder zich had, weigerde de inzage. Dit geschil heeft tot deze procedure geleid.

In deze zaak[1] was de betrokken patiënte, sinds 2014 onder behandeling van Met GGZ. Zij woonde zelfstandig, maar was wel bekend met suïcidale neigingen. Zo heeft zij op 7 januari 2015 in depressieve toestand langs het spoor gewandeld. Dit heeft zij toen aan haar vriend verteld, die reden zag om de GGZ in te lichten. De behandelend psychiater en ook een onafhankelijk psychiater hebben de situatie toen beoordeeld en hebben geconcludeerd dat er geen noodzaak was voor een gedwongen opname als bedoeld in de Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (‘Wet BOPZ’).

Op 9 januari 2015 heeft de patiënte zichzelf van het leven beroofd door zich voor een trein te werpen.

De ouders van de patiënte hebben daarna bij Met GGZ hun twijfels geuit over de vraag of Met GGZ wel medisch adequaat heeft gehandeld. In dat verband hebben zij ook om afgifte van het medisch dossier van hun dochter gevraagd. Met GGZ heeft dit echter geweigerd: de patiënte had namelijk aan haar behandelend psychiater bij Met GGZ meerdere malen uitdrukkelijk aangegeven dat zij haar ouders niet bij haar behandeling wilde betrekken. Reden voor de ouders om naar de rechter te stappen.

Het beroepsgeheim van een behandelaar geldt ook na het overlijden van de patiënt. Het medisch dossier blijft dan dus in principe gesloten. Onder omstandigheden kan er wel reden zijn om nabestaanden toch inzage te geven. Dat kan zo zijn als de patiënt bij leven uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om zijn gegevens ook na het overlijden in te zien. Ook kan een zwaarwegend belang een reden zijn om toch over te gaan tot het verstrekken van inzage in het dossier van de overleden patiënt. Dat is alleen in zeer uitzonderlijke situaties aan de orde. Het enkele bestaan van (zuiver) financiële en/of emotionele belangen bij nabestaanden is onvoldoende grond om het beroepsgeheim te doorbreken.[2] Een derde mogelijkheid betreft de zogenaamde veronderstelde toestemming van de overleden patiënt. In dat geval dient door degene die inzage in het dossier wil (meestal zijn dit de nabestaanden) heel duidelijk te worden aangegeven welk belang – van de overleden patiënt – hij dient, en waarom de patiënt hiervoor – als hij nog zou hebben geleefd – wel toestemming zou hebben gegeven. Aan de inhoud van het verzoek van de nabestaanden die inzage willen worden zware eisen gesteld.[3] Kort en goed gezegd moeten ze met een heel duidelijk verhaal komen. De nabestaanden moeten volgens de rechtspraak ook ‘op overtuigende wijze de belangen aanduiden waarop het verzoek is gebaseerd’ en moeten duidelijk maken dat het gaat om ‘bijzondere belangen van buitengewoon gewicht’.

De rechtbank Limburg betrekt bij haar beoordeling – vanaf rechtsoverweging 4.4 van het vonnis – direct de vraag of in dit geval de toestemming van de dochter tot inzage in haar medisch dossier door haar ouders kan worden aangenomen. Dus: of sprake is van veronderstelde toestemming.

In dit geval oordeelt de rechtbank dat veronderstelde toestemming in dit geval niet mag worden aangenomen. De patiënte heeft in de fase dat zij bij Met GGZ onder behandeling was meermalen en uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij niet wilde dat haar ouders bij haar behandeling betrokken zouden worden. De rechtbank is van oordeel dat onder behandeling ook dient te worden begrepen de dossiervoering. Anders gezegd: uitgangspunt is dat de wens van de dochter haar ouders niet bij de behandeling te betrekken impliceert dat hen ook geen inzage in het dossier mag worden gegeven. De rechtbank neemt gelet hierop aan dat de patiënte bij leven niet alleen geen toestemming voor inzage heeft gegeven maar inzage zelfs uitdrukkelijk heeft verboden.

De ouders van de patiënte hebben nog gesteld dat moet worden aangenomen dat hun dochter toestemming voor inzage in haar medisch dossier zou hebben willen geven voor de nu bestaande situatie na haar overlijden. Ze heeft immers zelfmoord gepleegd. Volgens de rechtbank is het feit dat de patiënte bij leven meermalen heeft aangegeven dat ze haar ouders niet bij de behandeling wilde betrekken een zware contra-indicatie voor het aannemen van veronderstelde toestemming. Volgens de rechtbank hebben de ouders niet duidelijk gemaakt waarom de bij leven gedane wilsuiting door de patiënte nu niet meer geldig zou kunnen zijn. Hierdoor kan volgens de rechtbank niet aan die wilsuiting worden getwijfeld.

Verder zijn er volgens de rechtbank voor de veronderstelde toestemming geen andere ‘dragende’ – dus: relevante – feiten en omstandigheden aangevoerd, anders dan de goede band tussen ouders en dochter. De rechtbank merkt verder uitdrukkelijk op dat de omstandigheid, dat de ouders bij gebreke aan inzage in het medisch dossier met voor hen pijnlijke en moeilijke vragen blijven zitten, niet tot een ander oordeel mag leiden. Het honoreren van hun volgens de rechtbank zeer begrijpelijke wens zou kunnen leiden tot onzekerheid bij patiënten die nu en in de toekomst een medische behandeling nodig hebben, waardoor situaties zouden kunnen ontstaan die een goede zorg in de weg staan.

Opvallend – en mijns inziens overigens wel juist – is ook dat de rechtbank nog overweegt dat ook indien er wel veronderstelde toestemming zou zijn, dit nog niet betekent dat er een daadwerkelijk ‘recht op inzage’ van de ouders in het dossier van een meerderjarige patiënt is. Het rechtsgevolg van toestemming is volgens de rechtbank immers de ontheffing van de behandelaar van de geheimhoudingsplicht. Niet dat er een spreekplicht of afgifteplicht voor de behandelaar ontstaat. Het uitgangspunt is immers dat ouders in beginsel geen zelfstandig jegens de behandelaar in te roepen recht op inzage in het medisch dossier van hun meerderjarig kind hebben. Als de patiënte dus al toestemming tot inzage door haar ouders in haar dossier zou hebben gegeven, dan zou daaruit nog niet zonder meer een rechtsplicht voor Met GGZ volgen om de ouders daadwerkelijk inzage in het medisch dossier te geven. Anders gezegd: omdat het (juridisch) mag, moet het (juridisch) nog niet. De vordering van de ouders wordt afgewezen.

[1] Rechtbank Limburg 20 juli 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:6887.

[2] R.P. Wijne, Medische aansprakelijkheid, Boom Juridische Uitgevers 2014, p.187.

[3] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 december 2002, NJ 2003, 379, met nt. F.C.B. van Wijmen, annotatie punt 3.14.

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar