Geen minimumtarief en zelfstandigenverklaring voor zzp’ers, wel pilot webmodule

Op 15 juni jl. heeft het kabinet aan de Tweede Kamer laten weten af te zien van het minimumtarief voor zzp’ers en de zelfstandigenverklaring voor de hogere tarieven, die in het regeerakkoord als maatregelen op het gebied van ‘werken als zelfstandige’ werden voorgesteld. De eerder geïntroduceerde webmodule voor de arbeidskwalificatie wordt wel doorgezet en krijgt in het najaar van 2020 een pilot. Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken.

Geen minimumtarief en zelfstandigenverklaring

Eerder heeft het kabinet aangekondigd zzp’ers meer zekerheid te willen geven over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie en schijnzelfstandigheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt te willen voorkomen. In het wetsvoorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen en zelfstandigenverklaring heeft het kabinet eind 2019 concreet voorgesteld enkele maatregelen te treffen, waaronder:

  • de invoering van een minimumtarief van € 16,- per uur voor zzp’ers die zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt bevinden; en
  • een zelfstandigenverklaring bij een uurtarief hoger dan € 75,- voor zzp’ers die zich aan de bovenkant van de arbeidsmarkt bevinden.

Het uitwerken van deze nieuwe regelgeving bleek echter lastig. De voorgestelde maatregelen brengen volgens het kabinet grote administratieve lasten met zich mee, zorgen voor veel onduidelijkheid, hebben geen draagvlak en zijn niet uitvoerbaar en handhaafbaar voor de uitvoerende instanties. Dat blijkt onder meer uit diverse (uitvoerings)toetsen, evaluaties en de internetconsultatie. Het is volgens het kabinet niet goed mogelijk om tegemoet te komen aan de bezwaren zonder tegelijkertijd afbreuk te doen aan de effectiviteit van de maatregelen. Het kabinet heeft daarom besloten af te zien van invoering van deze twee maatregelen.

Webmodule

De kwalificatie van de arbeidsrelatie (is sprake van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht?) heeft een grote impact op beide partijen. Er bestaat namelijk een groot verschil in fiscale en arbeidsrechtelijke behandeling van een opdrachtnemer die werkt op basis van een overeenkomst van opdracht en een werknemer die werkt op basis van een arbeidsovereenkomst. Zo bepaalt dit fiscale onderscheid bijvoorbeeld of er loonheffingen ingehouden moeten worden en of er een verzekeringsplicht is voor de werknemersverzekeringen. Het civielrechtelijke onderscheid is van invloed op de rechten en bescherming van de zelfstandige of werknemer, en op de daarmee gepaard gaande risico’s en kosten voor degene die het werk aanbiedt (de opdrachtgever of werkgever).

Om duidelijkheid te geven over de aard van de arbeidsrelatie heeft het kabinet reeds in het regeerakkoord het gebruik van een webmodule geïntroduceerd. Met de kamerbrief van 15 juni jl. wordt de inrichting van deze webmodule geconcretiseerd. De webmodule is een instrument waarin door beantwoording van bepaalde vragen opdrachtgevers duidelijkheid en waar mogelijk zekerheid wordt gegeven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Zo kunnen partijen nagaan waar zij aan toe zijn. De webmodule is bedoeld als hulpmiddel en het gebruik daarvan is niet verplicht. Als uit de beantwoording van de vragen blijkt dat buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt, dan ontvangt de opdrachtgever een zogeheten opdrachtgeversverklaring. Met deze opdrachtverklaring heeft de opdrachtgever zekerheid dat geen loonheffing hoeft te worden ingehouden en afgedragen, en dat er geen premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet hoeven te worden betaald. Bij controle door de Belastingdienst kan een opdrachtgever zich beroepen op een afgegeven opdrachtgeversverklaring. Vereist is dat de vragenlijst naar waarheid is ingevuld én dat de praktische uitvoering van de arbeidsrelatie overeenkomt met de gegeven antwoorden.

Als de uitkomst van de webmodule een dienstbetrekking indiceert, heeft dit echter geen juridische gevolgen. Wel bestaat met deze uitkomst een reële kans dat sprake is van een dienstbetrekking. Partijen kunnen daarop actie ondernemen. Het is overigens ook mogelijk dat er geen oordeel uit de webmodule komt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bepaalde sectoren, branches of complexe situaties waarin specifieke omstandigheden een rol spelen en waarmee de webmodule onvoldoende rekening kan houden.

De standaard vragenlijst en de weging van de ingevulde antwoorden – die plaatsvindt aan de hand van punten – zijn inmiddels door het kabinet gepubliceerd. De vragenlijst is (enkel) getest op zakelijke opdrachtgevers die een zzp’er inhuren om arbeid te verrichten, en daarmee niet op zzp’ers die producten verkopen of klussen voor particulieren verrichten. Uit de testfase is bovendien gebleken dat de standaard vragenlijst niet geschikt is voor de overeenkomst tot aanneming van werk en de overeenkomst van tussenkomst. Het kabinet ontwikkelt hier nog aparte vragenlijsten voor. Deze vragenlijsten zijn met name van belang voor opdrachtgevers in de bouwsector en voor tussenpersonen die een zzp’er te werk stellen bij een derde partij (de feitelijke opdrachtgever).

In een groot aantal gevallen verschaft de webmodule de gewenste duidelijkheid, zo blijkt uit de uitgevoerde test. In 25% van de gevallen rolt er een opdrachtgeversverklaring uit de webmodule, in 48% geeft de webmodule de indicatie dienstbetrekking en in 27% is geen uitsluitsel te geven. Dit laatste komt door het verschil in deskundigenoordelen over (de inrichting van) de webmodule en/of doordat in bepaalde situaties om te veel maatwerk wordt gevraagd. Hierin kan de webmodule niet voorzien.

In het najaar komt de pilot van de webmodule online. Werkgevers en opdrachtgevers kunnen dit hulpmiddel dan alvast gebruiken om een indicatie van de arbeidsrelatie te verkrijgen. De uitkomst is anoniem. De pilot webmodule geeft echter nog geen zekerheid. Tijdens de pilotfase monitort het kabinet de werking en de resultaten van de webmodule en gaat het kabinet in gesprek met veldpartijen om de webmodule zo nauwkeurig mogelijk in te richten.

Handhavingsmoratorium

Vanwege het gebrek aan draagvlak voor handhaving door de onduidelijkheid over de kwalificatie van de arbeidsrelatie na de afschaffing van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR), is in 2016 een handhavingsmoratorium ingesteld. Dit handhavingsmoratorium houdt in dat in principe niet wordt gehandhaafd door de Belastingdienst; slechts in het geval van kwaadwillend handelen kan worden gehandhaafd. Per 2020 is dit beleid bovendien aangescherpt. Ook indien bedrijven na aanwijzingen van de Belastingdienst hierover hun werkwijze niet of in onvoldoende mate binnen een redelijke termijn aanpassen, kan worden gehandhaafd. Dit handhavingsmoratorium loopt af op 1 januari 2021. In het najaar zal het kabinet beslissen over een eventuele verlenging van het handhavingsmoratorium.

Versterking positie zelfstandigen en platformwerkers

Tot slot geeft het kabinet in de brief van 15 juni jl. aan dat het voornemens is om de verschillen tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen. Dat wordt onder meer verwezenlijkt door de afbouw van de zelfstandigenaftrek en door het inzetten op een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering en een pensioen voor zzp’ers. Ook is het kabinet van plan om op korte termijn de arbeidsmarktpositie van werkenden in de platformeconomie versterken. Daarvoor onderzoekt het kabinet in hoeverre nieuwe regelgeving mogelijk is voor de driehoeksrelaties die zich bij platformwerk voor doen. Het kabinet informeert de Tweede Kamer daarover na de zomer.

Heeft u vragen over bovenstaande maatregelen of over de kwalificatie van de arbeidsverhouding in het algemeen? Neem dan contact op met Joris van Haalen voor arbeidsrechtelijke vragen (j.vanhaalen@holla.nl) of Lennart van de Peppel voor fiscaalrechtelijke vragen (l.vandepeppel@holla.nl), of met één van de andere medewerkers van de Business Units Arbeidsrecht of Fiscaal Recht (088-4402400).