De Wet verbod pelsdierhouderij

Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. Hiermee werd verboden het “houden, doden of doen doden van een pelsdier”, waarmee een einde zou komen aan de bontindustrie in Nederland. Nertsenfokkers mochten vanaf deze datum geen nieuwe fokkerijen meer opstarten en hun bestaande bedrijven niet meer uitbreiden. Voor bestaande nertsenfokkerijen voorzag de Wet verbod pelsdierhouderij in een overgangtermijn tot januari 2014. Hiermee kregen nertsenfokkers als het ware “compensatie in de vorm van tijd”.

Vonnis van de rechtbank Den Haag

De Wet verbod pelsdierhouderij werd op 21 mei 2014 buiten werking gesteld nadat de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierhouders (NFE) een rechtszaak tegen de Nederlandse staat aanspande. De rechtbank oordeelde dat de pelsdierhouders onvoldoende werden gecompenseerd voor de schade die zij zouden ondervinden van het nertsenfokverbod. Doordat een adequate schadeloosstelling naar het oordeel van de rechtbank ontbrak, oordeelde de rechtbank dat de Wet verbod pelsdierhouderij onrechtmatig was.

Arrest van het Gerechtshof Den Haag

De Staat der Nederlanden is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 10 november 2015 het vonnis van de rechtbank vernietigd.

In tegenstelling tot de rechtbank oordeelde het Gerechtshof dat de Staat geen inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Gerechtshof constateert in de eerste plaats dat de waarde van de ondernemingen vrijwel volledig zo niet uitsluitend wordt gebaseerd op toekomstige inkomsten, te weten inkomsten die de pelsdierhouders na 15 januari 2013 hopen te realiseren. De schade die de pelsdierhouders door de Wet verbod pelsdierhouderij zullen lijden is tevens gebaseerd op het verlies van toekomstige inkomsten. Het Gerechtshof oordeelt dat deze toekomstige inkomsten die de pelsdierhouders hopen te verwerven niet onder de reikwijdte van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM vallen.

Het Gerechtshof leidt uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens af dat uitsluitend de grond, opstallen, bedrijfsinventaris, voorraden pelzen en nertsen en de goodwill (zoals klantenbestand) als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM kan worden aangemerkt.. Het Gerechtshof neemt tot uitgangspunt dat de eigendom waarop de Wet verbod pelsdierhouderij een inbreuk maakt bestaat uit de fysieke bedrijfsmiddelen, te weten grond, bedrijfsgebouwen, inventaris (zoals kooien), voorraden pelzen en nertsen. Over goodwill is namelijk niets aangevoerd door de NFE.

Bij de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht (te weten het gebruik van de grond, bedrijfsgebouwen, inventaris, voorraden pelzen en nertsen) proportioneel is, stelt het Gerechtshof voorop dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, dus ook de voorgeschiedenis van de wet. Het Gerechtshof is van oordeel dat de nertsenhouders vanaf 1999 en in ieder geval vanaf het indienen van het initiatiefwetsvoorstel in 2006, rekening moesten houden met de mogelijkheid dat het houden van nertsen zou worden verboden en dat zij er vanaf dat tijdstip niet meer van mochten uitgaan dat zij deze activiteit tot in lengt van jaren zouden kunnen voortzetten. Dit betekent volgens het Gerechtshof dat nertsenhouders sindsdien aanleiding hadden zich in te stellen op de mogelijkheid van een algeheel verbod, bijvoorbeeld door uit te breiden naar of over te schakelen op minder controversiële vormen van landbouw. Dat zij dit niet hebben gedaan, kunnen zij niet aan de Staat tegenwerpen, aldus het Gerechtshof.

Het Gerechtshof betrekt tevens de omstandigheid dat er sprake is van een ruime overgangsperiode van  bijna 11 jaar bij de beoordeling van de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht proportioneel is. De rechtbank heeft deze omstandigheid ten onrechte niet in die beoordeling betrokken, aldus het Gerechtshof. Door deze ruime overgangsperiode worden pelsdierhouders in de gelegenheid gesteld om de verplichte investeringen die zij hebben gedaan in dierenwelzijn terug te verdienen. Daarnaast worden nertsenhouders in staat gesteld hun ondernemingen nog enige tijd winstgevend voort te zetten. Ook zijn flankerende maatregelen getroffen (o.a. een sloopregeling), die een tegemoetkoming in de schade kunnen beteken. Ook deze omstandigheid wordt door het Gerechtshof in de proportionaliteitstoets betrokken.

Het Gerechtshof is dan ook van oordeel dat alles bij elkaar genomen niet is gebleken dat een zogeheten “fair balance” tussen de inbreuk op het eigendomsrecht en het daarmee te dienen algemeen belang ontbreekt. De inbreuk op het gebruik van de grond, bedrijfsgebouwen, inventaris, voorraden pelzen en nertsen is dan ook proportioneel, aldus het Gerechtshof.

Cassatie

De NFE heeft aangekondigd in cassatie te gaan tegen het arrest van het Gerechtshof.

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar