De vrijheid van vestiging van rechtspersonen door het oprichten van een secundaire vestiging

Terugtreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU zal vergaande gevolgen hebben voor rechtspersonen. Wat zijn de mogelijke gevolgen van de Brexit voor de vrijheid van vestiging van vennootschappen in de EU? En wat zijn de mogelijkheden die voor ondernemingen (blijven) bestaan voor het oprichten van een secundaire vestiging?

Inleiding
De Brexit onderhandelingen zijn nog steeds in volle gang en tot en met 31 december 2020 geldt een overgangsperiode. Deze overgangsperiode geeft het VK en de EU tijd om te onderhandelen over hun toekomstige betrekkingen. Tijdens deze periode blijft het EU-recht op en in het VK van toepassing. Meer duidelijkheid over de nieuwe betrekkingen en toekomstige handelsrelaties tussen de EU en het VK ontstaat pas nadat deze onderhandelingen zijn afgerond. Als het daadwerkelijk niet lukt om afspraken te maken over de nieuwe betrekkingen, dan vindt aan het einde van de overgangsperiode het no-deal scenario plaats.

Einde van de vrijheid van vestiging
De grondslag voor de vrijheid van vestiging is opgenomen in artikel 49-55 van het verdrag van Rome. Deze bepalingen geven de mogelijkheid dat zelfstandigen en ondernemingen zich in een andere lidstaat kunnen vestigen. Het verbiedt beperkingen op de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat. Om van de vrijheid van vestiging te kunnen profiteren moet een vennootschap (i) volgens het recht van een lidstaat zijn opgericht en (ii) haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging binnen de EU hebben. Na de Brexit zullen Britse vennootschappen niet langer aan deze vereisten voldoen. Hierdoor zal het VK geen beroep meer op de vrijheid van vestiging kunnen doen en kan het eventuele ongewenste regels van een EU-lidstaat niet langer aanvechten.

Secundaire vestiging via een dochtermaatschappij
Volgens artikel 49 van het verdrag van Rome behoort de oprichting van secundaire vestigingen (agentschappen, filialen en dochterondernemingen) ook tot de uitoefening van de vrijheid van vestiging. De meest voorkomende vorm van uitoefening van de vrijheid van vestiging door een vennootschap in de EU is de oprichting van een dochteronderneming in een andere lidstaat. Bijvoorbeeld een Nederlandse B.V. richt een Italiaanse dochtermaatschappij (S.r.l.) op in Italië.

Vanaf 1 januari zou een Britse moedermaatschappij via een dochteronderneming (naar het recht van een EU-lidstaat) kunnen deelnemen aan de interne markt van de EU en kunnen blijven profiteren van de hierbij komende voordelen. De interne markt van de Europese Unie (EU) is een gemeenschappelijke markt waarin vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen mogelijk is. Zo worden de lidstaten van de EU behandeld als een interne markt zonder belemmeringen, zonder invoerrechten, zonder douanes, grenzen of andere obstakels. Dankzij de interne markt is het dus makkelijker om binnen de EU te reizen, om met andere landen te handelen of in een ander land te gaan werken.

Voor de handel met andere landen kan een oprichting van een secundaire vestiging een aantrekkelijke mogelijkheid zijn. Een belangrijk verschil tussen een agentschap en een filiaal enerzijds en een dochteronderneming anderzijds is dat een agentschap en een filiaal geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben, maar deel blijven uitmaken van de moedermaatschappij. Zij vallen onder hetzelfde vennootschapsrecht als de moedermaatschappij. Een dochtermaatschappij daarentegen heeft eigen rechtspersoonlijkheid en wordt naar het recht van de lidstaat van ontvangst opgericht. Rechtspersoonlijkheid betekent dat een onderneming of organisatie zelfstandig schulden en bezittingen heeft en dus een eigen boekhoudkundig afgescheiden vermogen heeft. De aansprakelijk van de eigenaren gaat in beginsel niet verder dan de waarde van de uitgegeven aandelen in de vennootschap.

Voor wat betreft de oprichting van een dochtermaatschappij zal na de Brexit niets veranderen. Vanuit Europa blijft het mogelijk voor een EU-vennootschap om een dochteronderneming in het VK op te richten, als wordt voldaan aan de eisen die voor de oprichting van een Britse vennootschap gelden. Andersom zal het ook mogelijk blijven voor een Britse vennootschap om een dochteronderneming in een van de EU-lidstaten, bijvoorbeeld in Nederland, op te richten, als voldaan wordt aan de oprichtingsvereisten en eventueel geldende vestigingsvereisten van het betreffende EU land.

Via onze Britse partner TLT LLP, beschikken wij over de mogelijkheid om snel informatie in te winnen voor EU-vennootschappen die een dochteronderneming in het VK willen oprichten. Daarnaast helpen wij u of uw onderneming graag verder bij het verlenen van advies over het oprichten van een (dochter)vennootschap in Nederland. Vragen? Neem contact op met Robert van Muijen, Hester Derkx of Yannick van den Berk.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?