De IGJ teruggefloten

De IGJ teruggefloten

Op 8 april jl. heeft de Rechtbank Overijssel een opvallend vonnis gewezen, dat onlangs is gepubliceerd. In de zaak die aanleiding gaf tot het vonnis had de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (‘IGJ’) namelijk een aantekening gemaakt in het register, dat zij op grond van artikel 8.28 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz in stand houdt. Zo’n aantekening wordt niet zo maar gemaakt. En dat is precies de reden voor deze procedure.

Wat was er aan de hand?
Deze zaak is een kort geding, dat is gestart door een verpleegkundige. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (‘RTG’) te Zwolle heeft op 1 maart 2019 een tuchtklacht over deze verpleegkundige beoordeeld. Het RTG heeft de verpleegkundige een schorsing van haar inschrijving in het BIG-register van drie maanden opgelegd. Hiertegen heeft de verpleegkundige beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege Gezondheidszorg (‘CTG’) te Den Haag. Het CTG heeft de beslissing van het RTG op 19 november 2020 vernietigd en de oorspronkelijke klagers alsnog niet ontvankelijk verklaard. Gevolg: toch geen schorsing voor de verpleegkundige.

Naar aanleiding van (het ontvangen van) de beslissingen van het RTG en het CTG heeft de IGJ onderzoek gedaan naar de verpleegkundige. In het kader van dit onderzoek heeft de IGJ op 6 maart 2020 met de verpleegkundige gesproken. Op 24 november 2020 heeft de IGJ het rapport aan de verpleegkundige toegestuurd. De IGJ heeft op 16 december 2020 de zienswijze van de verpleegkundige op het rapport ontvangen en deze aan het rapport toegevoegd.

Op 5 februari 2021 heeft de IGJ per brief aan de verpleegkundige laten weten dat de IGJ een tuchtklacht zou gaan indienen bij het RTG. Ook zou de IGJ een aantekening maken in het register zoals bedoeld in artikel 8.28 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

De aantekening van de IGJ wordt op grond van artikel 8.28 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wkkgz, in samenhang gelezen met artikel 25 lid 1 Wkkgz, gemaakt als ‘sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen’. Dus: als er een onveilige situatie bij cliënten of de zorg is of dreigt. De aantekening betreft identificerende gegevens van de verpleegkundige en de datum waarop het rapport is vastgesteld en blijft vijf jaar staan.

Het mogelijke gevolg van deze aantekening is gelegen in de vergewisplicht van een instelling, op grond van artikel 4 lid 1 sub a Wkkgz. Op grond van deze vergewisplicht moet een instelling zich ervan vergewissen dat de wijze waarop zorgverleners, die zorg verlenen aan zijn cliënten, in het verleden hebben gefunctioneerd er niet aan in de weg staat om die zorgverleners worden ingezet bij het verlenen van zorg. In het kader van de vergewisplicht kan een instelling de IGJ benaderen om informatie over een specifieke zorgverlener. Als een zorgverlener bij de IGJ bekend is, omdat hij of zij dus in het register van de IGJ staat, kan dit voor een instelling aanleiding zijn om die zorgverlener dus niet aan te nemen.

De brief, met daarin de beslissingen van 5 februari 2021 van de IGJ, is volgens de voorzieningenrechter in deze zaak een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’). Op 17 februari 2021 heeft de verpleegkundige daartegen bezwaar gemaakt. Tegelijkertijd heeft zij aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Die voorlopige voorziening zou een bevel of ordemaatregel moeten zijn, om de openbaarmaking van de aangekondigde maatregel te voorkomen. Op grond van artikel 6:16 Awb schort een ingediend bezwaar de werking van een besluit namelijk niet op. Een kort geding (of: verzoek om een voorlopige voorziening) is dan dus nodig om dit effect wel te sorteren.

Het oordeel van de voorzieningenrechter
Tijdens de kortgedingprocedure komt naar voren dat de IGJ de aantekening daadwerkelijk al op 5 februari 2021 heeft geplaatst. Vanaf dat moment kon en kan dus een ieder die de IGJ zou bellen om te vergewissen, over de verpleegkundige kunnen horen. En dat zou weer gevolgen kunnen hebben voor een eventuele toekomstige aanstelling van de verpleegkundige. Met andere woorden: er is te vrezen voor mogelijke reputatieschade. Hierin is het spoedeisend belang van de kortgedingprocedure gelegen.

Omdat de aantekening in het register al op 5 februari 2021 heeft plaatsgevonden kan deze niet meer door de voorzieningenrechter worden voorkomen. Bij wijze van de gevraagde voorlopige voorziening kan de voorzieningenrechter wel aan de IGJ opdragen om de aantekening verwijderen totdat er een beslissing op het bezwaar is. De voorzieningenrechter toetst daarbij (eerst) ambtshalve of de IGJ dit besluit in dit geval wel heeft mogen nemen.

Bij de beantwoording van de vraag of de IGJ het besluit heeft mogen nemen, is artikel 25 lid 1 Wkkgz van belang. Op grond van die bepaling onderzoeken de ambtenaren van de IGJ meldingen van zorgaanbieders en zorgverleners zoals bedoeld in artikel 11 Wkkgz en ook andere meldingen. De IGJ gaat bij een melding na of sprake is van een onveilige situatie bij cliënten of de zorg, of dat de melding met het oog op het belang van een goede zorg op een andere manier noodzaakt tot nader onderzoek. Als de IGJ vaststelt dat sprake is van een (bestaande of te verwachten) onveilige situatie bij cliënten of de zorg, dan moet de IGJ op grond van artikel 25 lid 4 Wkkgz passende maatregelen nemen. Daaronder valt ook het in kennis stellen van justitiële autoriteiten.

Hiervóór is aangegeven dat de IGJ in deze zaak níet naar aanleiding van een melding onderzoek naar de verpleegkundige heeft gedaan. Er is immers onderzoek gedaan naar aanleiding van de uitspraken van het RTG en CTG. Nu kan strikt genomen wel worden gezegd dat deze uitspraken óók ‘meldingen’ zijn, maar het Uitvoeringsbesluit Wkkgz bevat hierop een uitzondering. In artikel 8.26 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz is namelijk bepaald dat dit besluit buiten toepassing blijft waar het gaat om uitspraken van het RTG en CTG. Dat betekent dus dat de in het Uitvoeringsbesluit Wkkgz beschreven manier van onderzoeken, maar ook de opneming in het register van artikel 8.28, niet geldt bij het ontvangen van een uitspraak van het RTG en/of CTG.

Op grond hiervan concludeert de voorzieningenrechter dat de IGJ niet bevoegd was om in dit geval een onderzoek naar de verpleegkundige te starten, en te beslissen dat de verpleegkundige in het register zou worden opgenomen. Naar verwachting van de voorzieningenrechter houdt het besluit in bezwaar dus geen stand. Dat laatste maakt dat de voorzieningenrechter de IGJ opdraagt de aantekening in het register te verwijderen, totdat de beslissing in bezwaar onherroepelijk is.

Slot
Deze uitspraak laat een ‘nieuwe’ mix zien van tuchtrechtspraak en de rol van de IGJ hierbij, maar vooral ook hierna. Ook laat deze uitspraak zien dat het erg goed is om alert te zijn op het precieze handelen van de IGJ, de juridische basis daarvoor, en bewust te zijn van de gevolgen van dit handelen.

Vragen? Of juridisch advies nodig? Neem gerust contact op.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?