Concernfinanciering

Tegenstrijdig belang bij concernfinanciering niet snel aangenomen

Kort na elkaar worden twee – niet geheel strak geformuleerde – overeenkomsten gesloten. Bij de eerste wordt (concern)financiering verstrekt aan een holdingmaatschappij maar wordt verzuimd te regelen dat de (klein)dochtervennootschappen van die holdingmaatschappij mede geldnemer zijn en zich hoofdelijk voor de schuld verbinden. Die omissie wordt bij de tweede overeenkomst – 5 dagen later – hersteld. Vier maanden later failleert het concern.

De curator stelt dat bij de vertegenwoordiging van de (klein)dochtervennootschappen ten tijde van het sluiten van de tweede overeenkomst sprake was van tegenstrijdig belang omdat er beweerdelijk verwevenheid zou bestaan tussen de ([indirecte] bestuurders van de) financier en de gefinancierde (klein)dochtervennootschappen. Daarom zouden die (klein)dochtervennootschappen aan die tweede overeenkomst niet gebonden zijn.
Hij start een procedure en bij de rechtbank krijgt de curator gelijk.

Tegen het vonnis van de rechtbank wordt door ons hoger beroep ingesteld en uitvoerig gemotiveerd aangevoerd dat en waarom het oordeel van de rechtbank in strijd is met de bedoelingen van alle betrokkenen bij het samenstel van overeenkomsten en de visie van de Hoge Raad m.b.t. tegenstrijdig belang bij concernfinanciering.
Het Hof oordeelt in navolging van ons betoog dat voor het aannemen van een tegenstrijdig belang in concernverband een terughoudende maatstaf geldt en dat bij het aangaan van de (als één geheel te beschouwen) overeenkomsten geen sprake was van een tegenstrijdig belang.
De Hoge Raad heeft op 3 maart jl. het tegen dit oordeel gerichte cassatieberoep zonder veel omhaal van woorden verworpen en meent dat het Hof juist had geoordeeld.

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar