Bij zorgcarrousel telkens opnieuw gevaarscriterium toetsen.

Inleiding

Op 21 september 2018 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de beoordeling van het interne gevaarscriterium bij dwangbehandeling in geval van een zogenaamde zorgcarrousel.

De uitspraak is van belang, aangezien behandelaars in verschillende instellingen op een bepaalde, in het arrest voorgeschreven, manier dienen om te gaan met voortgezette dwangbehandeling van een patiënt in een zorgcarrousel. Dit heeft tevens gevolgen voor de klachtmogelijkheden van een patiënt.

De feiten

De betrokken patiënt is sinds 10 juli 2017 opgenomen op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). Gedurende deze opname is de patiënt in een zorgcarrousel geplaatst, wat inhoudt dat de patiënt frequent wordt overgeplaatst tussen verschillende psychiatrische ziekenhuizen. Hij is in een dergelijk zorgcarrousel geplaatst omdat de behandeling van de patiënt veel eist van de afdeling en het personeel in het ziekenhuis waar de patiënt verblijft. De plaatsing wordt noodzakelijk geacht om de continuïteit en effectiviteit van de zorg te kunnen waarborgen.

Gedurende de opname van de patiënt wordt op enig moment de beslissing genomen tot dwangbehandeling met antipsychotica in depotvorm. In het kader van de zorgcarrousel wordt besloten bij iedere overplaatsing deze dwangbehandeling voort te zetten. De patiënt heeft tegen deze voortgezette dwangbehandeling een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de overkoepelende GGZ-instelling. Deze klacht is door de klachtencommissie ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de patiënt zich met de klacht gericht tot de rechtbank. De rechtbank heeft de klacht eveneens ongegrond verklaard. Tegen dit oordeel is cassatie ingesteld.

Het oordeel

Behandeling zonder instemming van de patiënt (dwangbehandeling) kan slechts plaats vinden op grond van de bepalingen in de wet BOPZ. Bij aanwezigheid van gevaar op de afdeling waar de patiënt verblijft dient te worden getoetst aan het criterium uit artikel 38c lid 1 sub b wet BOPZ (interne gevaarscriterium). Dit luidt dat alleen dwangbehandeling mag worden gegeven voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar dat de stoornis van de geestesvermogens  doet veroorzaken, af te wenden. De dwangbehandeling dient te worden gestaakt zodra het interne gevaar is geweken. De dwangbehandeling kan alleen worden toegepast indien aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid is voldaan. Deze eisen houden gezamenlijk in dat moet worden volstaan met de minst ingrijpende vorm van dwang-behandeling, die niet langer dan nodig wordt toegepast en die daarnaast effectief dient te zijn in de gegeven omstandigheden. Daarnaast hangt de beoordeling van de noodzaak tot dwangbehandeling op grond van het interne gevaarscriterium nauw samen met de inrichting waar de patiënt feitelijk verblijft.

Op grond van artikel 38c lid 2 BOPZ vindt de dwangbehandeling plaats krachtens een schriftelijke beslissing van de behandelaar. Deze beslissing dient aan de patiënt te worden uitgereikt, waarbij de patiënt onder andere dient te worden gewezen op de mogelijkheid om tegen die beslissing een klacht in te dienen op grond van artikel 41 t/m 41b Wet BOPZ.

Gelet op de ingrijpende inbreuk op de lichamelijke integriteit bij een dwangbehandeling, dienen de wettelijke bepalingen die toezien op de dwangbehandeling volgens de Hoge Raad strikt te worden uitgelegd. Een en ander brengt met zich mee dat in geval van een overplaatsing van een patiënt naar een ander ziekenhuis, de behandelaar van de patiënt in dat ziekenhuis opnieuw dient te beoordelen of een dwangbehandeling in dat ziekenhuis tevens noodzakelijk is. Hierbij dient te worden gelet op de vraag of is voldaan aan de voornoemde eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Indien de behandelaar tot de conclusie komt dat beide voornoemde vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, dient de behandelaar wederom een schriftelijke beslissing tot dwangbehandeling te nemen op de voet van artikel 38c lid 2 Wet BOPZ en de patiënt te wijzen op de rechtsmiddelen die daartegen open staat. Omdat zulks niet is gedaan verklaart de Hoge Raad de klacht van de patiënt alsnog gedeeltelijk gegrond.

Conclusie

Indien er sprake is van een patiënt die in een zorgcarrousel wordt geplaatst en er vervolgens wordt overgegaan tot dwangbehandeling, zijn er een aantal aandachtspunten. Bij iedere overplaatsing van een patiënt naar een ander ziekenhuis, dient de behandelaar in dat (nieuwe) ziekenhuis opnieuw een afweging te maken met betrekking tot de dwangbehandeling. Alvorens na een dergelijke beoordeling daadwerkelijk wordt overgegaan tot dwangbehandeling, dient de behandelaar hiertoe een (nieuwe) schriftelijke beslissing te nemen die aan de patiënt moet worden uitgereikt . Een bijkomend gevolg van dit geheel is dat de patiënt bij elk “nieuw” ziekenhuis een klacht kan indienen op grond van artikel 41 t/m 41b Wet BOPZ.

Hoge Raad 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1724

Heeft u vragen hierover? Dan kunt u terecht bij Coen Verberne, advocaat gezondheidsrecht

 

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar