Apotheker geschrapt uit BIG register

Omkattende apotheker geschrapt uit BIG register

Op 14 augustus 2019 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven (‘RTG’) een opvallende uitspraak gedaan. De uitspraak is opvallend omdat deze een klacht tegen een apotheker betreft – en die zie je niet zo vaak – alsmede omdat deze apotheker in hoedanigheid van bestuurder is aangesproken en door het RTG is doorgehaald in het BIG-register.

De feiten

Deze tuchtrechtelijke procedure is gestart door twee zorgverzekeraars, die ieder een klacht tegen een apotheker hebben ingediend. De klachten zijn gezamenlijk door het RTG behandeld. De apotheker was tot en met september 2016 bestuurder van een grote apotheekketen (‘de keten’). Vanaf 2008 tot en met 2016 had de keten contracten afgesloten met de genoemde zorgverzekeraars, om farmaceutische zorg te kunnen en mogen declareren.

De zorgverzekeraars hanteren en hanteerden een zogenaamd preferentiebeleid voor (bepaalde) geneesmiddelen. Een preferentiebeleid betekent dat een zorgverzekeraar binnen een groep van dezelfde medicijnen met dezelfde werkzame stof één specifiek (van één fabrikant) mag uitkiezen als voorkeursgeneesmiddel, oftewel een preferent geneesmiddel. Niet door de zorgverzekeraar als preferent geneesmiddel aangewezen middelen werden (en worden) in principe niet aan verzekerden vergoed.

Uit onderzoek van één van de klagende verzekeraars is gebleken dat de keten, waarvan de aangeklaagde apotheker bestuurder was, aan diverse patiënten andere geneesmiddelen had geleverd dan de geneesmiddelen die werden gedeclareerd. De keten gebruikte software waardoor declaraties werden ingestuurd aan de verzekeraar, waarop stond dat een preferent middel was geleverd terwijl in werkelijkheid een niet-preferent middel was geleverd. Deze software was zo geprogrammeerd dat dit ‘omkatten’ automatisch gebeurde. Het gaat om in totaal meer dan drie miljoen ‘omgekatte’ declaratieregels.

In deze kwestie is door de zorgverzekeraars (ook) aangifte gedaan van valsheid in geschrifte door de keten. De rechtbank heeft zowel de apotheker als de keten ter zake van de valsheid en geschrifte schuldig bevonden. Van de ook ontstane verdenking van oplichting is de apotheker vrijgesproken. De door de verzekeraars gestarte civiele zaak is beëindigd met een vaststellingsovereenkomst.

De beoordeling

De apotheker voert vier zogenaamde ontvankelijkheidsverweren. Dit zijn verweren waarmee wordt betoogd dat de procedure niet inhoudelijk kan worden behandeld. Een eerste verweer betreft dat tussen de apotheker en de verzekeraars een vaststellingsovereenkomst is gesloten en daarmee ook dit (tuchtrechtelijk) geschil is beëindigd. Het RTG gaat daarin niet mee, omdat een en ander niet uitdrukkelijk uit de vaststellingsovereenkomst blijkt. Bovendien gaat het tuchtrecht verder dan de behartiging van belangen van deze partijen: het beoogt de goede beroepsuitoefening te waarborgen.

Een tweede verweer betreft dat de tuchtprocedure in strijd is met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in (onder meer) artikel 6 lid 1 en 2 EVRM. Deze specifieke bepalingen beschermen onder meer tegen een dubbele berechting en bestraffing, welke bescherming ook wel het nemo tenetur-beginsel wordt genoemd. Volgens de apotheker is het (dus) niet terecht dat naast de strafprocedure ook nog een tuchtrechtelijke procedure is gestart. Het RTG volgt de apotheker ook hierin niet: het overweegt dat een strafrechtelijke procedure nu eenmaal een andere procedure is dan de tuchtrechtelijke procedure en dat met beide procedures ook andere doelen worden gediend. Een tuchtrechtelijk procedure is volgens vaste rechtspraak geen ‘criminal charge’ – een strafrechtelijke procedure – in de zin van het EVRM. Daarom is al geen sprake van strijd met het zogenaamde nemo tenetur-beginsel. Ook is niet gebleken dat beide procedures elkaar op een andere manier kunnen doorkruisen.

Een derde verweer van de apotheker komt erop neer dat de samenloop van de strafrechtelijke procedure en de tuchtrechtelijke procedure disproportioneel is. Het RTG gaat ook niet in dit verweer mee. Volgens het RTG maakt het feit dat er al een strafprocedure loopt, of – zoals in dit geval – al een strafrechtelijk vonnis is gewezen, niet dat er niet ook een tuchtrechtelijke procedure kan worden gestart. Beide procedures dienen immers een eigen (en ander) belang, waarbij het belang van het tuchtrecht is gelegen in het beoordelen of het handelen van een beroepsbeoefenaar, zoals de apotheker, een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg heeft geschaad en of een maatregel aan de orde is. Ook de omstandigheid dat er in dit geval ook al veel media-aandacht voor deze zaak is geweest, maakt volgens het RTG nog niet dat de behandeling ervan buitenproportioneel is.

De apotheker heeft ook aangevoerd dat hij in deze zaak niet in hoedanigheid van apotheker (maar als privépersoon) heeft gehandeld. Ook hier volgt het RTG de apotheker niet. De apotheker heeft immers de opdracht gegeven tot het maken en gebruiken van en was ook eindverantwoordelijk voor de software, die door de keten werd gebruikt voor het indienen van de onjuiste declaraties. Volgens het RTG heeft de apotheker zich hiermee begeven op het terrein waarop hij deskundigheid bezit die bij zijn BIG-registratie hoort. De apotheker wordt hier (dus) als bestuurder door de tuchtrechter aangesproken.

Bij de inhoudelijke behandeling van de klacht is het RTG kort: het gaat hier hoe dan ook om systematisch, bewust en langdurig gebruik van de onder verantwoordelijkheid van de apotheker ontwikkelde software. De apotheker wist bovendien dat de hieruit voortvloeiende declaraties onjuist waren. Hij had de software zo laten bouwen dat de onjuistheid van de declaraties niet zichtbaar was en ook niet te controleren was. De klacht wordt gegrond verklaard.

Als maatregel wordt een doorhaling in het BIG-register opgelegd. Het RTG komt tot deze maatregel omdat de apotheker ondanks waarschuwingen van een van de klagende verzekeraars is doorgegaan met deze wijze van (frauduleus) declareren. De apotheker is zelfs doorgegaan toen het fraudeonderzoek van de verzekeraars al was begonnen en hij heeft zelfs aan een van de verzekeraars aangegeven dat er sprake was van een fout in de software, die inmiddels was hersteld. Een lichtere maatregel is volgens het RTG niet aan de orde, omdat de apotheker door zijn handelen schade aan de beroepsgroep heeft toegebracht door kernwaarden van de professie, waaronder betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid met voeten te treden. Het RTG schorst zelfs bij wijze van voorlopige voorziening de bevoegdheid van de apotheker om de aan hem als apotheker toekomende bevoegdheden uit te oefenen, gedurende de periode dat hij nog in hoger beroep kan van de uitspraak. Deze bevoegdheid heeft de tuchtrechter sinds een recente wijziging van de Wet BIG.

Slot

Vragen over tuchtrecht, (het voorschrijven van bepaalde) geneesmiddelen, en/of declaraties van die geneesmiddelen? Onze advocaten in de zorg beantwoorden ze graag. Neemt u dan contact op met Jacqueline de Vries of Coen Verberne.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar