Nieuws

Waar eindigt de mens en begint de machine?

Gepubliceerd op 3 mrt 2026

Onze mensen

Waar eindigt de mens en begint de machine

In deze zaak kreeg het Amtsgericht München de vraag voorgelegd hoe auteursrechtelijke bescherming moet worden toegepast op AI‑gegenereerde content. Waar mijn collega Luuk Jonker eerder schreef over AI‑gegenereerde songteksten, richt deze nieuwe zaak zich op iets visueels: drie door AI gemaakte logo’s.

De grens tussen mens en machine

Het Amtsgericht München oordeelde op 13 februari 2026 dat deze logo’s géén auteursrechtelijke bescherming genieten. Interessant is vooral hoe het Amtsgericht München een grens probeert te trekken tussen “handwerk van de mens” en “output van een model”, en hoeveel prompting (lees: instructies aan het AI-model) nodig is om überhaupt over een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken.

De zaak

Eiser maakte drie logo’s met behulp van generatieve AI, namelijk:

  • een handdruk tussen twee personen met verschillende huidskleuren en een rinkelende bel;
  • een envelop voor een gebouw met zuilen;
  • een laptop met een boek en paragraafteken dat voor het scherm zweeft.

Eiser werkte met zowel eenvoudige als zeer gedetailleerde prompts en schaafde de gegenereerde resultaten verder bij via meerdere ‘iteraties’ (opeenvolgende rondes waarin hij de AI telkens nieuwe aanwijzingen gaf om de afbeelding stapsgewijs aan te passen). De logo’s gebruikte hij op zijn eigen website. De gedaagde, een bekende van eiser gebruikte dezelfde beelden op zijn eigen website met een (vermeende) auteursrechtelijke inbreuk als gevolg. Eiser stelt immers dat híj de maker was van drie auteursrechtelijk beschermde logo’s. 

Het Amtsgericht München begint bij de basis: om auteursrechtelijke bescherming te krijgen, moet er sprake zijn van een eigen intellectuele schepping waarin de persoonlijke creatieve keuzes van een mens tot uitdrukking komen. Dat criterium is helder wanneer een mens met pen, penseel of camera iets creëert, maar wordt diffuus zodra AI tussen maker en resultaat komt te staan. 

Precies daar ontstaat de kern van de discussie bij AI‑gegenereerde output: waar eindigt de autonomie van het model en waar begint de creatieve invloed van de mens?

Bij traditionele werken kan die creatieve invloed relatief eenvoudig worden herleid tot individuele keuzes. Volgens het Amtsgericht München moet bij AI‑output worden onderzocht of en in welke mate menselijke creatieve keuzes nog waarneembaar zijn terug te vinden in het uiteindelijke resultaat, ondanks het feit dat de feitelijke vormgeving door een autonoom systeem wordt gegenereerd. Het Amtsgericht München gebruikt dit uitgangspunt om scherp te kijken naar de rol van prompting. Prompts kunnen richting geven, maar zijn pas relevant voor het auteursrecht wanneer ze daadwerkelijk creatieve beslissingen afdwingen die zichtbaar doorwerken in de output. Zodra de AI zelf de inhoudelijke vormgeving bepaalt blijft de creatieve schepping in essentie autonoom aan het model, en ontbreekt de menselijke “stempel” die het auteursrecht vereist. 

Logo's

Voor dit logo werkte eiser met de meest gedetailleerde prompts en meerdere iteraties. In de uitgangsprompt vroeg hij om een logo voor een carrière‑ en vacaturemeldingen‑app. Daarna selecteerde hij één van de vier gegenereerde voorstellen en voerde hij vervolginstructies in. Die vervolgprompts gingen vooral over technische of stilistische aanpassingen, zoals het wijzigen van huidskleur (“those fingers must be white skinned, please”), het verfijnen van handvormen (“make the white skin hand more feminine”, “make the hands a bit more filigree”) en het toevoegen van realistischere details (“add a more realistic touch”). 

De rechtbank oordeelde dat deze instructies niet kwalificeren als vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van eiser in het werk laten terugkomen. De aanwijzingen waren te technisch, te beperkt en te weinig vormgevend. De beslissende creatieve stappen zoals de compositie, stijlbepaling en uitwerking van het beeld werden in overwegende mate door het AI-model zelf genomen. De door eiser ingevoerde prompts lieten een te groot deel van de creatieve ruimte aan het model. 

Voor dit logo gebruikte eiser een lange prompt van circa 1700 tekens, maar die bleek volgens de rechtbank grotendeels te bestaan uit algemene omschrijvingen zoals “original, abstract logo”, “modern” en “minimal”, aangevuld met open aanwijzingen over stijl en vorm met beperkte creatieve en concrete sturing. Ook liet eiser belangrijke vormkeuzes bewust aan AI-model over, bijvoorbeeld via instructies als “Communication or alerts – represented by waves, motion lines …” en een kleurkeuze “if you deem them a good fit”. Hierdoor werd de daadwerkelijke selectie, combinatie en vormgeving van de beeldende elementen volledig door het AI-model bepaald.

Volgens de rechtbank waren de prompts “vergelijkbaar met een schriftelijke opdracht aan een menselijke designer”, en niet met het gebruik van een instrument dat door menselijke creativiteit wordt gedomineerd. Anders gezegd: het AI-model fungeerde hier niet als een ‘kwast’ waarmee eiser zijn creatieve visie vormgaf, maar als een autonoom scheppend systeem dat zelf de creatieve beslissingen nam. Daardoor kwam het logo niet in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming. 

De rechtbank benadrukte daarbij uitdrukkelijk dat de hoeveelheid tijd of inspanning geen rol speelt: het auteursrecht beschermt geen arbeid, maar uitsluitend creatieve keuzes die in het werk tot uitdrukking komen. Een prompt wordt dus niet creatiever of oorspronkelijker enkel omdat het formuleren ervan veel tijd kostte.

Eiser gebruikte voor het ‘maken’ van dit logo voornamelijk eenvoudige en korte prompts, zoals een tweeregelige instructie om een “eenvoudig maar ongebruikelijk” logo te genereren waarin een laptop, een boek en een paragraafteken moesten voorkomen. Deze prompts beperkten zich tot het beschrijven wat er moest worden afgebeeld, zonder enige nadere specificering, aanwijzing over stijl, vormgeving, compositie of andere creatieve keuzes. 

Volgens het Amtsgericht München was in deze aanwijzingen geen enkele creatieve ontplooiing van de persoonlijkheid van eiser te herkennen. De instructies waren te algemeen en te technisch; ze bepaalden wat de AI moest genereren, maar niet hoe. Daarmee liet eiser (in ieder geval voor een groot deel) de creatieve beslissingen aan het AI-model over waardoor het Amtsgericht München heeft geoordeeld dat het logo niet vatbaar is voor auteursrechtelijke bescherming. 

Conclusie

De uitspraak van het Amtsgericht München laat zien dat de vraag wanneer AI‑gegenereerde output auteursrechtelijk beschermd kan zijn nog geen uitgekristalliseerde lijn kent. Wat het Amtsgericht München vooral verduidelijkt, is wat in ieder geval niet voldoende is. Wie auteursrecht wil claimen op gegenereerde content moet kunnen aantonen dat het prompting‑proces daadwerkelijke creatieve keuzes omvat die duidelijk herkenbaar in de output zijn terug te zien. In dat geval functioneert het AI‑model als een hulpmiddel, vergelijkbaar met een kwast in de hand van de maker, en niet als een autonoom systeem dat zelf de beslissende creatieve invulling bepaalt.

Cruciaal is dus dat de uiteindelijke vormgeving van het werk de creatieve stempel van de mens weerspiegelt, en niet die van het model. De Duitse uitspraak draagt bij door concreet te laten zien in welke situaties die menselijke invloed onvoldoende herkenbaar is, en de creatieve ruimte dus te veel bij het AI‑model ligt om auteursrechtelijke bescherming te kunnen dragen.

Tot slot is het goed te benadrukken dat dit slechts de benadering is van één Duitse rechter. Andere rechters, in Duitsland of daarbuiten, kunnen deze afweging anders maken. De uitspraak biedt daarmee vooral richting, maar geen definitief antwoord op de vraag waar precies de auteursrechtelijke grens ligt bij AI‑gegenereerde werken.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief