Aansluitplicht Elektriciteitswet

Aansluitplicht Elektriciteitswet: niet voldoen levert een titel voor schadevergoeding op

Het CBb schept in twee uitspraken duidelijkheid over de aansluitplicht voor elektriciteit: aansluitingen met een vermogen lager dan 10 MVA moeten binnen de wettelijke termijn van 18 weken worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor duurzame projecten, zoals zonneparken en kleine windparken. Overmacht vormt geen algemene uitzondering op deze plicht. Een aansluiting buiten de termijn van 18 weken levert een titel voor schadevergoeding op.  

Achtergrond

Beide zaken bij het CBb gaan over de aansluiting op het elektriciteitsnet voor zonne-energie op daken. Hiervoor hebben Kingspan en Corporatie Cohesie Heiloo U.A. (“Cohesie”) afzonderlijk een verzoek ingediend bij Liander in haar hoedanigheid als netbeheerder voor beide locaties.

Cohesie heeft de aanvraag op 6 september 2018 verzonden. In april 2019 besluit zij na herhaaldelijk klagen over de doorlooptijd een geschilaanvraag in te dienen bij ACM. Op 24 mei 2019 heeft Liander de aansluiting gerealiseerd. Dat was 37 weken na indiening van de aanvraag.

Kingspan verzoekt om een verzwaring van bestaande aansluitingen. Dit is nodig voor de aanleg van zon op dak voor twee aparte projectlocaties. Liander geeft Kingspan na de aanvraag de mededeling dat de doorlooptijd voor realisatie van de verzwaring ongeveer 46-48 weken bedraagt. Kingspan dient na deze mededeling van Liander een geschilaanvraag in bij ACM.

ACM stelt kort gezegd beide aanvragers in het gelijk en stelt zich daarbij op het standpunt dat een netbeheerder de plicht heeft binnen 18 weken een gevraagde aansluiting te realiseren. Dit is een publiekrechtelijke verplichting waar privaatrechtelijk niet van kan worden afgeweken.

Tegen deze besluiten stelt Liander vervolgens beroep in bij het CBb.

Juridisch kader

Op basis van artikel 23 lid 4 van de Elektriciteitswet 1998 (de “E-wet”) heeft de netbeheerder de verplichting een aansluiting voor elektriciteit te realiseren binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn wordt volgens de bepaling geacht te zijn verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet binnen 18 weken is gerealiseerd, indien sprake is van:

  1. een aansluiting tot 10 MVA, of;
  2. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn heeft gerealiseerd.

Oordeel CBb

Het CBb overweegt allereerst dat de tekst van artikel 23 lid 4 E-wet duidelijk is. De bepaling biedt geen ruimte voor afwijking van de aansluittermijn van 18 weken voor aansluitingen kleiner dan 10 MVA. Ter onderbouwing verwijst het CBb naar de oorspronkelijke tekst van artikel 23:

“Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend. De vorige volzin is niet van toepassing op aansluitingen van 10 MVA of hoger.”[1]

Vervolgens overweegt het CBb dat de ‘tenzij-clausule’ van artikel 23 lid 4 onder b niet van toepassing is op aansluitingen kleiner dan 10 MVA. Uit de wetsystematiek volgt dat de wetgever twee categorieën heeft beoogt en daarmee de uitzondering van onderdeel b niet tevens van toepassing heeft willen verklaren op onderdeel a.

Voor duurzame projecten die voldoen aan onderdeel a en b geldt volgens het CBb de aansluitplicht van 18 weken. De tenzij-clausule is ook in dit geval niet van toepassing. Dit volgt volgens het CBb uit de onderliggende kamerstukken horende bij de totstandkoming van artikel 23. Een noemenswaardige passage uit de betreffende kamerstukken is de volgende:

“(…) Artikel 23, derde lid, onderdeel a, is van toepassing op alle aansluitingen tot een waarde van 10 MVA, ongeacht de aard van de installatie (groene producent of eindgebruiker) die zich achter de aansluiting bevindt. Deze aansluitingen dienen altijd binnen 18 weken te worden gerealiseerd. Het nieuwe artikel 23, derde lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998, geeft een speciale, aanvullende, regeling voor het aansluiten van installaties voor duurzame elektriciteit (…). Ook indien de gevraagde aansluiting in dat geval meer dan 10 MVA betreft, dient die aansluiting binnen 18 weken gerealiseerd te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen kan de netbeheerder een beroep doen op de in dat onderdeel opgenomen hardheidsclausule.”[2]

Analyse

Samenvattend zal de netbeheerder elke aansluiting tot 10 MVA binnen 18 weken moeten realiseren, ongeacht of dit mogelijk is vanwege de vele aanvragen en de drukte op het elektriciteitsnet. De schade die ontstaat voor de aanvrager doordat niet binnen 18 weken de aansluiting is gerealiseerd komt voor vergoeding in aanmerking.

Ik vraag me af of de praktijk gebaat is bij een dergelijke strikte uitleg van artikel 23 E-wet. Van netbeheerders kan namelijk niet het onmogelijke worden gevraagd. Liander stelt naar mijn mening terecht in de uitspraken dat (externe) omstandigheden ertoe kunnen leiden dat op enig moment voor een gedeelte van de aansluitingen een realisatie van 18 weken onmogelijk is.[3] Gedacht kan worden aan technische, geografische en andere praktische omstandigheden die aan een spoedige realisatie in de weg staan.

Hoe redelijk is het de netbeheerder te veroordelen in de betaling van een schadevergoeding voor situaties die niet aan haar te wijten zijn? Bovendien, de netbeheerders zijn publiekrechtelijk bezit. Een hausse aan schadevergoedingen zou enkel de kosten van de aansluitingen verhogen en de noodzakelijke verzwaring van het net vertragen. Hier ligt wat mij betreft een taak voor de wetgever om artikel 23 E-wet op een dusdanige manier te wijzigen dat de aansluitplicht in de praktijk ook uitvoerbaar is.

De volledige uitspraken zijn vindbaar via ECLI:NL:CBB:2020:649 en ECLI:NL:CBB:2020:650

Voor meer informatie over energierecht, neem contact op met onze specialisten Ko Hamelink en Harald Wiersema.

 

[1] Kamerstukken II 2003-2004, 29 372, nr. 28.

[2] Kamerstukken I 2009-2010, 31904, nr. D, blz. 29.

[3] CBb 22 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:649 en ECLI:NL:CBB:2020:650, r.o. 4.1.