Uitspraken rechtbanken - AVV - september 2025
Rechtbank Gelderland 22 april 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3553
Verzoeker raakte betrokken bij een verkeersongeval en vordert volledige schadevergoeding van Allianz, de WAM-verzekeraar van de wederpartij. Allianz erkende in 2021 aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval, maar stelt later dat sprake is van eigen schuld vanwege het niet dragen van de gordel en een mogelijk te hoge snelheid.
Verzoeker stelt dat Allianz met de erkenning van aansprakelijkheid afstand heeft gedaan van het eigen-schuldverweer. De rechtbank oordeelt dat aansprakelijkheid en eigen schuld juridisch van elkaar te onderscheiden begrippen zijn. De erkenning zag enkel op de aansprakelijkheidsvraag en niet op de omvang van de schadevergoeding. Allianz heeft het eigen-schuldverweer niet expliciet prijsgegeven en mocht dit later alsnog aanvoeren.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker inmiddels erkent dat hij geen gordel droeg. Dit leidt tot een vermindering van de vergoedingsplicht van Allianz met 25%. Het verweer dat verzoeker te hard reed wordt verworpen: de stellingen van Allianz zijn onvoldoende onderbouwd en het rapport van Bosscha Ongevallenanalyse laat de mate van overschrijding in het midden.
De kosten van verzoeker worden begroot op € 4.892,70. Allianz wordt veroordeeld tot betaling van 75% daarvan (€ 3.669,53), vermeerderd met wettelijke rente. Het zelfstandige verzoek van Allianz wordt niet afzonderlijk beoordeeld, nu het eigen-schuldverweer al in de hoofdzaak is behandeld.
Rechtbank Oost-Brabant 13 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4992
Eiseres vordert schadevergoeding wegens brand in haar woonwagen, veroorzaakt door het afsteken van zwaar vuurwerk door twee kinderen van 10 en 11 jaar oud. Zij stelt de ouders van deze kinderen, de ouders van een 15-jarige die het vuurwerk filmde en de verzekeraar van laatstgenoemde aansprakelijk.
De ouders van de 10-jarige en 11-jarige voeren aan dat hun kinderen niet zelf vuurwerk hebben gegooid en dat de oorzaak van de brand niet vaststaat. De ouders van de 15-jarige stellen dat hun zoon geen actieve rol heeft gespeeld en dat zij niet verantwoordelijk zijn voor zijn handelen. De verzekeraar betwist aansprakelijkheid en bepleit dat zuiver nalaten niet kan leiden tot aansprakelijkheid voor uitsluitend materiële schade.
De rechtbank oordeelt dat de 11-jarige tweemaal het gooien van vuurwerk door de 10-jarige heeft gefilmd. Dit filmen had een aanmoedigend effect en wordt aangemerkt als een als doen te beschouwen gedraging in de zin van artikel 6:169 lid 1 BW. Aangezien de 11-jarige jonger is dan veertien jaar, rust de aansprakelijkheid niet op hem, maar op zijn ouders.
De 15-jarige heeft het gooien van vuurwerk in de woonwagen lachend gefilmd en heeft nagelaten in te grijpen, terwijl hij op de hoogte was van het gevaar en in staat was om op te treden. De rechtbank kwalificeert dit nalaten als een zelfstandige onrechtmatige daad. Zijn moeder is aansprakelijk op grond van artikel 6:169 lid 2 BW. Zijn vader is niet aansprakelijk, nu hij op de dag van de brand geen omgang met zijn zoon had en hem geen verwijt treft. De rechtbank oordeelt dat het standpunt dat zuiver nalaten niet tot aansprakelijkheid voor uitsluitend materiële schade kan leiden, geen steun vindt in wet of jurisprudentie van de Hoge Raad en daarom niet wordt gevolgd.
Eiseres heeft gesteld dat zij sinds de brand in traumatherapie is en heeft deze immateriële schade met stukken onderbouwd. Allianz heeft zich ten aanzien van de aannemelijkheid van deze schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de vordering toewijsbaar en verklaart dat eiseres een zelfstandige vordering heeft op Allianz voor vergoeding van de psychische schade, nader op te maken bij staat. Allianz is dus uitsluitend voor deze schadepost rechtstreeks aanspreekbaar.
De rechtbank verklaart de moeder van de 15-jarige en de ouders van de 11-jarige hoofdelijk aansprakelijk en verwijst de zaak voor schadevaststelling naar de schadestaatprocedure. Bij wijze van voorschot wordt een bedrag van € 25.000 toegewezen.
Rechtbank Amsterdam 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5733
Eiseres werd aangereden door een auto toen zij de straat overstak om een bus aan de overzijde te bereiken. Zij liep een gecompliceerde beenbreuk op. Eiseres vordert dat de bestuurder van de auto, de eigenaar (ALD Automotive) en de WAM-verzekeraar aansprakelijk zijn voor haar volledige schade, dan wel voor een deel daarvan. Daarnaast vordert zij een voorschot van € 50.000 en vergoeding van de kosten van het deelgeschil.
De bestuurder en ALD Automotive erkennen aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW, maar stellen dat eiseres onverwacht tussen twee bestelbusjes de weg op rende en daarmee in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan het ongeval. Zij achten een verdeling van 65%/35% redelijk. Crawford, als schaderegelaar van de buitenlandse verzekeraar, stelt dat zij niet in rechte betrokken kan worden.
De rechtbank verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar verzoeken tegen Crawford. De rechtbank oordeelt dat bestuurder en ALD Automotive in beginsel op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk zijn. Eiseres heeft wel in causale zin bijgedragen aan het ongeval door zonder voorrang te verlenen over te steken, aldus de rechtbank. Gezien haar jeugdige leeftijd, de ernst van het letsel en het verwijt aan bestuurder dat hij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, acht de rechtbank een verdeling van 80%-20% billijk. Het verzoek om een aanvullend voorschot wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 6.969, waarvan 80% (€ 5.575,20) moet worden vergoed.
Rechtbank Midden-Nederland 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4456
Eiser had zijn auto verzekerd bij De Goudse en deed aangifte van diefstal. De Goudse keerde aanvankelijk een schadevergoeding uit, maar liet de auto nadat deze was teruggevonden onderzoeken. Uit het sleutelonderzoek bleek dat de auto met een sleutel van eiser naar de vindlocatie was gereden. De Goudse vorderde terugbetaling van de uitkering en de onderzoekskosten, en registreerde eiser in diverse incidentenregisters.
Eiser vorderde een verklaring voor recht dat de vorderingen van De Goudse ten onrechte zijn ingesteld en verzocht verwijdering van zijn persoonsgegevens uit de registers. Hij betwistte opzettelijke misleiding en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de registratieduur disproportioneel is.
De rechtbank oordeelt dat eiser opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De verklaringen van eiser en zijn partner zijn wisselend en niet verenigbaar met de technische bevindingen. De auto is met een sleutel van eiser naar de vindlocatie gereden en er zijn geen sporen van braak. De rechtbank acht het onderzoek zorgvuldig en de bevindingen overtuigend.
De vordering van De Goudse tot terugbetaling van het uitgekeerde bedrag en vergoeding van de onderzoekskosten wordt toegewezen. De registratie van eiser in de incidentenregisters en bij het CBV is rechtmatig en proportioneel. De duur van acht jaar is passend gezien de ernst van de gedraging en het schadebedrag.
Rechtbank Gelderland 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7090
Eiseres had haar advocaat opdracht gegeven haar bij te staan in een procedure over de verdeling van de nalatenschap van haar moeder. Zij stelt dat de advocaat meerdere beroepsfouten heeft gemaakt, waaronder het te laat doorgeven van de datum van de mondelinge behandeling en het niet instellen van hoger beroep. Eiseres vordert schadevergoeding van in totaal ruim € 300.000.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Ten aanzien van het hoger beroep stelt hij dat dit niet viel onder de oorspronkelijke opdracht en dat hij slechts bereid was hoger beroep in te stellen tegen één onderdeel van het vonnis, onder de voorwaarde dat eiseres eerst de openstaande facturen zou voldoen. Omdat eiseres hoger beroep wilde tegen het gehele vonnis en haar vermeende schade wilde verrekenen met de facturen, is geen overeenstemming bereikt en is geen opdracht tot hoger beroep tot stand gekomen. Wat betreft het te laat doorgeven van de zittingsdatum erkent gedaagde dat hij de datum pas één dag van tevoren heeft gecommuniceerd, maar voert aan dat dit niet tot relevante schade heeft geleid.
De rechtbank oordeelt dat de advocaat tekort is geschoten door eiseres pas één dag voor de mondelinge behandeling te informeren over de datum, waardoor zij geen nadere stukken kon indienen. De rechtbank acht dit een beroepsfout. Volgens de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat de uitkomst van de eerdere procedure anders zou zijn geweest als de stukken wel waren ingebracht. Ten aanzien van het hoger beroep oordeelt de rechtbank dat geen sprake was van een opdracht of verplichting aan gedaagde om hoger beroep in te stellen. Zonder verplichting kan geen sprake zijn van een tekortkoming. Voor de overige verwijten oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een beroepsfout of dat geen causaal verband met schade is aangetoond. De rechtbank wijst kortom alle vorderingen van eiseres af.
Rechtbank Limburg 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8074
Eiser vordert schadevergoeding van het Waterschap Limburg wegens wateroverlast op zijn perceel in augustus 2010, waardoor bomen zijn afgestorven of minder goed zijn gegroeid. Volgens eiser is het Waterschap tekortgeschoten in haar zorgplicht door het gevoerde waterbeheerbeleid en het functioneren van stuw LAH3.
De rechtbank stelt voorop dat het Waterschap een inspanningsverplichting heeft en dat haar beleid — gebaseerd op het Nieuw Limburgs Peil en Europese regelgeving — formele rechtskracht heeft. Dit betekent dat het beleid van het Waterschap juridisch bindend is geworden en niet meer ter discussie kan worden gesteld in een civiele procedure. De rechtbank moet er daarom van uitgaan dat het beleid rechtmatig is vastgesteld en uitgevoerd. De uitvoering van dit beleid kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt.
Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat het waterpeil boven het maaiveldniveau is gestegen. De schade is mede veroorzaakt door het eigen drainagesysteem van eiser, waarvoor het Waterschap niet verantwoordelijk is. Ook het functioneren van stuw LAH3 levert geen normschending op: het waterpeil bleef binnen de toelaatbare grenzen en de stroomrichting was adequaat beheerst. De plaatsing van een terugslagklep in 2011 was een passende reactie op klachten van eiser, maar het Waterschap was niet gehouden dit eerder te doen.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een schending van de zorgplicht en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
Rechtbank Noord-Holland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9684
Eisers vorderen schadevergoeding wegens gebitsletsel van hun minderjarige zoon, veroorzaakt door een kopstoot van een klasgenoot op school. Zij stellen de ouders van deze klasgenoot aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade van hun zoon.
Gedaagden betwisten de toedracht van het incident, de omvang van de schade en doen een beroep op eigen schuld van het slachtoffer. Zij erkennen wel dat er fysiek contact is geweest waarbij het hoofd van hun zoon de tanden van het slachtoffer heeft geraakt.
De kantonrechter oordeelt dat de kopstoot een inbreuk vormt op de persoonlijke integriteit en daarmee een onrechtmatige daad oplevert. De schade wordt deels erkend en deels betwist. De rechtbank acht het tandheelkundig rapport betrouwbaar en begroot de materiële gevolgschade op € 1.527,57, uitgaande van het meest gunstige scenario. Voor het smartengeld acht de kantonrechter een bedrag van € 750 passend, gelet op de pijn, behandeling en het blijvende ongemak. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer zelf ook heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade door een duw te geven voorafgaand aan het incident. De eigen schuld wordt daarom vastgesteld op 25%.
De ouders van de klasgenoot worden op grond van artikel 6:169 lid 1 BW voor 75% aansprakelijk gehouden en moeten de schade tot dit percentage vergoeden.