Uitspraken rechtbanken - AVV - oktober 2025

Uitspraken rechtbanken - AVV - oktober 2025

Rechtbank Oost-Brabant 3 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1922

Zilveren Kruis vordert als zorgverzekeraar van een meisje dat van een paard is gevallen schadevergoeding van de manege op grond van artikel 6:179 BW, nadat zij haar medische kosten heeft vergoed. De kernvraag is of het meisje is gevallen door de eigen energie van het paard, zoals vereist is voor risicoaansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW.

De kantonrechter stelt vast dat beide partijen verklaringen hebben overgelegd. Het meisje verklaart dat het paard op hol is geslagen en over een hindernis is gesprongen, terwijl de instructrice stelt dat het meisje zelf opdracht gaf tot de sprong en daarna haar evenwicht verloor. Volgens de instructrice heeft het paard geen ongewenst gedrag vertoond en is het niet op hol geslagen.

Artikel 6:179 BW bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door de eigen energie of eigen gedraging van het dier, mits het dier niet handelt als instrument van de begeleider of berijder. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat risicoaansprakelijkheid alleen geldt als het dier zelfstandig handelt en niet wanneer het dier doet wat van hem wordt verlangd (HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1041).

De kantonrechter oordeelt dat niet bewezen is dat het paard op hol is geslagen en zelfstandig over de hindernis is gesprongen. Het staat dan ook niet vast dat het meisje door de eigen energie van het paard is gevallen, op grond waarvan de vordering ex art. 6:179 BW wordt afgewezen..

Rechtbank Amsterdam 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6432

In deze deelgeschilprocedure vordert verzoeker schadevergoeding van GGZ inGeest en haar verzekeraar Centramed wegens het overlijden van zijn broer na een val tijdens een vluchtpoging uit de gesloten afdeling van de GGZ-instelling.

De broer is, samen met een medepatiënt, via een voetbaltafel op de muur van de patio geklommen. Die tafel was door hen vanuit een binnenruimte naar de patio versleept en daar op zijn kant tegen de muur geplaatst. Vervolgens is hij van de muur afgesprongen of gevallen en in de ondiepe gracht daarachter terechtgekomen.

Volgens verzoeker heeft GGZ inGeest medisch onzorgvuldig gehandeld, onvoldoende toezicht gehouden en was de muur van de patio gebrekkig. Verweerders betwisten aansprakelijkheid en stellen dat er voldoende zorg en toezicht is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de patiënt verbleef op een gesloten afdeling vanwege ernstige psychiatrische problematiek. Op de dag van het incident heeft de patiënt, samen met een medepatiënt, een voetbaltafel tegen de muur van de patio geplaatst, is daarop geklommen en vervolgens in de achterliggende gracht gevallen, met fatale gevolgen.

De rechtbank oordeelt dat GGZ inGeest heeft gehandeld conform de professionele standaard en de HIC-methodiek, waarbij een balans wordt gezocht tussen behandeling en toezicht. Het feit dat de patiënt aangaf weg te willen past bij zijn ziektebeeld en rechtvaardigt geen intensiever toezicht dan het gehanteerde 15-minuten oog-in-oog contact. Ook het schuiven met de voetbaltafel werd door de begeleiders terecht geïnterpreteerd als katatoon gedrag. Dit houdt in dat een verstoring van de motoriek en het gedrag plaatsvindt, hetgeen zich kan uiten in zowel extreme bewegingsloosheid of overbeweeglijkheid. Dit gedrag werd daardoor niet als een vluchtpoging aangemerkt. Er was geen aanleiding om het toezicht verder te verscherpen, aldus de rechtbank.

Ten aanzien van de muur van de patio oordeelt de rechtbank dat deze, met een hoogte van 3,34 meter, voldoet aan de eisen voor een gesloten instelling. Dat een andere patiënt (een geoefende freerunner) eerder over de muur is geklommen, maakt de opstal niet gebrekkig. Er zijn volgens de rechtbank geen bouwkundige normen of eisen geschonden.

De rechtbank wijst de vorderingen af. De kosten van het deelgeschil komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Rechtbank Rotterdam 11 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10969

Verzoeker vordert schadevergoeding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) wegens letselschade na een ongeval op 21 september 2022, waarbij hij werd aangereden door een onverzekerd golfkarretje bestuurd door een medewerker van het COA. De discussie tussen partijen spitst zich toe op het juridisch causaal verband tussen de klachten van verzoeker en het ongeval, en op de afwikkeling van de schade.

De rechtbank stelt vast dat het COA aansprakelijkheid heeft erkend voor het ongeval. Uit het medisch advies dat beide partijen gezamenlijk hebben aangevraagd blijkt dat het ongeval heeft geleid tot een hernieuwde luxatie van rugklachten. De rechtbank overweegt ten aanzien van het juridisch causaal verband tussen het letsel en het ongeval allereerst dat verzoeker de bestaande klachten niet voor het ongeval ervaarde. Voorts stelt de rechtbank vast dat de klachten op zich door het ongeval kunnen worden veroorzaakt. Vervolgens ontbreken alternatieve oorzaken voor de klachten, aldus de rechtbank.

De rechtbank toetst het handelen van het COA in het schaderegelingsproces vervolgens aan de maatschappelijke betamelijkheid en de Gedragscode Behandeling Letselschade. Hoewel het COA geen verzekeraar is en de gedragscode niet rechtstreeks geldt, mag van het COA een proactieve en zorgvuldige houding in de schadeafwikkeling worden verwacht. De rechtbank overweegt dat een dergelijke houding niet aanwezig was vanuit het COA. Verzoeker voerde aan dat het COA de in de Gedragscode Behandeling Letselschade genoemde termijn voor erkenning van aansprakelijkheid heeft overschreden. Dit wijst de rechtbank van de hand, omdat het COA de aansprakelijkheid binnen een maand na de aansprakelijkstelling duidelijk heeft erkend, zodat er op dit punt geen sprake is van een onrechtmatige vertraging. De rechtbank overweegt daarentegen wel dat het COA niet proactief heeft gehandeld in de schadeafwikkeling door traag te zijn met het huisbezoek, hetgeen niet in overeenstemming is met de maatschappelijke betamelijkheid richting een slachtoffer van een ongeval. Voorts acht de rechtbank het ook onredelijk en onrechtmatig dat de toegezegde voorschotten niet binnen redelijke termijn zijn uitbetaald. De rechtbank oordeelt dat het COA op voornoemde punten onzorgvuldig heeft gehandeld waardoor verzoeker extra psychisch leed heeft ondervonden in de vorm van secundaire victimisatie (artikel 6:106 lid 1 sub b BW).

Het COA wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullend voorschot op de schade van € 50.000 en een bedrag van € 750 aan smartengeld wegens secundaire victimisatie. De kosten van het deelgeschil komen voor rekening van het COA.

Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5827

Verzoeker, een zzp’er werkzaam als schilder, werd door een schildersbedrijf ingeschakeld voor herstelwerkzaamheden aan een nieuwbouwwoning. Na aankomst ontstond een conflict met de bewoners, omdat zij vonden dat verzoeker meer moest schilderen dan waar hij aangaf voor te komen. Vervolgens werd verzoeker door de vrouwelijke bewoonster fysiek aangevallen. Verzoeker liep lichamelijk letsel en psychische klachten (PTSS) op. 

Verzoeker vordert een verklaring voor recht dat de hoofdaannemer/uitvoerder en diens aansprakelijkheidsverzekeraar ASR, de onderaannemer/opdrachtgever en diens aansprakelijkheidsverzekeraar Achmea, alsmede de bewoonster hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de mishandeling. Hij baseert zich jegens de bewoonster op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en jegens de hoofdaannemer en onderaannemer op werkgeversaansprakelijkheid (artikel 7:658 lid 4 BW).

De bewoonster betwist dat zij verzoeker heeft mishandeld en stelt slechts een duw te hebben gegeven. De hoofdaannemer voert aan dat zij geen materieel werkgever is en geen gezag had over verzoeker, en dat het schilderwerk niet tot haar bedrijfsuitoefening behoort. Subsidiair stelt zij dat zij niet kon voorzien dat een geweldsincident zou plaatsvinden. De onderaannemer stelt dat zij een adequaat veiligheidsbeleid voert en dat er geen aanleiding was om te verwachten dat de bewoners fysiek geweld zouden gebruiken.

De rechtbank oordeelt dat artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing is, omdat verzoeker als zzp’er in de uitoefening van het bedrijf van de hoofdaannemer en onderaannemer werkzaamheden verrichtte en voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van deze partijen. Volgens de rechtbank waren beide bedrijven op de hoogte van eerdere problemen en verbale agressie door de bewoners en hadden zij verzoeker hierover moeten informeren en passende maatregelen moeten treffen. Door dit na te laten, is volgens de rechtbank de zorgplicht geschonden. Ten aanzien van de bewoonster oordeelt de rechtbank dat uit de verklaringen van getuigen blijkt dat zij verzoeker daadwerkelijk heeft mishandeld, waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Volgens de rechtbank geldt met betrekking tot de aansprakelijkheid van Achmea en ASR dat zij op basis van artikel 7:954 BW gehouden zijn de schade te vergoeden, nu zij in de procedure zijn verschenen en op dit punt geen afzonderlijk verweer hebben gevoerd. De rechtbank verklaart voor recht dat de hoofdaannemer/uitvoerder, ASR, de onderaannemer/opdrachtgever, Achmea en de bewoonster hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van verzoeker.

Rechtbank Overijssel 17 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5630

Eiser schakelde samen met zijn toenmalige echtgenote een advocaat-mediator in voor begeleiding bij hun echtscheiding. De advocaat diende, op verzoek van alleen de ex-echtgenote, een echtscheidingsverzoek in bij de rechtbank, zonder voorafgaand overleg met eiser. Hierdoor viel de echtscheiding nog onder het oude recht, waardoor eiser maximaal twaalf jaar partneralimentatie moest betalen in plaats van maximaal vijf jaar. In deze zaak stelt eiser de advocaat aansprakelijk voor de schade die hieruit is voortgekomen.

Eiser vordert een verklaring voor recht dat de advocaat-mediator tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door niet de zorgvuldigheid te hebben betracht die van haar mocht worden verwacht en dat de advocaat aansprakelijk is voor de daardoor geleden en de nog te lijden schade.

De advocaat voert aan dat zij wel toestemming had van de ex-echtgenote, dat zij heeft gehandeld in het belang van beide partijen, en dat er geen causaal verband is tussen haar handelen en de gestelde schade.

De rechtbank oordeelt dat de advocaat-mediator een beroepsfout heeft gemaakt door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat-mediator mag worden verwacht. Zij had partijen moeten wijzen op het belangenconflict en hen moeten adviseren ieder een eigen advocaat in te schakelen, aldus de rechtbank. De rechtbank oordeelt echter dat niet is komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk schade heeft geleden door deze beroepsfout. Volgens de rechtbank zou de ex-echtgenote, ook zonder de fout, het verzoekschrift alsnog tijdig hebben ingediend, zodat dezelfde alimentatieregeling tot stand zou zijn gekomen. De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen.

Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5841

Eiser sloot als zzp’er een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: ‘AOV’) bij TAF. Bij de aanvraag van de AOV heeft eiser een gezondheidsverklaring ingevuld en de vraag naar (eerder) drugsgebruik ontkennend beantwoord. Toen eiser arbeidsongeschikt raakte, weigerde TAF uitkering en zegde de verzekering op, omdat eiser bij de aanvraag had verzwegen dat hij drugs gebruikte. Volgens TAF zou de arbeidsongeschiktheid (mede) door dit drugsgebruik zijn veroorzaakt. Eiser vordert nakoming van de verzekeringsovereenkomst.

TAF stelt dat eiser zijn mededelingsplicht heeft geschonden en opzettelijk heeft misleid (artikel 7:928 lid 5 BW). Ook zou een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van het drugsgebruik geen verzekering hebben afgesloten (artikel 7:928 lid 4 BW). Verder beroept TAF zich op de uitsluitingsclausule waarin staat dat er geen recht op uitkering bestaat indien de arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens of (mede) het gevolg is van het gebruik van alcohol, en/of van verdovende middelen, en/of van bedwelmende en/of opwekkende en/of soortgelijke middelen.

Eiser stelt dat TAF de verzekering niet mocht beëindigen en de uitkering niet mocht weigeren, omdat hij weliswaar het vragenformulier niet volledig juist heeft ingevuld, maar er volgens hem geen sprake was van opzet tot misleiding. Daarnaast zou het drugsgebruik al langere tijd geleden hebben plaatsgevonden en betwist hij dat TAF hem in dat geval zou hebben geweigerd. Bovendien zou er geen causaal verband zijn tussen zijn drugsgebruik en de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden door bij de aanvraag van de verzekering niet te melden dat hij eerder drugs had gebruikt. Desondanks overweegt de rechtbank dat TAF niet gerechtigd was om de verzekering te beëindigen en de uitkering te weigeren. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat sprake was van jarenlang drugsgebruik ten tijde van de aanvraag, noch dat eiser opzettelijk heeft misleid. Hij handelde namelijk op advies van zijn assurantietussenpersoon. Ook heeft TAF volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering bij kennis van het incidentele drugsgebruik uit het verleden zou hebben geweigerd. Tevens overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van eiser is ontstaan tijdens of als gevolg van drugsgebruik. Het beroep van TAF op de uitsluitingsclausule slaagt daarom ook niet.

De rechtbank concludeert dat TAF ten onrechte de verzekering heeft beëindigd en uitkering heeft geweigerd. De verzekeringsovereenkomst moet worden voortgezet. Over het recht op uitkering en de omvang daarvan moet TAF zich nog uitlaten; de zaak wordt daartoe aangehouden.

Rechtbank Oost-Brabant 24 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5913

Eiser drijft een onderneming in de seksbranche en sluit op 1 november 2008 een arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij TAF (gedaagde). Op 1 juli 2021 raakt eiser arbeidsongeschikt. Gedaagde stelt de hoogte van de maandelijkse uitkering, conform haar polisvoorwaarden, vast op basis van het gemiddelde inkomen van eiser over de drie voorafgaande kalenderjaren (2018-2020). Eiser vordert dat de uitkering niet wordt berekend over 2018-2020, maar over 2017-2019 omdat het inkomen in 2020 door de coronapandemie lager was. Volgens eiser is vanwege de coronapandemie sprake van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW, waardoor de polisvoorwaarden met terugwerkende kracht moeten worden gewijzigd. Eiser verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1974). In dit arrest is geoordeeld dat huurders die voor hun omzet afhankelijk zijn van de komst van publiek en als gevolg van coronamaatregelen hun gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts beperkt kunnen exploiteren, te maken hebben met een onvoorziene omstandigheid die een vermindering van de huurprijs rechtvaardigt. Gedaagde stelt dat eiser geen beroep doet op de coronapandemie maar op de omzetdaling. Een dergelijke omzetdaling is volgens gedaagde voorzienbaar en verdisconteerd in de verzekeringsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat het arrest van de Hoge Raad niet naar analogie kan worden toegepast. Volgens de kantonrechter heeft eiser niet aangevoerd in welk opzicht de huurovereenkomst lijkt op de verzekeringsovereenkomst. Verder oordeelt de kantonrechter dat de coronapandemie en de overheidsmaatregelen weliswaar onvoorzienbaar waren, maar de financiële gevolgen daarvan verdisconteerd zijn in de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De uitkering is volgens de kantonrechter namelijk afhankelijk van het gemiddelde inkomen over drie jaar, waardoor zowel stijgingen als dalingen, ongeacht de oorzaak, zijn meegenomen in de afspraken. Naar het oordeel van de kantonrechter is er daarom geen sprake van een onvoorziene omstandigheid. De vordering van eiser wordt om die reden afgewezen.

Rechtbank Den Haag 30 september 2025, ECLI:2025:17049

Op de Hoefkade in Den Haag vond een aanrijding plaats tussen eiser, de automobilist, en gedaagde (nummer 3), de 14-jarige bestuurder van een fatbike. De remmen van de fatbike functioneerden niet, waardoor de 14-jarige bestuurder vanuit een uitrit, waar hij voorrang had moeten verlenen, de weg opreed en tegen de rechterflank van de auto botste. Eiser vordert vergoeding van zijn autoschade van € 3.439,73 dan wel 75% van dat bedrag, van de ouders (gedaagden 1 en 2) van gedaagde 3, en van gedaagde 3 zelf. Daarnaast vordert eiser dat gedaagden worden veroordeeld tot vergoeding van de expertisekosten. Gedaagden hebben de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Zij stellen dat van eiser, als automobilist, een grotere mate van oplettendheid mocht worden verwacht, dat hij onvoldoende heeft geanticipeerd en niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een aanrijding tussen een automobilist en een elektrische fiets die niet als motorrijtuig is aan te merken. Verder stelt de kantonrechter dat de vordering van eiser beoordeeld dient te worden aan de hand van de artikelen 6:162 BW en 6:169 BW (risicoaansprakelijkheid van ouders) waarbij geldt dat artikel 185 WVW reflexwerking heeft.

De kantonrechter overweegt dat eerst de toedracht van het ongeval moet worden vastgesteld om de aansprakelijkheid te kunnen beoordelen. Daarbij oordeelt de kantonrechter dat gedaagde 3 aan eiser geen voorrang heeft verleend en daarmee schuldig is aan het ongeval. Voorts beoordeelt de kantonrechter het beroep van eiser op overmacht. Dit beroep slaagt niet omdat er aan de zijde van gedaagde 3 geen sprake was van opzet of roekeloosheid. Om die reden komt in beginsel minimaal 50% van de schade voor rekening van eiser (zelf). In het kader van de causaliteitsverdeling overweegt de kantonrechter dat het eiser kan worden aangerekend dat hij bij het naderen van de kruising onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeersfout van gedaagde 3. Aan gedaagde 3 rekent de kantonrechter toe dat hij geen voorrang heeft verleend, onvoldoende voorzichtig heeft gereden en gebruik maakte van een elektrische fiets waarvan de remmen niet goed functioneerden. Op basis hiervan stelt de kantonrechter de causaliteitsverdeling vast op 60% voor eiser en 40% voor gedaagden 1 en 2. De kantonrechter oordeelt verder dat de ernst van de gemaakte fouten van partijen op zichzelf geen aanleiding geeft tot toepassing van de billijkheidscorrectie, maar dat de jonge leeftijd van gedaagde 3 en het door hem opgelopen letsel daartoe wel nopen. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt de billijkheid daarom mee dat 70% van de schade voor rekening van eiser komt en 30% voor rekening van gedaagden 1 en 2 (de ouders). Deze verdeling acht de kantonrechter ook billijk ten aanzien van de expertisekosten.