Uitspraken rechtbanken - AVV - juli 2026
Rechtbank Den Haag 30 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27975
Eisers hadden een reisverzekering afgesloten bij Achmea. Tijdens een vakantie in Frankrijk werd eiseres met spoed opgenomen en geopereerd wegens een ernstige infectie. In de periode daarna is veelvuldig contact geweest met de alarmcentrale van Achmea (Eurocross) over de medische situatie, kosten en repatriëring. Eisers stellen dat de geboden hulp onvoldoende was en dat dit heeft geleid tot stress, angst en psychische klachten.
Eisers vorderen immateriële schadevergoeding van € 10.000 voor eiser en € 30.000 voor eiseres, stellende dat Achmea toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst.
Achmea voert verweer en stelt dat Eurocross conform de polisvoorwaarden heeft gehandeld en zich voldoende heeft ingespannen om hulp te bieden.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiser reeds strandt omdat geen sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 BW. Enkel gevoelens van stress of onbehagen zijn daarvoor onvoldoende. Van geestelijk letsel in juridische zin is evenmin gebleken.
Ten aanzien van eiseres oordeelt de rechtbank dat, hoewel vaststaat dat zij ingrijpende medische en psychische klachten heeft ondervonden, niet kan worden vastgesteld dat deze het gevolg zijn van het handelen of nalaten van Eurocross.
De rechtbank oordeelt voorts dat Achmea niet toerekenbaar is tekortgeschoten. Op Achmea rustte een inspanningsverplichting en uit het dossier blijkt dat Eurocross veelvuldig contact heeft onderhouden, medische informatie heeft opgevraagd en gedeeld, ondersteuning heeft geboden bij de betaling van kosten en de repatriëring heeft geregeld. Dat niet op elk moment direct contact met behandelend artsen kon worden gelegd of dat het traject sneller had gekund, is onvoldoende om een tekortkoming aan te nemen. Ook klachten over de taalbarrière komen volgens de rechtbank voor rekening en risico van eisers.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatig handelen door Achmea en wijst de vorderingen af.
Rechtbank Oost-Brabant 14 januari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:564
Eisers hebben een appartement gekocht dat door verkoper was getransformeerd van winkel naar woning. De levering kon op de afgesproken datum niet plaatsvinden, omdat de splitsingsakte nog niet was aangepast. In overleg is de levering uitgesteld, terwijl eisers het appartement al wel in gebruik namen. Uiteindelijk heeft de levering pas anderhalf jaar later plaatsgevonden, waarna eisers stelden schade te hebben geleden doordat hun hypotheekofferte was verlopen en zij een nieuwe lening moesten afsluiten tegen een aanzienlijk hogere rente.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat verkoper toerekenbaar tekort is geschoten en schadevergoeding, alsmede herstel van gestelde gebreken. Verkoper betwist aansprakelijkheid en stelt dat partijen in onderling overleg een latere leveringsdatum zijn overeengekomen en dat eisers het appartement al feitelijk in gebruik hadden genomen. Daarnaast voert verkoper aan dat eisers op de hoogte waren of hadden kunnen zijn van de afwijkende bestemming. In vrijwaring stelt verkoper de verkoopmakelaar aansprakelijk, en in ondervrijwaring probeert de verkoopmakelaar de aankoopmakelaar aansprakelijk te houden.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een tekortkoming van verkoper. Partijen zijn immers overeengekomen dat levering ook later kon plaatsvinden en hebben daadwerkelijk afspraken gemaakt over uitstel. Eisers hebben bovendien zonder voorbehoud ingestemd met dit uitstel en het appartement al betrokken. Dat de juridische levering pas later heeft plaatsgevonden, levert onder deze omstandigheden geen tekortkoming op, aldus de rechtbank.
De rechtbank overweegt voorts dat eisers op de hoogte waren of hadden kunnen zijn van de bestemming “winkel”, nu dit uit de verstrekte stukken bleek en ook door hun aankoopmakelaar was gesignaleerd. Eventuele fouten of omissies van de aankoopmakelaar komen in de verhouding tot verkoper voor rekening en risico van eisers. Daarnaast hadden eisers andere opties, zoals ontbinding of het vorderen van nakoming met boete, maar hebben zij ervoor gekozen het appartement te betrekken en in te stemmen met uitstel zonder voorwaarden. De gestelde schade als gevolg van de hogere hypotheekrente komt daarom volgens de rechtbank voor rekening van eisers. Ook de vordering tot herstel van gebreken wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat hierover afspraken zijn gemaakt.
De rechtbank wijst de vorderingen van eisers in de hoofdzaak af, zodat ook de vorderingen in de vrijwaringszaak en ondervrijwaringszaak worden afgewezen. In de ondervrijwaringszaak wordt de verkoopmakelaar verder niet-ontvankelijk verklaard bij de gevorderde verklaring voor recht dat de aankoopmakelaar tekortgeschoten is in de verplichtingen jegens de eisers in de hoofdzaak. De verkoopmakelaar is namelijk geen partijbij de rechtsverhouding tussen eisers en de aankoopmakelaar.
Rechtbank Overijssel 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7746
Op 31 oktober 2022 heeft een kop-staartaanrijding plaatsgevonden tussen de auto van verzoeker en een gehuurde bestelbus. Allianz is de WAM‑verzekeraar van de bus en heeft in november 2022 zonder voorbehoud aansprakelijkheid erkend en een voorschot van € 10.500 betaald. Nadien heeft Allianz onderzoek gedaan naar de toedracht, mede omdat betrokkenen voorkwamen in onderzoeken naar opzettelijke aanrijdingen. Op 6 september 2024 is Allianz teruggekomen op de erkenning van aansprakelijkheid.
Verzoeker verzoekt in deze deelgeschilprocedure onder meer een verklaring voor recht dat Allianz ten onrechte haar erkenning heeft ingetrokken, dat Allianz aansprakelijk is voor zijn schade en dat aanvullende voorschotten en buitengerechtelijke kosten worden betaald.
Allianz voert verweer en stelt dat zij op haar erkenning mocht terugkomen. Volgens Allianz is sprake van een in scène gezette aanrijding, althans bestaan ernstige twijfels over de authenticiteit. Daartoe wijst Allianz onder meer op betrokkenheid van een bekende fraudeur, afwijkend rijgedrag volgens GPS‑data, tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en het ontbreken van medewerking van verzoeker aan onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat een verzekeraar in beginsel niet mag terugkomen op een erkenning van aansprakelijkheid, maar dat daarop uitzonderingen mogelijk zijn, onder meer bij bedrog, dwaling of indien dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De rechtbank overweegt vervolgens dat Allianz voldoende omstandigheden heeft aangevoerd die ernstige twijfel oproepen over de authenticiteit van de aanrijding. Daarbij acht de rechtbank het afwijkende rijgedrag van de bus, de betrokkenheid van een persoon die is veroordeeld voor verzekeringsfraude, de tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en het ontbreken van medewerking van verzoeker aan het onderzoek van belang. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat Allianz op haar erkenning is teruggekomen.
De rechtbank oordeelt tot slot dat verzoeker niet heeft aangetoond dat sprake is van een authentieke aanrijding en wijst de verzoeken af. Ook de gevraagde voorschotten en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. De kosten van het deelgeschil worden niet begroot, omdat verzoeker geen specificatie heeft overgelegd.
Rechtbank Den Haag 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27993
Verzoeker was op 6 augustus 2021 als inleenkracht werkzaam bij een komkommerkwekerij en kreeg tijdens het oogsten een blad van een komkommerplant in zijn rechteroog. Hierdoor raakte zijn hoornvlies beschadigd en ontwikkelde zich een ernstige schimmelinfectie. Verzoeker heeft uiteindelijk het zicht in dit oog verloren.
Verzoeker verzoekt in deze deelgeschilprocedure onder meer een verklaring voor recht dat de komkommerkwekerij aansprakelijk is voor het ongeval op grond van art. 7:658 lid 2 jo. 4 BW en een veroordeling tot vergoeding van zijn schade.
Het uitzendbureau en de komkommerkwekerij (hierna: ‘verweerders’) voeren verweer en betwisten zowel het causaal verband tussen het incident en het letsel als de schending van de zorgplicht. Zij stellen dat het risico op dergelijk oogletsel gering is en dat de schade is veroorzaakt door een lichaamseigen schimmel. Daarnaast beroepen zij zich op eigen schuld van verzoeker.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is aangetoond dat sprake is van causaal verband tussen het contact met het komkommerblad en het ontstaan van het letsel. Daarbij is van belang dat uit medische informatie volgt dat het letsel is ontstaan na het oogincident en dat een schimmelinfectie door een verwonding kan worden veroorzaakt.
De kantonrechter overweegt dat de komkommerkwekerij niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 BW. Het risico op oogletsel bij het oogsten van komkommers is, volgens de rechter, niet zeldzaam en had aanleiding moeten zijn om passende veiligheidsmaatregelen te treffen. De komkommerkwekerij heeft nagelaten om een veiligheidsbril ter beschikking te stellen en om adequate instructies te geven, waaronder het gebruik van spoelflessen na een incident. De kantonrechter oordeelt aldus dat de komkommerkwekerij aansprakelijk is voor de schade van verzoeker.
Het beroep op eigen schuld wordt verworpen, nu geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van verzoeker.
De kantonrechter wijst de verzoeken toe en veroordeelt de komkommerkwekerij en haar verzekeraar tot vergoeding van de schade en de kosten van het deelgeschil.
Rechtbank Midden-Nederland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3086
Eiser verrichtte montagewerkzaamheden aan een staalconstructie. De hoofdaannemer had voor deze werkzaamheden onderaannemer Bentstaal ingeschakeld. Bentstaal heeft op haar beurt MBMN ingeschakeld. Eiser was in dat kader werkzaam voor MBMN.
Op 11 oktober 2017 gleed eiser uit op een gladde betonvloer waarop een sliblaag was ontstaan en liep daarbij een dubbele enkelbreuk op. Eiser stelt Bentstaal en MBMN aansprakelijk op grond van art. 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW. Eiser verzoekt onder meer een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor zijn schade en verwijzing naar de schadestaatprocedure. MBMN en Bentstaal voeren verweer en betwisten aansprakelijkheid.
De kantonrechter oordeelt dat MBMN onder het bereik van art. 7:658 lid 4 BW valt, omdat eiser voor de veiligheid van zijn werkzaamheden (mede) afhankelijk was van MBMN. Daarbij is van belang dat MBMN feitelijk leiding gaf op de werkvloer en invloed had op de werkomstandigheden. Bentstaal valt niet onder het bereik van deze bepaling, nu niet is gebleken dat zij invloed had op de werkomstandigheden van eiser.
De kantonrechter overweegt allereerst dat eiser schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat MBMN in beginsel aansprakelijk is, tenzij zij aan haar zorgplicht heeft voldaan of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.
De kantonrechter oordeelt dat MBMN haar zorgplicht heeft geschonden. De aanwezigheid van een sliblaag vormt geen alledaags risico. Hoewel mogelijk is gewaarschuwd voor het gevaar, zijn geen afdoende preventieve maatregelen getroffen. Met name het afzetten van de werkplek had eenvoudig kunnen plaatsvinden en had van MBMN mogen worden verwacht.
Het verweer dat eiser bewust roekeloos heeft gehandeld wordt verworpen, nu niet is gebleken dat eiser zich daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn handelen.
Het beroep op verjaring slaagt eveneens niet, omdat de verjaring tijdig is gestuit door een aansprakelijkstellingsbrief waarvan de ontvangst voldoende is aangetoond.
De kantonrechter concludeert dat MBMN aansprakelijk is voor de schade van eiser en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure. De vordering tegen Bentstaal wordt afgewezen en MBMN wordt veroordeeld in de proceskosten.
Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6034
Eiseres is sinds 2016 in dienst als docent bij gedaagde en meldt zich in 2019 ziek met psychische klachten. Zij stelt dat zij een depressie, burn-out en PTSS heeft ontwikkeld door een structureel onveilige werksituatie, bestaande uit intimidatie, pesterijen, overbelasting en gebrek aan ondersteuning door haar werkgever. In 2024 stelt zij gedaagde aansprakelijk voor haar schade.
Eiseres vordert onder meer een verklaring voor recht dat werkgever aansprakelijk is en veroordeling tot vergoeding van materiële en immateriële schade, alsmede een voorschot op smartengeld.
Gedaagde voert verweer en betwist dat sprake is geweest van schadelijke werkomstandigheden en van een causaal verband tussen de werkzaamheden en de klachten.
De kantonrechter oordeelt op de eerste plaats dat de vordering niet is verjaard, nu eiseres eerst in 2019 daadwerkelijk bekend is geworden met haar schade en de mogelijke aansprakelijkheid.
De kantonrechter overweegt daarnaast dat op werkneemster de stelplicht rust om aannemelijk te maken dat zij heeft gewerkt onder voor haar gezondheid schadelijke omstandigheden. Eiseres heeft haar stellingen over intimidatie, overbelasting en tegenwerking echter onvoldoende concreet en met objectieve gegevens onderbouwd. De door haar gestelde feiten worden gemotiveerd betwist en zijn niet komen vast te staan, aldus de kantonrechter.
De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden.
De kantonrechter oordeelt voorts dat het causaal verband tussen de psychische klachten en de werkzaamheden onvoldoende is aangetoond. Daarbij is van belang dat sprake is van multicausale klachten en dat het door eiseres overgelegde medisch advies grotendeels is gebaseerd op haar eigen verklaringen en onvoldoende inzicht geeft in andere mogelijke oorzaken.
De kantonrechter oordeelt eveneens dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de omkeringsregel.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet aansprakelijk is en wijst de vorderingen af. De proceskosten worden gecompenseerd.
Rechtbank Noord-Nederland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2184
Kitoenia Shipping B.V. (hierna: Kitoenia) had haar schip verzekerd bij TVM. Vervolgens is het schip tegen een sluisdeur gevaren. De stuurvrouw had op dat moment een te hoog alcoholpromillage om te mogen varen. TVM weigerde dekking op grond van een alcoholuitsluitingsclausule.
Kitoenia vordert onder meer een verklaring voor recht dat TVM gehouden is dekking te verlenen, alsmede vergoeding van haar schade. Kitoenia stelt dat geen causaal verband bestaat tussen het alcoholgebruik en de aanvaring en dat toepassing van de alcoholclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast beroept Kitoenia zich op de ‘insluiting’ in de clausule, stellende dat haar geen verwijt kan worden gemaakt.
TVM voert aan dat de alcoholuitsluitingsclausule van toepassing is omdat de schade is ontstaan terwijl de stuurvrouw onder invloed was. Volgens TVM is causaal verband niet vereist. Daarnaast stelt TVM dat Kitoenia niet kan aantonen dat haar geen verwijt treft, mede omdat zij bekend was met eerdere alcoholincidenten van de stuurvrouw.
De rechtbank oordeelt dat de alcoholuitsluitingsclausule van toepassing is. Doorslaggevend is dat de schade is ontstaan terwijl de stuurvrouw onder invloed was; een causaal verband tussen alcoholgebruik en schade is daarvoor niet vereist. Volgens de rechtbank volgt uit de bewoordingen van de clausule (“terwijl” en niet “doordat”) dat dekking reeds bij gelijktijdigheid van alcoholgebruik en het schadeincident, schade is uitgesloten.
Het beroep van Kitoenia op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Onder verwijzing naar het Fjordenpaarden-arrest overweegt de rechtbank dat het maatschappelijk belang meebrengt dat discussie over causaal verband zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het risico op gevaarzettend gedrag onder invloed moet worden tegengegaan. Daarnaast was volgens de rechtbank van meet af aan duidelijk dat geen dekking bestaat voor schade die ontstaat terwijl onder invloed wordt gevaren. Dit is slechts anders in uitzonderlijke gevallen, waarin het alcoholgebruik evident geen enkele rol kan hebben gespeeld bij het ontstaan van de schade. Volgens de rechtbank is van een dergelijke situatie hier geen sprake. Daarom oordeelt de rechtbank dat een beroep van TVM op de alcoholuitsluiting, ook indien het causaal verband zou ontbreken, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Ten aanzien van de insluiting oordeelt de rechtbank dat Kitoenia niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen verwijt treft. Zij wist van eerdere alcoholincidenten van de stuurvrouw en had haar daarom niet meer achter het roer mogen laten. Door dat toch te doen heeft Kitoenia bewust een risico genomen.
De rechtbank concludeert dat TVM dekking mag weigeren en wijst de vorderingen af. Kitoenia wordt veroordeeld in de proceskosten.
Rechtbank Rotterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6339
Een vastgoedvennootschap (hierna: ‘PPT’) vordert vergoeding van brandschade aan een kantoorpand. Zij spreekt de verzekeraars aan op grond van de opstalverzekering en haar assurantietussenpersoon (SAA) wegens schending van de zorgplicht. De verzekeraars hebben slechts 10% van de schade uitgekeerd onder verwijzing naar een risicowijziging in de zin van de polisvoorwaarden.
Het pand was verzekerd als “kantoorgebouw met diverse huurders”. Na faillissement van een belangrijke huurder raakte het pand steeds meer in verval. Nutsvoorzieningen werden afgesloten, delen van het pand werden gestript en het gebouw werd deels gebruikt voor opslag en werd regelmatig door onbevoegden betreden. In 2023 ontstaat brand, vermoedelijk door brandstichting.
PPT stelt dat geen sprake was van een relevante wijziging van het risico en dat de volledige brandschade moet worden vergoed. Subsidiair stelt zij dat SAA haar zorgplicht heeft geschonden doordat zij bij het afsluiten van de verzekering en nadien onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van leegstand en de dekking.
De rechtbank wijst alle vorderingen af. Ten aanzien van de verzekeraars oordeelt de rechtbank dat terecht een beroep is gedaan op risicowijziging. Uit de feiten volgt dat het pand al geruime tijd niet meer werd gebruikt overeenkomstig de verzekerde bestemming, grotendeels leeg stond en werd blootgesteld aan verhoogde risico’s zoals vandalisme en brand. Dat het pand niet volledig leeg was en nog deels werd gebruikt voor opslag doet daaraan niet af. Er is daarmee sprake van leegstand en wijziging van de bestemming in de zin van de polisvoorwaarden. Nu PPT deze wijziging niet heeft gemeld, mochten de verzekeraars de schadevergoeding beperken tot het bedrag dat zou zijn uitgekeerd bij een aangepaste premie.
Ten aanzien van SAA oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een zorgplichtschending bij het afsluiten van de verzekering. SAA mocht afgaan op de door PPT verstrekte informatie dat het pand grotendeels als kantoor werd verhuurd en hoefde geen verdergaand onderzoek te doen. Voor zover SAA tekort is geschoten door later onvoldoende toezicht te houden of niet tijdig te wijzen op de gevolgen van risicowijziging, ontbreekt causaal verband. Indien de wijziging tijdig was gemeld, zouden de verzekeraars de verzekering eveneens onder aangepaste voorwaarden hebben voortgezet, leidend tot dezelfde (beperkte) uitkering.
Bij de beëindiging van de verzekering heeft SAA wel in strijd met haar zorgplicht gehandeld door PPT onvoldoende te wijzen op het risico van onverzekerd zijn en zelfstandig het risico-adres van de polis af te voeren, aldus de rechtbank. Ook hier ontbreekt echter causaal verband, omdat aannemelijk is dat onder de omstandigheden geen verzekering onder gunstiger voorwaarden kon worden verkregen en PPT die voorwaarden zelf niet wilde accepteren.
De vorderingen worden afgewezen en PPT wordt veroordeeld in de proceskosten.
Rechtbank Midden-Nederland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3101
Eiser is eigenaar van een perceel waarop Japanse duizendknoop groeit. Het aangrenzende spoorbaanvak is eigendom van Railinfratrust. Volgens eiser heeft Railinfratrust onvoldoende maatregelen genomen om verspreiding van deze plant naar haar perceel te voorkomen. Eiser heeft kosten gemaakt voor sanering en stelt Railinfratrust daarvoor aansprakelijk.
Eiser vordert vergoeding van de door haar gemaakte saneringskosten. Zij stelt dat Railinfratrust onrechtmatige hinder heeft veroorzaakt (art. 5:37 BW jo. art. 6:162 BW) doordat zij de duizendknoop op haar perceel niet adequaat heeft bestreden en onvoldoende maatregelen heeft genomen om verdere verspreiding te voorkomen.
Railinfratrust voert verweer en stelt dat zij na de melding voortvarend en adequaat heeft gehandeld door onderzoek te laten uitvoeren en een bestrijdingsmethode toe te passen. Daarnaast betwist zij dat vaststaat dat de duizendknoop op het perceel van eiser afkomstig is van haar terrein. In reconventie vordert Railinfratrust vergoeding van door haar gemaakte meerkosten.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van onrechtmatige hinder. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor het aannemen van hinder beslissend is of, gelet op de aard, ernst en duur van de hinder en de overige omstandigheden van het geval, sprake is van onrechtmatig handelen.
Volgens de rechtbank heeft Railinfratrust na de melding voldoende voortvarend en adequaat gehandeld. Zij heeft onderzoek laten uitvoeren en maatregelen genomen, waarbij rekening is gehouden met de veiligheid van het spoor. Dat enige tijd nodig is om een geschikte bestrijdingsmethode te bepalen, kan haar niet worden tegengeworpen.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat de duizendknoop op het terrein van eiser afkomstig is van het perceel van Railinfratrust.
De rechtbank concludeert dat Railinfratrust niet onrechtmatig heeft gehandeld en niet aansprakelijk is voor de saneringskosten van eiser. De vorderingen worden afgewezen.
Rechtbank Den Haag 3 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15375
Eiseres was betrokken bij meerdere verkeersongevallen in de periode 2016–2022 en diende bij NN een schadeclaim in naar aanleiding van een ongeval in 2019. NN heeft voorschotten uitgekeerd en de aansprakelijkheid erkend. In 2024 ontstonden bij NN twijfels over de juistheid van de verstrekte informatie, waarna NN verdere uitkeringen staakte, bedragen terugvorderde en gegevens van eiseres opnam in diverse registers.
Eiseres vordert onder meer verwijdering van haar gegevens uit de registers, hervatting van de schadeafwikkeling en betaling van aanvullende schadevergoeding.
NN voert verweer en stelt dat eiseres relevante medische informatie heeft verzwegen, in het bijzonder haar klachten na een eerdere aanrijding in 2016, en daarmee heeft geprobeerd een hogere uitkering te verkrijgen.
De rechtbank overweegt dat eiseres bij de schadeafhandeling van het ongeval in 2019 een onjuiste en onvolledige voorstelling heeft gegeven van haar medische voorgeschiedenis. Zij heeft nagelaten te melden dat zij na het ongeval in 2016 langdurig vergelijkbare klachten had en dat deze klachten nog tot kort voor het ongeval in 2019 aanwezig waren.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat eiseres, mede gelet op haar ervaring met letselschadezaken, wist of moest begrijpen dat deze informatie van belang was voor de schadebeoordeling. Door deze informatie niet te delen heeft zij NN misleid om een hogere uitkering te verkrijgen. De rechtbank concludeert dat daarmee sprake is van opzettelijke misleiding en dat de opname van de persoonsgegevens van eiseres in het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister, het Intern Verwijzingsregister en de Gebeurtenissenadministratie, alsmede de melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit, gerechtvaardigd en proportioneel is.
De rechtbank overweegt voorts dat niet kan worden vastgesteld dat de door eiseres gestelde schade uitsluitend het gevolg is van het ongeval in 2019, nu dezelfde schadeposten ook zijn opgevoerd in verband met eerdere en latere ongevallen. De vordering tot verdere schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
In reconventie oordeelt de rechtbank dat eiseres aansprakelijk is voor de door NN gemaakte onderzoekskosten, nu zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. De vordering tot terugbetaling van eerder uitgekeerde voorschotten wordt afgewezen, omdat niet voldoende is aangetoond dat deze onverschuldigd zijn betaald.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af, veroordeelt haar tot betaling van de onderzoekskosten en bekrachtigt de registratiemaatregelen van NN.