Uitspraken rechtbanken - AVV - januari 2026
Rechtbank Noord-Nederland 4 september 2024, ECLI:NL:RBNNE:2025:5335
Verzoeker liep op 19 december 2018 ernstig oogletsel op toen in het klaslokaal een party popper afging en confetti in zijn oog terechtkwam. De party popper was meegenomen door een andere klasgenoot en werd door verweerder, destijds 14 jaar oud, na meerdere vergeefse pogingen om hem af te schieten, op verzoek van de docent op tafel gelegd. Op dat moment ging de party popper onverwacht alsnog af, precies toen verzoeker zich voorover boog richting de tafel.
Verzoeker stelde dat verweerder onrechtmatig had gehandeld door de party popper op deze manier weg te leggen en vorderde een verklaring voor recht dat verweerder (en diens verzekeraar) aansprakelijk is voor de schade. Verweerder voerde aan dat het afgaan van de party popper niet te voorzien was en dat hij aan het verzoek van de docent had voldaan.
De rechtbank toetst aan de Kelderluik-criteria en Zwiepende Tak-arrest van de Hoge Raad. Het gebruik van een party popper is op zichzelf niet onrechtmatig; het betreft een algemeen verkrijgbaar feestartikel dat bedoeld is voor gebruik in de nabijheid van mensen. De docent zag geen direct gevaar en had pas ingegrepen toen de klas rustig was. Er is geen aanwijzing dat verweerder de party popper op verzoeker heeft gericht of bewust gevaar heeft veroorzaakt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet hoefde te verwachten dat de party popper bij het wegleggen alsnog zou afgaan en dat ernstig oogletsel zou ontstaan. Het incident wordt door de rechtbank aangemerkt als een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verweerder is daarom niet aansprakelijk voor het letsel van verzoeker. De verzoeken worden afgewezen. De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 2.265,- maar komen alleen voor vergoeding in aanmerking als in een eventuele bodemprocedure alsnog aansprakelijkheid wordt vastgesteld.
Rechtbank Midden-Nederland, 21 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6373
Verzoekster raakte op 5 oktober 2023 op een industrieterrein in Sneek met haar fiets betrokken bij een aanrijding met een vrachtwagen en liep daarbij ernstig letsel aan haar linkerbeen op. Zij verzocht in deze deelgeschilprocedure om voor recht te verklaren dat Achmea geen beroep op overmacht toekomt en aansprakelijk is voor haar schade.
De rechtbank stelt voorop dat bij een ongeval tussen een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (art. 185 WVW) de eigenaar van het motorvoertuig in beginsel aansprakelijk is, tenzij sprake is van overmacht. Overmacht wordt slechts aangenomen als de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt.
Uit het deskundigenrapport en de feiten blijkt dat verzoekster op een overzichtelijke kruising niet tijdig heeft geremd en met haar fiets tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen is gebotst. De vrachtwagen reed met een passende snelheid (ca. 38 km/u) en de chauffeur mocht erop vertrouwen dat hij voorrang zou krijgen. Op het moment dat verzoekster nog 8 meter van de rijbaan was, had zij de vrachtwagen goed kunnen zien en had zij eenvoudig kunnen stoppen. De rechtbank volgt de deskundige dat het voor de chauffeur zo onwaarschijnlijk was dat verzoekster niet zou remmen, dat hij daar geen rekening mee hoefde te houden. Ook als de chauffeur eerder was gaan remmen, had het ongeval niet kunnen worden voorkomen, volgens de rechtbank.
De rechtbank concludeert dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt. De verzoeken van verzoekster worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland, 25 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14073
Verzoeker raakte betrokken bij een vechtpartij in Oostenrijk met verweerder 1 en verweerder 2, waarbij verzoeker aangezichtsletsel opliep en een operatie aan zijn neus moest ondergaan. In een Oostenrijkse strafprocedure hebben verweerders een schikkingsvoorstel geaccepteerd en gezamenlijk € 1.500,- aan schadevergoeding betaald. Verzoeker stelt dat verweerder 1 en 2 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zijn volledige letselschade, omdat de schade volgens hem hoger is dan het reeds ontvangen bedrag. Hij vordert met name smartengeld en vergoeding van verlies aan verdienvermogen.
Verweerder 1 en 2 betwisten de aanvullende schadeposten en stellen dat verzoeker mogelijk ook een aandeel had in het incident. Zij verzoeken de rechtbank te bepalen dat zij niet aansprakelijk zijn voor schade boven het reeds betaalde bedrag.
De rechter oordeelt dat vaststaat dat verweerders verzoeker hebben mishandeld en dat zij op grond van art. 6:162 jo. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor veroorzaakte schade. Een beroep op eigen schuld slaagt niet, nu daar volgens de rechter onvoldoende aanknopingspunten voor bestaan. De omvang van de aanvullende schadeposten is, naar het oordeel van de rechter, nog niet duidelijk en vereist nader onderzoek wat buiten de deelgeschilprocedure valt. Het tegenverzoek van verweerder 1 en 2 wordt afgewezen. Beide verweerders worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil, begroot op € 690,-.
Rechtbank Rotterdam, 26 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13964
Op de Van Brienenoordbrug te Rotterdam vond een kettingbotsing plaats waarbij vijf auto’s betrokken waren. Eiseres liep letselschade op toen zij met haar Renault Captur (vierde voertuig) achterop een Mercedes botste (derde voertuig), waarna een Toyota Aygo op haar auto botste (vijfde voertuig). Eiseres stelt zowel De Vereende, WAM-verzekeraar van de Mercedes, als Univé, WAM-verzekeraar van de Toyota, aansprakelijk voor haar letselschade.
Eiseres stelt jegens De Vereende dat de bestuurder van de Mercedes plotseling van rijstrook wisselde en daarmee in strijd handelde met art. 18 lid 1 RVV, waardoor zij een botsing niet kon vermijden. Ten aanzien van Univé voert eiseres aan dat de achteropaanrijding door de Toyota het gevolg was van onvoldoende afstand houden door de bestuurder van dat voertuig.
De Vereende betwist dat sprake was van een invoegfout en stelt dat haar verzekerde al stilstond achter zijn voorganger en juist door achteropkomend verkeer werd doorgedrukt. Univé erkent dat haar verzekerde met de Toyota achterop de auto van eiseres was gebotst, maar betwist dat haar verzekerde een verkeersfout had gemaakt. Univé stelt dat de oorzaak van de kettingbotsing lag bij de Mercedes, die onverwacht naar rechts invoegde en zo de verkeerssituatie creëerde.
De rechtbank oordeelt dat de bestuurder van de Mercedes een verkeersfout heeft gemaakt door onverwacht naar rechts in te voegen zonder het verkeer op die rijstrook voor te laten gaan, waardoor de kettingbotsing is ontstaan. De Vereende is daarom aansprakelijk voor de letselschade van eiseres als gevolg van de aanrijding met de Mercedes. Ten aanzien van Univé oordeelt de rechtbank dat de bestuurder van de Toyota onvoldoende afstand heeft gehouden en/of onvoldoende oplettend heeft gereden, waardoor zij niet tijdig kon stoppen. Univé is daarom aansprakelijk voor de letselschade van eiseres als gevolg van de achteropaanrijding door de Toyota. Beide verzekeraars worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Rechtbank Noord-Holland, 3 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14392
Eiseres is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarvoor Achmea aansprakelijkheid heeft erkend. Volgens eiseres heeft zij als gevolg van de achteropaanrijding blijvende gezondheidsklachten ontwikkeld. Eiseres vordert een voorschot van € 90.000,- op de door haar geleden en nog te lijden schade en daarnaast een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Achmea betwist het bestaan van de gestelde gezondheidsklachten en het causaal verband met het ongeval. Achmea vordert te bepalen dat de schade van eiseres het bedrag van € 17.000,-, dat zij al aan voorschotten heeft betaald, niet overstijgt en dat de buitengerechtelijke kosten van € 10.000,- voldoende door haar zijn gecompenseerd.
De rechter oordeelt dat de nek-, schouder- en hoofdpijnklachten van eiseres een plausibel en consistent klachtenpatroon vormen en worden ondersteund door het neurologische deskundigenrapport. Verder oordeelt de rechter dat eiseres direct na het ongeval en ook daarna consequent melding heeft gemaakt van deze klachten bij haar huisarts en diverse medisch specialisten. Dat het ongeval, zoals Achmea stelt, met een lage snelheid heeft plaatsgevonden, staat volgens de rechter op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van het causaal verband. Nu vóór het ongeval geen vergelijkbare klachten bestonden en een alternatieve verklaring ontbreekt, concludeert de rechter dat deze klachten het gevolg zijn van het ongeval. Bij gebrek aan objectieve feitelijke onderbouwing kan, naar het oordeel van de rechter, het bestaan van de overige gestelde klachten en het causaal verband daarvan met het ongeval niet worden aangenomen.
De rechter oordeelt verder dat de nek-, schouder- en hoofdpijnklachten van eiseres tot enige beperkingen en schade leiden, ondanks het ontbreken van een objectief medisch substraat. De rechter overweegt echter dat de ernst en impact van deze beperkingen niet kunnen worden vastgesteld, omdat een onafhankelijk deskundigenrapport van een verzekeringsgeneeskundige en (eventueel) daaropvolgend van een arbeidsdeskundige en een gespecialiseerd rekenkundige ontbreken. Daarom oordeelt de rechter dat de schade niet kan worden begroot en wijst het gevorderde voorschot af. Daarnaast oordeelt de rechter dat niet kan worden vastgesteld dat de reeds betaalde voorschotten voldoende zijn. De rechter oordeelt dat de vordering tot aanvullende buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat eiseres deze onvoldoende heeft onderbouwd, maar wijst ook de vordering van Achmea af dat alle kosten reeds zijn vergoed. Tot slot bepaalt de rechter dat Achmea de kosten van het deskundigenrapport moet dragen en raadt de rechter partijen aan om in overleg te treden voor een minnelijke regeling.
Rechtbank Rotterdam 10 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14502
Eiseres en gedaagde volgden een post-HBO-cursus Vakbekwaam Bewegingsonderwijs aan Saxion. Tijdens een gymles voerde eiseres een balanceeroefening uit op een bal, begeleid door gedaagde en andere medecursisten. Eiseres viel tijdens de oefening en liep ernstig orthopedisch letsel op aan haar linkerbeen.
Eiseres stelt dat gedaagde haar onvoldoende heeft ondersteund en in strijd met de instructies heeft gehandeld door haar los te laten en niet actief te begeleiden. Zij vordert een verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor haar (letsel)schade op basis van art. 6:162 BW. Gedaagde en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar, Allianz, betwisten dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens hen heeft gedaagde eiseres losgelaten op haar eigen verzoek. Ze stellen dat geen sprake is van een gevaarzetting, maar van een ongelukkige samenloop van omstandigheden in een sport- en spelsituatie.
De rechtbank oordeelt dat eiseres haar stellingen niet heeft bewezen. Vaststaat dat de docent de cursisten heeft geïnstrueerd dat iemand mag worden losgelaten wanneer hij of zij dat vraagt. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat gedaagde eiseres zomaar heeft losgelaten of haar onvoldoende heeft begeleid. De verklaringen van eiseres zelf zijn niet concreet genoeg en andere getuigen hebben geen direct steunend bewijs geleverd. De rechtbank acht niet bewezen dat gedaagde in strijd met de instructies heeft gehandeld of onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.
Rechtbank Oost-Brabant 17 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8243
Eiser liet haar bedrijfshal uitbreiden. Een constructeur (gedaagde 2) verzorgde de constructieberekeningen, een dakdekker (gedaagde 1) voerde de montage uit. Jaren later stortte een deel van het dak van de bedrijfshal in na hevige regenval, waardoor eiser aanzienlijke schade leed.
Eiser vordert een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de instorting, een voorschot op de schade en verwijzing naar de schadestaatprocedure. De dakdekker beroept zich onder verwijzing naar zijn algemene voorwaarden op verjaring van de vordering, omdat in zijn algemene voorwaarden is opgenomen dat een vordering tot schadevergoeding verjaart na één jaar nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. De constructeur beroept zich op een vervalbeding uit de DNR 2011, waarin staat dat aansprakelijkheid van de adviseur vervalt na vijf jaar na voltooiing van de opdracht.
Eiser stelt onder meer dat de bedingen onredelijk bezwarend zijn, dat de onderlinge onderhandelingen stuitende werking hadden en dat een beroep op deze bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen. Volgens de rechtbank slaagt het beroep van de dakdekker op verjaring, omdat de vordering buiten de contractuele termijn van één jaar valt en niet tijdig is gestuit. Hierbij geldt dat ook bij onderhandelingen geldt dat voor stuiting in beginsel een schriftelijke mededeling is vereist. Gesprekken of onderhandelingen hebben in beginsel geen stuitende werking, aldus de rechtbank.
Het beroep van de constructeur op het vervalbeding slaagt volgens de rechtbank eveneens, omdat de vordering niet binnen vijf jaar is ingesteld en het beding niet onredelijk bezwarend is. Dat het vervalbeding grote gevolgen heeft voor eiser, maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank brengt het enkel spreken over een mogelijke oplossing of een overleg tussen partijen niet mee dat in een later stadium geen beroep meer op een vervalbeding mag worden gedaan.
Rechtbank Amsterdam 17 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9951
De stichting Bureau Clara Wichmann (‘BCW’) voert namens circa 60.000 vrouwen een collectieve actie tegen Allergan c.s. (‘Allergan’), een producent van getextureerde borstimplantaten die in 2018 van de markt zijn gehaald. Een deel van deze vrouwen ervaart ernstige klachten, waaronder het auto-immuunsyndroom ASIA en BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker. BCW stelt dat de implantaten gebrekkig zijn en dat Allergan onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s. Zij vordert onder meer schadevergoeding voor explantatie van de borstimplantaten, de daaropvolgende reconstructie, angst voor BIA-ALCL en het door de vrouwen geleden letsel.
De rechtbank stelt vast dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat de implantaten ASIA-klachten veroorzaken. Allergan heeft Nederlandse artsen vanaf 2003 geïnformeerd over de systemische klachten die vrouwen met implantaten kunnen ervaren in de productbijsluiter bedoeld voor de arts, de zogenaamde “Directions For Use”. BCW heeft onvoldoende gesteld waarom dit eerder had moeten gebeuren.
Voor de BIA-ALCL-klachten geldt volgens de rechtbank dat het risico op deze aandoening bij getextureerde implantaten statistisch relevant is, maar het absolute risico blijft zeer klein (1 op 7.000 tot 75 jaar). De voordelen van de implantaten, onder meer bij borstreconstructies, wegen volgens de rechtbank op tegen het zeer geringe risico. Allergan heeft bovendien vanaf het moment dat het risico bekend was, adequaat gewaarschuwd en de implantaten in 2018 uit de handel genomen. De conclusie is dat Allergan heeft voldaan aan haar verplichtingen als producent. De implantaten die zij tot 2018 in het verkeer heeft gebracht, kunnen na afweging van alle relevante omstandigheden immers door de rechtbank niet als gebrekkig worden beoordeeld en Allergan heeft volgens de rechtbank (de juiste partijen) ook voldoende gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s voldoende kenbaar waren.
De rechtbank oordeelt dat de implantaten niet gebrekkig zijn in de zin van art. 6:186 BW. Eveneens is Allergan niet aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad, aldus de rechtbank.
Bovendien is volgens de rechtbank geen sprake van oneerlijke handelspraktijken. BCW voert aan dat Allergan in strijd heeft gehandeld met de vereisten van professionele toewijding, omdat zij geen behoorlijk onderzoek heeft gedaan naar de risico’s van BIA-ALCL en ASIA, de vrouwen niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s en geen passende nazorg heeft verleend. De wettelijke regeling van oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193a BW e.v.) is gebaseerd op de Europese Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (‘Richtlijn OHP’) en moet worden uitgelegd in het licht van deze richtlijn. De Richtlijn OHP fungeert als vangnet: als er andere, meer specifieke Europese regels zijn die bepaalde handelspraktijken reguleren, gaan die voor op de Richtlijn OHP. De Europese Commissie heeft verduidelijkt dat wanneer een andere EU-regel direct van toepassing is of overlap vertoont met de Richtlijn OHP, deze specifieke regel voorrang heeft. In deze zaak heeft Allergan c.s. aangevoerd – en de rechtbank volgt dit – dat de (voorganger van de) MDR-Verordening betreffende medische hulpmiddelen voorrang heeft. Deze verordening bevat immers gedetailleerde regels over informatieplicht en nazorg specifiek voor medische hulpmiddelen. Daarom kan BCW zich volgens de rechtbank in deze procedure niet beroepen op de Richtlijn OHP.
Tot slot wijst de rechtbank het verzoek van BCW tot inzage in aanvullende stukken af, omdat deze niet relevant zijn voor de beoordeling. De vorderingen van BCW worden afgewezen en BCW wordt veroordeeld in de proceskosten (ruim € 38.000, - ). De rechtbank benadrukt dat, ondanks de impact van de klachten op de levens van de betrokken vrouwen, het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs en de juiste informatievoorziening door Allergan doorslaggevend zijn voor de afwijzing van de vorderingen.