Uitspraken rechtbanken - AVV - februari 2026

Uitspraken rechtbank AVV februari 2026

Rechtbank Rotterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:614

Verzoeker raakte in 2015 betrokken bij een ongeval waarbij hij zijn linkerknie verdraaide toen een loopplank bij zijn woning wegschoof tijdens rioleringswerkzaamheden. De aannemer erkende aansprakelijkheid via haar verzekeraar Zurich. In 2016 onderging verzoeker een operatie aan zijn knie en hervatte hij zijn werkzaamheden. In 2018 vond een arbeidsongeval plaats, waarbij verzoeker in een diep gat viel nadat hij van een trap stapte die was geplaatst door een andere aannemer. Ook voor dit ongeval werd aansprakelijkheid erkend, ditmaal door verzekeraar HDI. Na het tweede ongeval heeft verzoeker zijn werkzaamheden niet meer hervat. 

In het deelgeschil verzoekt verzoeker onder meer om vast te stellen dat beide verzekeraars ex art. 6:99 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zijn huidige knieklachten en dat één van hen als regelend verzekeraar moet optreden. HDI en Zurich voeren aan dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 6:99 BW. HDI meent dat de knieklachten van verzoeker uitsluitend een gevolg zijn van het eerste ongeval, omdat hij zich ook aan de verkalking in zijn knie zou hebben laten opereren als het tweede ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Zurich voert aan dat de schade die voortvloeit uit het eerste ongeval duidelijk is te onderscheiden van de schade die het gevolg is van het tweede ongeval. Volgens Zurich heeft het eerste ongeval geleid tot tijdelijke knieklachten en arbeidsongeschiktheid, waarna verzoeker volledig is hersteld en tot het tweede ongeval klachtenvrij is gebleven. Ook betwist Zurich dat de verkalking in de linkerknie het gevolg is van het eerste ongeval. Verder is volgens Zurich niet voldaan aan het vereiste dat het eerste ongeval de volledige schade, zoals die na het tweede ongeval is ontstaan, heeft kunnen veroorzaken. 

De verzekeraars voeren aan dat de knieklachten uitsluitend het gevolg zijn van het eerste ongeval en dat daarom geen sprake is van een situatie waarin art. 6:99 BW toepassing kan vinden.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 6:99 BW. Daarbij acht de rechtbank van belang dat vaststaat dat verzoeker blijvende knieklachten heeft in de vorm van instabiliteit, die het gevolg zijn van een operatieve verwijdering van verkalking in de mediale band van de linkerknie. Die verkalking is ontstaan door het eerste ongeval, maar de operatie en de daaruit voortvloeiende instabiliteit hangen, naar het oordeel van de rechtbank, samen met de medische ontwikkelingen na beide ongevallen. Bovendien staat volgens de rechtbank vast dat het tweede ongeval opnieuw klachten aan dezelfde knie heeft veroorzaakt. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld welk ongeval de huidige knieklachten in beslissende mate heeft veroorzaakt, terwijl wel vaststaat dat deze klachten door ten minste één van beide ongevallen zijn ontstaan. De rechtbank concludeert daarom dat de huidige knieklachten het gevolg kunnen zijn van beide ongevallen en dat aan de vereisten van art. 6:99 BW is voldaan, zodat de verzekeraars hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dit deel van de schade.

Daarnaast wijst de rechtbank Zurich aan als regelend verzekeraar Omdat Zurich als eerste verzekeraar aansprakelijkheid heeft erkend en al betrokken was bij de schadeafwikkeling, acht de rechtbank het in het belang van een efficiënte, voortvarende en voor verzoeker overzichtelijke schaderegeling aangewezen dat Zurich de volledige schade uitkeert, met behoud van het recht om eventueel regres te nemen op HDI. 

 

Rechtbank Rotterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:530

Bij een eenzijdig verkeersongeval in Spanje met een personenauto met Nederlands kenteken kwamen beide ouders van twee minderjarige kinderen om het leven. Het gezin woonde ten tijde van het ongeval in Nederland. Na het overlijden van hun ouders zijn de kinderen ondergebracht bij hun grootouders en tante in het buitenland, die sindsdien de dagelijkse zorg, opvoeding en huishoudelijke taken op zich nemen. De aansprakelijkheid voor de overlijdensschade is erkend door de verzekeraar National Academic.

Partijen waren het erover eens dat de schade die de kinderen lijden door het overlijden van hun ouders naar Nederlands recht moet worden begroot uit hoofde van het Haags verkeersongevallen verdrag. Tussen partijen ontstond niettemin discussie over de wijze waarop het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot. 

Namens de kinderen wordt aangevoerd dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van een geabstraheerde, fictieve situatie, waarin zij na het overlijden van hun ouders in Nederland zouden zijn blijven wonen. De verzekeraar stelt daartegenover dat schade zoveel mogelijk concreet moet worden vastgesteld en dat moet worden aangesloten bij de feitelijke situatie waarin de kinderen zich bevinden. 

De rechtbank volgt het standpunt van de verzekeraar en oordeelt dat het gederfde levensonderhoud in natura concreet moet worden begroot. Dat betekent dat moet worden uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten van professionele hulp in het land waar de kinderen wonen en, voor zover familie zelf in de zorg voorziet, van de bespaarde kosten van normale en gebruikelijke professionele hulp in datzelfde land. De rechtbank wijst de toepassing van Nederlandse tarieven of de fictie dat de kinderen in Nederland zouden zijn gebleven af, omdat beslissend is dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht ontvangen als zonder het overlijden van hun ouders, en niet welk tarief daarvoor geldt. Wel merkt de rechtbank op dat bij de verdere schadebegroting rekening kan worden gehouden met de mogelijkheid dat de kinderen in de toekomst naar Nederland terugkeren.

Rechtbank Rotterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:519

Een man en zijn toenmalige echtgenote schakelden een mediator in bij hun echtscheiding. In het echtscheidingsconvenant werd een partneralimentatie van € 4.546 bruto per maand afgesproken, waarbij bij de berekening geen rekening was gehouden met de (uitgestelde) bonussen van de man. Enkele jaren later verzocht de vrouw wijziging van de alimentatie, waarna de rechtbank en het hof een fors hogere partneralimentatie vaststelden van ruim € 13.700 bruto per maand.

De man stelt de mediator aansprakelijk wegens een beroepsfout omdat hij tijdens de mediation onjuist zou zijn geïnformeerd over de wettelijke maatstaven voor partneralimentatie. De rechtbank oordeelt dat een redelijk bekwaam mediator partijen correct moet informeren over deze maatstaven en dat dit niet is gebeurd, nu de bonussen ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Daarmee is volgens de rechtbank sprake van een beroepsfout en een toerekenbare tekortkoming.

Het beroep op niet-tijdig klagen wordt door de rechtbank verworpen omdat de mediator niet in haar belangen of bewijspositie is geschaad en het beschermingsdoel van art. 6:89 BW niet is geraakt. Het beroep op eigen schuld slaagt gedeeltelijk. De rechtbank oordeelt dat van de man weliswaar niet kon worden verwacht dat hij de juridische fout zelf zou onderkennen, maar dat hij wel een eigen verantwoordelijkheid had om kritisch te zijn op de gemaakte afspraken en om, gelet op de omvang van zijn inkomensbestanddelen, nadere controle te laten uitvoeren of vragen te stellen. 

Voor de schadebegroting vergelijkt de rechtbank de feitelijke situatie met de hypothetische situatie zonder beroepsfout. De rechtbank stelt deze hypothetische alimentatie vast op € 12.000 bruto per maand en kent op basis van de gedeeltelijke eigen schuld een gematigde schadevergoeding toe voor de extra alimentatielasten en (een deel van) de gemaakte advocaatkosten. De mediator wordt aansprakelijk gehouden voor het resterende deel van de schade.

Rechtbank Den Haag 14 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:614

Bij een vestiging van Domino’s Pizza is brand ontstaan in een lithium-ionaccu van een elektrische scooter van het merk Ecooter. Uit technisch onderzoek is gebleken dat sprake was van een structurele tekortkoming in de stekker-contrastekkercombinatie van de lader en de accu. De stekkerpennen van de lader waren te dun voor de stekkerbussen van de accu, waardoor oververhitting ontstond. Het effect hiervan was het wegsmelten van elektrische isolatie, met inwendige sluiting en brand binnen de accu als gevolg.

De brand heeft onder andere schade aangericht aan de ruimten van Domino’s en de bovenliggende appartementen, welke ruimten en appartementen toebehoren aan de VvE. De opstalverzekeraars (Allianz en Nationale-Nederlanden, hierna: eiseressen) hebben de schade aan de VvE vergoed en willen regres nemen op de importeur en verkoper van de scooters (IM Group en IMG II, hierna: gedaagden). Eiseressen stellen dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij een product in het verkeer hebben gebracht dat bij normaal gebruik schade veroorzaakt. Volgens hen valt dit onrechtmatig handelen gedaagden toe te rekenen krachtens verkeersopvattingen.

Gedaagden voeren verweer met een beroep op de Bedrijfsregeling Brandregres 2014 (hierna: BBr 2014). Op grond van art. 2 BBr 2014 mogen verzekeraars regres op niet-particulieren uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. Volgens gedaagden is regres daarom alleen mogelijk bij een verwijt (onzorgvuldig handelen of nalaten) en niet indien de aansprakelijkheid enkel voortvloeit uit de (wet of) verkeersopvattingen.

De rechtbank oordeelt dat art. 2 BBr naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd en dat deze bepaling een bewuste en wezenlijke beperking van het wettelijke regresrecht van brandverzekeraars bevat. De rechtbank oordeelt verder dat regres alleen is toegestaan bij verwijtbaar onzorgvuldig handelen of nalaten. Aansprakelijkheid die uitsluitend berust op de wet of op verkeersopvattingen, zonder dat daadwerkelijk van onzorgvuldig gedrag kan worden gesproken, is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende voor regres. Verder verduidelijkt de rechtbank dat de in de toelichting op art. 2 BBr genoemde risicoaansprakelijkheid betrekking heeft op bijv. de artt. 6:170 en 6:171 BW. Regres op de onderneming is dan mogelijk als die ondergeschikten of hulppersonen onzorgvuldig hebben gehandeld of nagelaten, waarvoor de door de verzekeraars aan te spreken zakelijke partij verantwoordelijk is, zonder dat schuld bij die onderneming zelf is vereist. De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten in de zin van art. 2 BBr 2014. De regresvorderingen worden afgewezen en eiseressen worden veroordeeld in de proceskosten.

Rechtbank Noord-Holland 8 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:155

Verzoeker raakte betrokken bij een aanrijding op de Warmenhuizerweg, toen de voor hem rijdende auto een noodstop maakte voor een onverlicht schrikhek dat midden op de rijbaan stond. De voorligger wist zijn voertuig net tot stilstand te brengen, maar verzoeker kon niet meer tijdig remmen en botste achterop, met (letsel)schade tot gevolg. De voorste auto was WAM-verzekerd bij Greenval.

In dit deelgeschil stelt verzoeker dat de bestuurder van de voorste auto een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd door abrupt te remmen en onvoldoende voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals het voeren van groot licht en het inschakelen van alarmlichten. Greenval betwist dit en voert aan dat het schrikhek slecht zichtbaar en niet te verwachten was, waardoor de noodstop gerechtvaardigd was en juist verzoeker onvoldoende afstand had gehouden.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoeker onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de bestuurder van de voorste auto een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd. De stelling dat de voorste bestuurder groot licht had moeten voeren of zijn alarmlichten had moeten inschakelen heeft verzoeker, volgens de kantonrechter, tegenover de gemotiveerde betwisting door Greenval niet nader onderbouwd. Van belang daarbij acht de kantonrechter dat de voorste bestuurder zijn auto tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen, wat verzoeker niet heeft gedaan. De schade die daardoor is ontstaan komt volgens de kantonrechter voor zijn eigen rekening. Naar het oordeel van de kantonrechter had van verzoeker mogen worden verwacht dat hij op onverwachte situaties bedacht was en daarop tijdig anticipeerde. 

Rechtbank Noord-Holland 8 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:156

Verzoeker raakte betrokken bij een aanrijding op de Warmenhuizerweg, toen de voor hem rijdende auto een noodstop maakte voor een onverlicht schrikhek dat midden op de rijbaan stond. De voorligger wist zijn voertuig net tot stilstand te brengen, maar verzoeker kon niet meer tijdig remmen en botste achterop, met (letsel)schade tot gevolg. De voorste auto was WAM-verzekerd bij Greenval.

In dit deelgeschil stelt verzoeker de gemeente Schagen, verzekerd bij Melior, aansprakelijk voor het ongeval omdat de gemeente heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht als wegbeheerder. De gemeente voert hiertegen aan dat zij niet de juiste partij is om aan te spreken, omdat zij de wegwerkzaamheden en daarbij behorende verkeersmaatregelen had uitbesteed aan een andere partij. Subsidiair wordt betwist dat sprake is van een gebrekkige opstal in de zin van art. 6:174 BW of van een onrechtmatige daad van de gemeente Schagen als bedoeld in art. 6:162 BW.

Volgens de rechter heeft de gemeente Schagen onrechtmatig gehandeld omdat zij als wegbeheerder niet voldeed aan haar zorgplicht voor de Warmenhuizerweg. Op de avond van het ongeval stond een slecht zichtbaar schrikhek met verkeersborden midden op de rijbaan. De gemeente was hiervan op de hoogte, maar had volgens de rechter onvoldoende maatregelen genomen, zoals knipperlichten of verkeersregelaars in de avond. Naar het oordeel van de rechter creëerde dit een gevaarlijke situatie waarvoor de gemeente aansprakelijk is.

Verder oordeelt de rechter dat verzoeker deels eigen schuld had, omdat hij onvoldoende oplettend was en achterop zijn voorganger reed. Daarom acht de rechtbank de gemeente Schagen voor 75% aansprakelijk en verzoeker voor 25%. Het beroep op billijkheidscorrectie wees de rechter af, omdat er geen aanleiding was om van deze verdeling af te wijken.

Rechtbank Limburg 28 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:673 

Verzoeker had bij Juwon een kostbaarhedenverzekering afgesloten voor zijn privébezittingen. Tijdens een familievakantie in Armenië meldde hij dat vier (zonne)brillen, twee ringen, een horloge en een armband zouden zijn gestolen uit het zomerhuis van zijn schoonouders. De gestelde schade bedroeg € 142.440. Kort vóór het incident was het verzekerde bedrag verhoogd van € 100.000 naar € 251.500. Juwon weigerde dekking en registreerde verzoeker intern in haar incidentenregister en gebeurtenissenadministratie.

In deze procedure stelt verzoeker dat Juwon toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst door ten onrechte geen dekking te verlenen voor de gestelde diefstal. Daarnaast vordert hij verwijdering van zijn persoonsgegevens uit de interne registers van Juwon en vergoeding van diverse kosten.
Juwon voert hiertegen aan dat geen sprake is van een bewezen diefstal en dat zowel het schadevoorval als de schade onvoldoende zijn aangetoond. Daarbij wijst zij op tegenstrijdige verklaringen over welke goederen zouden zijn gestolen, het ontbreken van objectief bewijs en het feit dat het verzekerde bedrag kort vóór het incident fors is verhoogd. Subsidiair betwist Juwon ook dat verzoeker de eigendom van alle gestelde kostbaarheden heeft bewezen. In reconventie stelt Juwon dat verzoeker haar opzettelijk heeft misleid en vordert zij vergoeding van gemaakte onderzoeks- en expertisekosten.

De rechtbank oordeelt dat de gestelde diefstal onvoldoende is aangetoond. De verklaringen over de verdwenen goederen zijn inconsistent, objectief bewijs ontbreekt en ook de eigendom van de kostbaarheden is niet voldoende onderbouwd. De enkele aangifte bij de politie acht de rechtbank in deze omstandigheden onvoldoende om van een bewezen diefstal te spreken. De rechtbank komt tot het oordeel dat Juwon dekking mocht weigeren. Ook de vordering tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit de interne registers van Juwon wordt door de rechtbank afgewezen, omdat verzoeker daarbij geen (proces)belang meer heeft. Verder oordeelt de rechtbank dat de vergoeding van onderzoeks- en expertisekosten wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat verzoeker Juwon opzettelijk heeft misleid.Bovenkant formulierOnderkant formulier

Rechtbank Noord-Holland 16 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:299

Verzoekster raakte in 2015 betrokken bij een fietsongeval op een fietspad. Zij fietste een groep van vijf schoolmeisjes tegemoet. Bij het passeren ontstond contact tussen verzoekster en een 13-jarig meisje, waarna verzoekster en een ander meisje ten val kwamen. Verzoekster liep daarbij letsel op. De ouders van het 13-jarige meisje zijn voor aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

Verzoekster stelt de ouders van het 13-jarige meisje en/of Achmea aansprakelijk voor haar letselschade. Zij voert aan dat het 13-jarige meisje een gevaarzettende verkeerssituatie heeft gecreëerd, zodat haar ouders op grond van art. 6:169 jo. art. 6:162 BW risicoaansprakelijk zijn voor de schade die uit deze onrechtmatige daad voortvloeit.

De ouders van het 13-jarige meisje en Achmea voeren primair aan dat de vorderingen zijn verjaard. Ten aanzien van de ouders geldt volgens hen de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 BW en ten aanzien van Achmea - i.v.m. de directe actie - de driejarige verjaringstermijn van art. 7:942 BW. Subsidiair betwisten zij dat het 13-jarige meisje een verkeersfout heeft gemaakt en dat sprake is van aansprakelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat zowel de vordering van verzoekster op Achmea als op de ouders is verjaard. Van (duur)stuiting is geen sprake, omdat er geen onderhandelingen zijn gevoerd over aansprakelijkheid of schadeafwikkeling, maar slechts informatieve contactmomenten hebben plaatsgevonden. Ook zijn geen stuitingshandelingen verricht, zoals een schriftelijke aansprakelijkstelling of stuitingsbrief. Het beroep op rechtsverwerking slaagt niet nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat bij verzoekster het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat geen beroep meer op verjaring zou worden gedaan.

Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat het 13-jarige meisje een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt of anderszins onzorgvuldig rijgedrag heeft vertoond. Van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW is daarom geen sprake, zodat ook de risicoaansprakelijkheid van de ouders ontbreekt.

Rechtbank Den Haag 20 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26997

Een aantal benadeelden werd in hun letselschadezaken bijgestaan door medewerkers van een nieuw opgericht letselschadebureau. Nationale Nederlanden (hierna: NN) had aansprakelijkheid voor de letselschade erkend, maar weigerde om met dit bureau samen te werken en beëindigde de minnelijke schaderegelingstrajecten met het bureau als belangenbehartiger. NN adviseerde de benadeelden een andere belangenbehartiger te kiezen of de schade rechtstreeks met NN te regelen.

In dit kort geding vorderen het letselschadebureau en de benadeelden dat NN het bureau opnieuw accepteert als belangenbehartiger en de minnelijke schaderegelingstrajecten voortzet. Zij stellen dat NN onrechtmatig heeft gehandeld door hen zonder goede reden te weigeren en dat daarmee de vrije keuze van de benadeelden wordt doorkruist. NN voert aan dat zij goede redenen heeft om niet met het bureau samen te werken, onder meer omdat het feitelijk een voortzetting is van een eerder in opspraak geraakt letselschadebureau en omdat zij onvoldoende vertrouwen heeft in de betrouwbaarheid, integriteit en professionaliteit van het nieuwe bureau.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzekeraar in beginsel alleen een belangenbehartiger mag weigeren als daarvoor goede redenen bestaan. Volgens de rechter heeft NN die redenen in dit geval. Hoewel geen sprake is van juridische vereenzelviging met het oude bureau, wordt het nieuwe letselschadebureau volgens de rechter feitelijk wel aangemerkt als een voortzetting daarvan, met dezelfde medewerkers, werkzaamheden en dossiers. Verder oordeelt de rechter dat onvoldoende is gebleken dat binnen de organisatie daadwerkelijk een duidelijke breuk met eerdere misstanden is gerealiseerd. Het bureau heeft bovendien nog onvoldoende laten zien dat het zich in de praktijk als betrouwbare en integere belangenbehartiger heeft bewezen, onder meer doordat het niet beschikt over keurmerken zoals het NKL en geen registratie heeft bij het NIVRE, aldus de rechter. NN mocht daarom weigeren met dit bureau samen te werken. De vorderingen worden afgewezen en NN hoeft het bureau niet te accepteren als belangenbehartiger.