Uitspraken rechtbanken - AVV - december 2025
Rechtbank Den Haag 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19063
Verzoekster bezocht op 27 december 2023 samen met haar nicht Madurodam en liep bij het verlaten van het park via een trap, die eigendom was van de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente), terug naar haar auto op het parkeerdek. Het was donker en zij zag de onderste trede niet, waardoor zij struikelde en ernstig letsel opliep. Verzoekster stelde de gemeente Den Haag aansprakelijk, maar de gemeente wees aansprakelijkheid af. Onderzoek door CED Forensic liet zien dat er voldoende openbare verlichting aanwezig was, er geen sprake was van achterstallig onderhoud en dat de onderste trede een hoogte van zes centimeter had, terwijl de zijkanten van deze trede lager waren.
In deze deelgeschilprocedure verzoekt verzoekster de rechtbank voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor haar letselschade en haar te veroordelen in de proceskosten. Verzoekster legt hieraan ten grondslag dat de trap gebrekkig is dan wel dat de situatie ter plaatse gevaarzettend is, en houdt de gemeente op grond van art. 6:174 en 6:162 BW aansprakelijk voor haar schade.
De rechtbank neemt aan dat verzoekster de onderste trede niet goed opmerkte en haar voet niet voldoende optilde, waardoor zij viel. De rechtbank is het met verzoekster eens dat de inrichting van de trap maakt dat de kans dat iemand daar struikelt groter is dan wanneer de trede recht en even hoog was geweest. Toch oordeelt de rechtbank dat de trap en de inrichting daarvan niet gebrekkig of gevaarzettend is. Naar het oordeel van de rechtbank is de trap duidelijk herkenbaar, zijn de treden voorzien van contrasterende materialen en kleuren (lichtgrijze betontegels en rode klinkers), en zijn er veiligheidsvoorzieningen voorhanden zoals een halfhoge muur met hekwerk en een contrasterende afsluitband. Dit is, zo oordeelt de rechtbank, ook in lijn met de aanbevelingen van CROW. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat vanaf beide zijden de trap wordt verlicht door meerdere lantaarnpalen. De vordering van verzoekster wordt afgewezen.
Rechtbank Gelderland, 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9348
Eiser sloot op 6 januari 2024 een WA-bromfietsverzekering af bij Achmea. Op 9 mei 2024 negeerde eiser een stopteken van de politie na het maken van een 'wheelie' en sloeg met ongeveer 90 km per uur op de vlucht. Tijdens de achtervolging kwam eiser met zijn bromfiets ten val na contact met het politievoertuig, waardoor schade ontstond aan het dienstvoertuig. De politie nam de bromfiets in beslag en constateerde technische gebreken, zoals een te krachtige motor en het ontbreken van een snelheidsbegrenzer. Voor de schade ad € 1.809,46 aan het politievoertuig ontving Achmea een aansprakelijkstelling van Accident Management Services. Achmea verhaalde dit bedrag met een beroep op de opzetclausule van art. 17 van de Verzekeringsvoorwaarden op eiser, die het bedrag betaalde.
Eiser vordert dat de schade aan het politievoertuig onder de dekking van zijn WA-bromfietsverzekering valt en dat hij het bedrag ad € 1.809,46 onverschuldigd aan Achmea heeft betaald. Eiser stelt dat de opzetclausule in de Verzekeringsvoorwaarden niet van toepassing is op zijn verkeersgedrag, omdat het negeren van een stopteken niet expliciet als uitsluitingsgrond in de polisvoorwaarden staat genoemd. Achmea betwist dat alleen verkeersgedrag dat expliciet in art. 17 van de Verzekeringsvoorwaarden is genoemd van dekking is uitgesloten.
De kantonrechter oordeelt dat de uitleg van art. 17 van de Verzekeringsvoorwaarden met name afhankelijk is van objectieve factoren omdat over de Verzekeringsvoorwaarden door partijen niet is onderhandeld. Volgens de kantonrechter is voor een succesvol beroep op de opzetclausule anders dan eiser meent, niet vereist dat de gedraging of de situatie waardoor de schade is veroorzaakt expliciet in het artikel is genoemd. De opzetclausule van art. 17 van de Verzekeringsvoorwaarden vereist dat de verzekerde (i) in strijd met het recht (ii) met opzet iets heeft gedaan of heeft nagelaten en (iii) de schade een te verwachten of normaal gevolg daarvan is. Daarnaast is in de opzetclausule bepaald dat de uitsluiting geldt (iv) als verzekerde zich maatschappelijk ongewenst of crimineel gedraagt.
Naar het oordeel van de kantonrechter handelt eiser in strijd met de wet door het stopteken te negeren en is de schade een te verwachten gevolg van deze gedragingen gezien de hoge snelheden en de omstandigheden van de achtervolging. De kantonrechter oordeelt verder dat eiser met voorwaardelijk opzet handelde doordat hij de aanmerkelijke kans dat schade zou ontstaan voor lief nam door het stopteken te negeren. Het negeren van een stopteken en het vluchten voor de politie kwalificeert bovendien volgens de kantonrechter als crimineel of maatschappelijk ongewenst gedrag. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Achmea de schade terecht op eiser verhaalt en dat er geen sprake is van een onverschuldigde betaling. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij dient de proceskosten te betalen.
Rechtbank Overijssel 16 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6420
ASR vordert van gedaagde terugbetaling van het uitgekeerde schadebedrag na een aanrijding, plus bijkomende kosten. Gedaagde verzekerde bij ASR een auto (WAM) op naam van een cliënte van de stichting (hierna: ‘de cliënte’), terwijl hij niet als regelmatige bestuurder kon worden aangemerkt. De cliënte heeft een aanrijding veroorzaakt waarbij een passagier van cliënte letsel opliep. ASR heeft de schade aan de passagier vergoed en vordert dit bedrag terug van gedaagde, omdat bij het afsluiten van de verzekering de mededelingsplicht is geschonden.
Gedaagde geeft als verklaring dat cliënte de verzekering niet (op tijd) kon betalen omdat zij onder bewind stond. De stichting wilde voorkomen dat zij onverzekerd reed. Gedaagde stelt dat zij niet op de hoogte was van het negatieve verzekeringsverleden van de cliënte en dat het niet de intentie was om fraude te plegen. ASR heeft aan gedaagde laten weten waarom zij niet akkoord kan gaan met de verzekeringsconstructie die gedaagde heeft gekozen en heeft deze procedure tegen gedaagde gestart.
De kantonrechter stelt vast dat gedaagde op het aanvraagformulier onjuist heeft ingevuld dat zij de regelmatige bestuurder was, terwijl dit niet het geval was. Volgens art. 7:928 BW rust op de verzekeringsnemer een verplichting om juiste en volledige informatie te verstrekken. ASR heeft met haar vraag naar de regelmatige bestuurder volgens de kantonrechter duidelijk gemaakt dat het antwoord relevant was. De vraag is, mede gezien de toelichting, duidelijk en ondubbelzinnig. Gedaagde had moeten begrijpen dat deze informatie van belang kon zijn voor de beslissing over het afsluiten en de voorwaarden van de verzekering, aldus de kantonrechter. ASR heeft tevens voldoende aannemelijk gemaakt dat bij juiste informatie de verzekering niet zou zijn afgesloten. Dat gedaagde de auto kon verzekeren terwijl deze niet van haar was, doet daar volgens de kantonrechter niet aan af. ASR heeft toegelicht waarom zij bij de aanvraag geen kentekencheck mag doen en mocht erop vertrouwen dat de verzekeringnemer de vragen juist en volledig beantwoordde. De kantonrechter oordeelt dat ASR gerechtigd is het uitgekeerde bedrag op gedaagde te verhalen. Naast het schadebedrag worden ook interne kosten, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten toegewezen. De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling, vermeerderd met rente en bijkomende kosten.
Rechtbank Den Haag 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18807
De ouders van een vrouw die door een misdrijf om het leven is gebracht, stellen de Staat aansprakelijk voor hun schade nadat de verdachte van het misdrijf – de partner van hun dochter – tijdens zijn voorlopige hechtenis suïcide heeft gepleegd. Omdat het strafproces daardoor niet kon doorgaan, konden de ouders zich niet als benadeelde partij voegen en hun schade (waaronder affectieschade, shockschade en overlijdensschade) niet verhalen.
De ouders baseren hun vordering op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en beroepen zich daarnaast op art. 13 EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel). Zij stellen dat de Staat ernstig tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens de gedetineerde verdachte. Volgens hen had de Staat het suïciderisico moeten onderkennen en passende maatregelen moeten treffen, bijvoorbeeld door geen scheermesje ter beschikking te stellen.
De Staat voert aan dat de zorgplicht jegens gedetineerden niet strekt tot bescherming tegen de schade die de ouders stellen te hebben geleden, en dat bovendien geen causaal verband bestaat tussen het handelen van de Staat en de gestelde schade.
De rechtbank oordeelt dat de zorgplicht van de Staat jegens gedetineerden ertoe strekt het leven en de gezondheid van de gedetineerde zelf te beschermen, en niet het individuele vermogensbelang van derden zoals nabestaanden die hun schade in het strafproces willen verhalen. De rechtbank overweegt dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW. Ook het beroep op art. 13 EVRM slaagt niet, omdat niet is toegelicht welk verdragsrecht door de Staat zou zijn geschonden. De vorderingen van de ouders worden afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5627
Verzoeker vordert schadevergoeding van de werkgeversaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: ‘WEGAS-verzekeraar’) van zijn werkgever wegens studievertraging na een ongeval, waarbij hij tijdens zijn werk met zijn bestelbusje tegen een andere auto aanreed. Ten tijde van het ongeval had verzoeker het eerste leerjaar afgerond van zijn Mbo-opleiding en zou hij beginnen aan het tweede leerjaar. In het tweede leerjaar zou hij drie dagen per week naar school gaan en twee dagen per week stage lopen. Verzoeker stelt dat hij sinds het ongeval last heeft van concentratieproblemen en fysieke klachten en dat hij door deze klachten geen stage kon lopen. Hierdoor heeft verzoeker één jaar studievertraging opgelopen. De discussie tussen partijen spitst zich toe op het juridisch causaal verband tussen het ongeval en de studievertraging, en op de afwikkeling van de schade.
De WEGAS-verzekeraar stelt dat verzoeker heeft gefraudeerd en daarom geen recht heeft op uitkering. Verzoeker zou onjuiste informatie hebben gegeven over zijn gezondheid en schadeposten en zou eerdere ongevallen hebben verzwegen. Op grond van art. 7:941 BW en de polisvoorwaarden vervalt daardoor zijn recht op uitkering. Ook zonder fraude komt studievertraging niet voor vergoeding in aanmerking, omdat volgens de WEGAS-verzekeraar het verband met het ongeval onvoldoende is onderbouwd.
Het beroep op art. 7:941 BW slaagt niet. De kantonrechter oordeelt dat verzoeker weliswaar verplicht was juiste en volledige informatie te geven, maar dat in deze zaak geen sprake is van opzettelijke misleiding. De onduidelijkheden rond schadeposten zijn grotendeels te wijten aan fouten van de voormalig belangenbehartiger en kleine vergissingen. Verzoeker had geen ervaring met letselschadezaken en volgde adviezen van zijn belangenbehartiger, waardoor hij ongewild claimbewust overkwam, aldus de kantonrechter. De huidige belangenbehartiger heeft bevestigd dat alleen studievertraging wordt gevorderd. Ook het niet vermelden van eerdere ongevallen en klachten heeft de WEGAS-verzekeraar niet wezenlijk benadeeld; de klachten waren dragelijk en eerdere ongevallen hadden geen relevante gevolgen. Verwijtbaar handelen van de voormalig belangenbehartiger wordt niet aan verzoeker toegerekend door de kantonrechter.
De kantonrechter stelt voorts vast dat verzoeker door het ongeval een jaar studievertraging heeft opgelopen, omdat hij door fysieke en mentale klachten geen stage kon lopen. Verzoeker heeft medische informatie, verklaringen van de huisarts, fysiotherapeut en onderwijsmanager overgelegd ter onderbouwing van zijn vordering. De kantonrechter oordeelt dat uit deze stukken voldoende blijkt dat de klachten en de studievertraging het gevolg zijn van het ongeval. Alternatieve oorzaken, zoals eerdere ongevallen en pre-existente gezondheidsproblemen, worden door de kantonrechter niet als relevant aangemerkt. De kantonrechter toetst het handelen van de verzekeraar aan de maatschappelijke betamelijkheid en stelt vast dat de verzekeraar gehouden is tot vergoeding van de schade wegens studievertraging.
Rechtbank Noord-Holland 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11860
Verzoekster vordert schadevergoeding van de gemeente Beverwijk (hierna: de gemeente) wegens letsel dat zij opliep op 19 oktober 2022, toen zij tijdens de weekmarkt viel over een uitstekende punt van een plantenbak in een drukke winkelstraat. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de plantenbak als gebrekkige opstal kan worden aangemerkt en of de gemeente aansprakelijk is op grond van art. 6:174 lid 4 BW dan wel art. 6:162 BW. De gemeente betwist aansprakelijkheid en stelt dat het niet duidelijk is of verzoekster is gevallen, omdat zij plotseling moest uitwijken of dat zij over de rand van een plantenbak is gevallen. De gemeente stelt daarnaast dat verzoekster eigen schuld heeft aan het ongeval.
De kantonrechter stelt vast dat de plantenbak een opstal is in de zin van art. 6:174 BW. Hoewel de plantenbak en de straat niet dezelfde kleur hebben, is de kantonrechter van oordeel dat uit overgelegde afbeeldingen blijkt dat de punt van de plantenbak niet erg opvalt ten opzichte van de straatstenen daaromheen. Er zijn meerdere meldingen geweest van valpartijen over vergelijkbare plantenbakken, zodat de gemeente bekend was met het gevaar; enkele van deze punten van andere plantenbakken zijn zelfs door derden (dus niet de gemeente zelf) met verf of tape gemarkeerd. De kantonrechter oordeelt dat de gemeente onvoldoende maatregelen heeft getroffen om het gevaar te voorkomen, zoals het markeren van de punten met verf, tape of paaltjes. Het gevaar heeft zich verwezenlijkt en verzoekster heeft schade geleden.
De kantonrechter overweegt dat van eigen schuld aan de zijde van verzoekster geen sprake is. De toedracht van de val van verzoekster is er niet in gelegen dat zij plotseling is uitgeweken, maar dat zij is gevallen over de punt van de plantenbak. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens in deze omstandigheden zou doen, aldus de kantonrechter. De gemeente wordt aansprakelijk gehouden voor alle door verzoekster geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval.
Rechtbank Noord-Holland 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12393
Verzoeker, een stagiair HBO-ICT bij Midland Circle B.V. (hierna: ‘Midland Circle’), vordert schadevergoeding wegens letsel opgelopen tijdens het demonteren van een bureau op locatie bij een klant. Tijdens deze werkzaamheden schoot een schroeftol uit zijn hand en raakte zijn voortand, met tandletsel tot gevolg. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of Midland Circle haar zorgplicht als werkgever heeft nageleefd en of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de stagiair in de zin van art. 7:658 lid 4 jo. lid 1 BW.
De rechtbank stelt vast dat Midland Circle niet heeft voldaan aan haar zorgplicht conform art. 7:658 lid 1 BW. Midland heeft enkele dagen vóór het ongeval aan verzoeker en een mede-stagiair de opdracht gegeven om een bureau uit elkaar te halen. Later bleek demontage niet meer nodig, maar verzoeker was hiervan niet op de hoogte gesteld. Er is niet gesteld of gebleken dat Midland deze opdracht expliciet heeft ingetrokken, noch dat zij instructies heeft gegeven over de wijze van demontage of over het gebruik van bepaalde gereedschappen. Door die instructies achterwege te laten en de keuze om tot demontage over te gaan en de wijze waarop dat gebeurde ter beoordeling aan verzoeker over te laten, heeft Midland Circle onvoldoende invulling gegeven aan de op haar rustende zorgplicht, aldus de rechtbank. Het feit dat verzoeker op eigen initiatief handelde, doet niet af aan de zorgplicht van de werkgever. De rechtbank overweegt dat van opzet of bewuste roekeloosheid geen sprake is.
De rechtbank oordeelt dat Midland Circle aansprakelijk is voor de schade van verzoeker.