Uitspraken rechtbanken - AVV - augustus 2026
Rechtbank Gelderland 10 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:12055
Verzoeker raakt in 2016 betrokken bij een verkeersongeval waarvoor Achmea aansprakelijkheid heeft erkend. Als gevolg van zijn klachten valt hij uit voor zijn werkzaamheden in loondienst en als zelfstandige. Nadat hij langer dan twee jaar arbeidsongeschikt is gebleven, wordt zijn dienstverband beëindigd en ontvangt hij een transitievergoeding van € 20.866,37 bruto. Tussen partijen ontstond onder meer discussie over het antwoord op de vraag of deze transitievergoeding in mindering mag worden gebracht op de schadevergoeding wegens verlies aan verdienvermogen.
Verzoeker verzoekt de rechtbank onder meer te verklaren dat verrekening van de transitievergoeding niet redelijk is. Daarnaast stelt hij dat Achmea de schaderegeling onzorgvuldig had uitgevoerd, onvoldoende had bevoorschot en vordert hij dat Achmea dient mee te werken aan een aanvullende bedrijfseconomische analyse. Achmea voert verweer en stelde dat de transitievergoeding in causaal verband staat met het ongeval, omdat het dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid is beëindigd. Ook betwist zij dat sprake was van een onzorgvuldige schaderegeling.
De rechtbank overweegt dat de transitievergoeding voldoende verband houdt met het ongeval. Zonder de arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval zou het dienstverband niet op deze wijze zijn beëindigd. Daarmee kan de transitievergoeding worden betrokken bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen. Tegelijkertijd heeft een transitievergoeding naar haar aard mede het karakter van compensatie voor het verlies van werk en de overgang naar ander werk. Om die reden acht de rechtbank het redelijk dat slechts 50% van de netto ontvangen transitievergoeding in aanmerking wordt genomen bij de schadeafwikkeling.
Ten aanzien van de schaderegeling overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat Achmea onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat gedurende jaren geen actuele medische informatie is verstrekt, terwijl Achmea daar herhaaldelijk om heeft verzocht. Daardoor kon niet worden vastgesteld wat het verdere beloop van de klachten en beperkingen was. Onder deze omstandigheden kon Achmea niet worden verweten dat zij terughoudend was met verdere schadevaststelling en bevoorschotting.
De rechtbank verklaart voor recht dat verrekening van méér dan 50% van de door verzoeker verkregen netto transitievergoeding in de gegeven omstandigheden niet redelijk is. De overige verzoeken worden afgewezen. De kosten van het deelgeschil worden begroot en komen voor rekening van Achmea.
Rechtbank Gelderland 3 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5326
Verzoekster koopt in juli 2023 een elektrische bakfiets van het type Vogue Superior. Op 28 oktober 2023 komt zij ten val tijdens een rit op een aflopende weg in Rozendaal. Zij loopt daarbij onder meer hoofdletsel op. Volgens verzoekster is het ongeval veroorzaakt doordat de remmen van de bakfiets niet of onvoldoende functioneerden. Zij stelt de verkoper, importeur en producent van de bakfiets aansprakelijk en verzocht in deelgeschil een verklaring voor recht dat sprake was van aansprakelijkheid wegens een gebrekkig product.
Verzoekster voert aan dat uit technisch onderzoek bleek dat de remkabels waren opgerekt waardoor de remwerking vrijwel geheel was verdwenen. Volgens haar biedt de bakfiets daardoor niet de veiligheid die daarvan mocht worden verwacht. Verweersters betwisten de gestelde toedracht van het ongeval en stellen dat niet vaststaat dat het ongeval is veroorzaakt door een gebrek aan de remmen. Ook wijzen zij erop dat geen onderhoud was uitgevoerd terwijl daarvoor wel instructies waren gegeven.
De rechtbank overweegt dat de toedracht van het ongeval onvoldoende duidelijk is. Er zijn geen directe getuigen van het ongeval en verzoekster kon zich na het ongeval aanvankelijk niets herinneren. Ook bestaat onduidelijkheid over de exacte locatie van de val, de omstandigheden ter plaatse en de mogelijke rol van andere factoren, zoals een verkeersdrempel of de toestand van het wegdek.
Volgens de rechtbank zijn er aanwijzingen dat er sprake is geweest van het niet of verminderd functioneren van de remkabels. Uit de onderzoeksrapporten blijkt dat de remkabels waren opgerekt en dat de remwerking tijdens inspectie maanden na het ongeval nog steeds aanzienlijk was afgenomen. Daarmee staat volgens de rechtbank echter nog niet vast dat de gebrekkige remwerking de (enige) oorzaak van het ongeval is geweest. Evenmin kan worden vastgesteld in welke mate de remproblemen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
Daarnaast staat niet vast dat sprake was van een gebrekkig product in de zin van art. 6:186 BW. Hoewel aanwijzingen bestaan dat de remwerking van de bakfiets ten tijde van het ongeval was verminderd, kon de rechtbank niet vaststellen dat de remkabels reeds gebrekkig waren op het moment dat de bakfiets in het verkeer werd gebracht. Verweersters hebben gemotiveerd aangevoerd dat de fiets bij aflevering aan de geldende veiligheidsnormen voldeed en dat voorafgaand aan levering controles waren uitgevoerd. Bovendien kon niet worden vastgesteld in hoeverre het gebruik van de fiets, de afgelegde kilometers, de rijsnelheid en het uitblijven van onderhoud hebben bijgedragen aan de afgenomen remwerking. Om die reden kon niet worden geconcludeerd dat de bakfiets niet de veiligheid bood die daarvan mocht worden verwacht in de zin van art. 6:186 BW.
De rechtbank oordeelt dat een nader uitgebreid onderzoek naar de toedracht zich niet verdraagt met het karakter van een deelgeschilprocedure. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. Aan beoordeling van het antwoord op de vragen wie als producent moet worden aangemerkt en of sprake is van eigen schuld komt de rechtbank niet toe. De kosten van het deelgeschil worden wel begroot, maar niet ten laste van verweersters gebracht omdat aansprakelijkheid niet is komen vast te staan.
Rechtbank Overijssel 9 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3473
Een automobiliste rijdt op het Stationsplein in Kampen tegen een lantaarnpaal nadat zij tijdens het voorsorteren schrikt van een verkeerssituatie en een onverwachte stuurbeweging maakt. Door de aanrijding raakt haar auto zwaar beschadigd. Zij stelt de gemeente aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW en art. 6:162 BW, omdat de lantaarnpaal volgens haar op een gevaarlijke locatie staat. De gemeente erkent zelfs dat dit "geen handige plek" is en besluit de paal uiteindelijk te verplaatsen.
Desondanks wijst de kantonrechter de vorderingen af. Hoewel vaststaat dat de lantaarnpaal na een herinrichting niet langer op de stoep maar daarnaast staat, heeft de automobiliste onvoldoende onderbouwd waarom de weginrichting daardoor gebrekkig is. De gemeente voert aan dat de paal goed zichtbaar is, zich op ruime afstand van de rijbaan bevindt en dat ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Onder die omstandigheden voldoet de weginrichting volgens de rechtbank aan de eisen die daaraan ex art. 6:174 BW mogen worden gesteld. De rechtbank oordeelt in het verlengde daarvan dat geen sprake is van een gevaarzettende situatie in de zin van art. 6:162 BW.
In lijn met bestaande rechtspraak oordeelt de rechtbank dat uit later getroffen veiligheidsmaatregelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de eerdere situatie gebrekkig is. De gemeente mag de situatie na het ongeval aanpassen zonder daarmee aansprakelijkheid voor het verleden te erkennen.
De procedure eindigt bovendien met een opmerkelijke rolomkering. In reconventie vordert de gemeente vergoeding van de schade aan de lantaarnpaal. De rechtbank wijst die vordering toe, waardoor de automobiliste uiteindelijk € 250,- aan herstelkosten moet vergoeden. Waar de procedure begint met een claim wegens schade dóór de lantaarnpaal, eindigt zij met aansprakelijkheid voor schade áán de lantaarnpaal.
Rechtbank Gelderland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5214
Op 2 januari 2017 is de vader van eisers in Oostenrijk overleden nadat hij als voetganger was aangereden door een bij Generali Deutschland AG (hierna: ‘Generali’) verzekerde auto. Eén van de kinderen was getuige van het ongeval. De bestuurder wordt in Oostenrijk strafrechtelijk veroordeeld wegens dood door grove nalatigheid. De kinderen vorderen in deze procedure van Generali onder meer vergoeding van smartengeld, begrafeniskosten, gederfd levensonderhoud, gemiste zelfwerkzaamheid en belastingschade.
Generali voert verweer en stelde onder meer dat de vorderingen waren verjaard. Volgens de verzekeraar kunnen uitlatingen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring haar niet worden tegengeworpen. Daarnaast stelt zij dat een deel van de vorderingen onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat op grond van het internationale privaatrecht Oostenrijks recht van toepassing is op de aansprakelijkheids- en schadevraag. De rechtbank verwerpt het verjaringsverweer. Daarbij acht zij van belang dat Generali Oostenrijk optreedt als schadebehandelaar namens Generali en bevoegd is om namens haar verklaringen af te leggen over verjaring. Bovendien heeft Generali in de loop der jaren deelbetalingen verricht, waardoor de verjaring naar Oostenrijks recht opnieuw is gestuit.
Ten aanzien van de begrafeniskosten oordeelt de rechtbank dat de kinderen recht hebben op vergoeding van de door hen zelf gedragen uitvaartkosten. De vordering voor kosten die waren betaald door de vennootschap van de overleden vader wordt afgewezen, omdat die vordering inmiddels was verjaard. De rechtbank wijst ieder van de kinderen een bedrag aan begrafeniskosten toe.
Ook kent de rechtbank aanvullende vergoeding toe voor het verdriet om het overlijden van de vader. Daarbij acht de rechtbank van belang dat één van de kinderen het ongeval heeft zien gebeuren en dat de bestuurder grove schuld had aan het ongeval. Aan deze zoon wordt daarom aanvullend € 5.000 aan smartengeld toegekend bovenop de reeds door de verzekeraar betaalde bedragen.
Daarnaast verklaart zij voor recht dat Generali aansprakelijk is voor eventuele belastingschade die voortvloeit uit de te ontvangen schadevergoedingen.
De rechtbank veroordeelt Generali tot betaling van de toegewezen bedragen en verwijst de schadebegroting voor deze posten naar de schadestaatprocedure.
Rechtbank Amsterdam 24 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6444
Een voormalig directeur van een beursgenoteerde onderneming stelt zijn communicatieadviseur en zijn advocaat aansprakelijk nadat hij zijn functie verliest naar aanleiding van een artikel in het Financieele Dagblad over een door hem getroffen schikking met het Openbaar Ministerie. Voorafgaand aan de publicatie hebben de communicatieadviseur en de advocaat hem begeleid bij het formuleren van een reactie voor de journalist van het FD. Volgens de voormalig directeur bevat die reactie een passage die kan worden opgevat als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Hij stelt dat zijn adviseurs hem daardoor ondeugdelijk hebben geadviseerd en dat hij als gevolg daarvan zijn baan is kwijtgeraakt.
De rechtbank wijst de vorderingen af. Volgens de rechtbank heeft de voormalig directeur onvoldoende onderbouwd dat de communicatieadviseur en de advocaat zijn tekortgeschoten in hun advisering. De rechtbank acht van belang dat de verschillende conceptreacties waren gebaseerd op informatie die de directeur zelf aan hen had verstrekt. Ook heeft hij tijdens het adviestraject niet duidelijk gemaakt dat de betreffende passage volgens hem feitelijk onjuist was. Onder die omstandigheden kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat sprake is van een beroepsfout of een tekortkoming in de dienstverlening.
Rechtbank Amsterdam 10 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7029
Een destijds 11-jarig meisje wordt in haar onderbeen gebeten door een hond wanneer zij met haar fiets stilstaat in een steeg naast de woning van de hondenbezitter. Door de beet loopt zij drie bijtwonden op, waarvoor zij medisch wordt behandeld. Hoewel de wonden genezen, houdt zij blijvende littekens over. Haar ouders vorderen in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger een verklaring voor recht dat de hondenbezitter aansprakelijk is voor de schade, alsmede een voorschot op het smartengeld. De hondenbezitter verweert zich met de stelling dat sprake was van een schrikreactie van de hond, dat de schade reeds was afgewikkeld doordat eerder een schadevergoeding was betaald, en dat het meisje eigen schuld heeft aan het incident.
De kantonrechter oordeelt dat de hondenbezitter op grond van art. 6:179 BW aansprakelijk is voor de schade die door de hond is veroorzaakt. Volgens de rechtbank doet het er niet toe dat de hond mogelijk uit schrik heeft gereageerd. Nu vaststaat dat de hond het meisje heeft gebeten en daardoor schade is ontstaan, rust het risico van dat gedrag op de bezitter van het dier. Ook het beroep op rechtsverwerking slaagt niet. Volgens de rechtbank mocht de hondenbezitter er niet op vertrouwen dat de zaak was afgedaan, nu de vordering nog niet was verjaard en de ouders gedurende de jaren na het incident herhaaldelijk aanspraak hebben gemaakt op verdere schadevergoeding.
Ook het beroep op eigen schuld wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat het meisje zich zodanig heeft gedragen dat een gedeelte van de schade voor haar eigen rekening moet blijven. Zelfs als zij op die plek niet had mogen fietsen, volgt daaruit volgens de rechtbank niet dat zij heeft bijgedragen aan het ontstaan van de hondenbeet.
Ten aanzien van de hoogte van het smartengeld sluit de rechtbank aan bij de Rotterdamse Schaal. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het meisje op jonge leeftijd blijvende littekens aan haar onderbeen heeft overgehouden, waarvan één litteken kuilvormig is. Omdat de psychische gevolgen beperkt zijn gebleven en geen sprake is van lichamelijke beperkingen, acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,- aan smartengeld passend. Daarnaast wordt voor recht verklaard dat de hondenbezitter aansprakelijk is voor de reeds geleden en eventuele toekomstige schade als gevolg van de hondenbeet.
Rechtbank Midden‑Nederland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4290
In een lopende letselschadezaak heeft de rechtbank eerder een psychiatrisch deskundigenonderzoek gelast. De kosten van het onderzoek zijn aanvankelijk ten laste van ’s Rijks kas gebracht. Vervolgens diende de rechtbank te bepalen welke partij deze kosten uiteindelijk moest dragen. Verzoeker stelt dat de kosten voor rekening van Nationale‑Nederlanden (hierna: ‘NN’) moesten komen, omdat NN als SVI‑verzekeraar gehouden is de schade als gevolg van het ongeval te vergoeden en de kosten van schadevaststelling onder de dekking vallen. Verzoeker voert aan dat het psychiatrisch onderzoek noodzakelijk was voor de vaststelling van zijn letselschade en verwijst onder meer naar art. 7:959 BW, art. 6:96 BW en jurisprudentie over kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
NN stelt daartegenover dat zij geen aansprakelijke partij is, maar uitsluitend optreedt als SVI‑verzekeraar en dat daarom geen grond bestaat om de deskundigenkosten voor haar rekening te brengen.
De rechtbank overweegt dat art. 205 lid 2 Rv (oud) geen duidelijk antwoord geeft op de vraag welke partij als meest gerede partij moet worden aangemerkt voor de kosten van het deskundigenonderzoek. Omdat geen bodemprocedure aanhangig is en nog niet vaststaat hoe de aansprakelijkheids- of dekkingsvraag uiteindelijk zal worden beoordeeld, kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld wie als verliezende partij moet worden beschouwd.
Voorts overweegt de rechtbank dat NN niet als aansprakelijke partij optreedt, maar als SVI‑verzekeraar die mogelijk dekking verleent voor schade die het gevolg is van een ongeval. Uit het deskundigenrapport volgt bovendien geen eenduidige conclusie over het causaal verband tussen de klachten en het ongeval. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat de verzoekende partij de kosten van het deskundigenonderzoek draagt. De door verzoeker aangehaalde jurisprudentie over kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid biedt geen steun voor een ander oordeel, omdat die zaken betrekking hebben op aansprakelijke partijen, aldus de rechtbank. De rechtbank bepaalt dat verzoeker de volledige kosten van het deskundigenonderzoek moet dragen.
Rechtbank Amsterdam 22 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7554
Een verloskundige loopt letsel op wanneer zij omvergelopen wordt door een loslopende labrador. Zij spreekt de eigenaren van de hond aan tot vergoeding van haar schade, waaronder een aanzienlijk bedrag wegens verlies aan verdienvermogen.
Tijdens de procedure komt echter aan het licht dat de verloskundige in de jaren voorafgaand aan het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest wegens stressgerelateerde psychische klachten. Door deze informatie niet eerder te delen, oordeelt de rechtbank dat de verloskundige in strijd heeft gehandeld met de waarheids- en substantiëringsplicht van art. 21 Rv. De eerdere arbeidsongeschiktheid is volgens de rechtbank relevant voor de beoordeling van het hypothetische verdienvermogen zonder ongeval.
Daarbij constateert de rechtbank dat de door de verloskundige gestelde arbeidsuren voor één van haar opdrachtgevers niet stroken met de inkomsten die zij over dezelfde periode bij de Belastingdienst heeft opgegeven. Volgens de rechtbank wekt zij daarmee ten onrechte de indruk dat zij voorafgaand aan het ongeval een grotere verdiencapaciteit had dan uit de beschikbare gegevens blijkt. Overigens kunnen ook inkomsten die buiten het zicht van de fiscus zijn gebleven voor vergoeding in aanmerking komen, mits deze voldoende worden onderbouwd. In dit geval acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de verloskundige tevens inkomsten genereerde uit werkzaamheden voor een andere verloskundigenpraktijk en houdt zij daarmee rekening bij de begroting van het verlies aan verdienvermogen.
Daarnaast laat de rechtbank de schending van art. 21 Rv meewegen bij de proceskostenveroordeling. Een deel van de extra proceshandelingen is immers noodzakelijk geworden doordat de verloskundige pas in een laat stadium openheid van zaken heeft gegeven over haar arbeidsongeschiktheidsverleden. De daarmee gemoeide proceskosten komen daarom niet voor rekening van de gedaagden.
Uiteindelijk begroot de rechtbank de totale schade op € 37.917,60. Omdat eerder een beroep op eigen schuld is gehonoreerd, moeten de eigenaren van de hond 60% van die schade vergoeden, hetgeen neerkomt op € 22.750,56.