Uitspraken rechtbanken - AVV - augustus 2025

Arresten gerechtshoven - AVV - augustus 2025

Rechtbank Midden-Nederland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2569

In deze zaak stond de vraag centraal of een stepbestuurder aansprakelijk is voor het letsel dat een fietser opliep toen zij op een woonerf ten val kwam na het schrikken van een naderende elektrische step.

De kantonrechter oordeelt allereerst dat de elektrische step kwalificeert als motorrijtuig in de zin van art. 1 lid 1 sub e onder a WVW (oud), waardoor art. 185 WVW van toepassing is.

De stepbestuurder reed met aanzienlijke snelheid over een smal, onoverzichtelijk pad naast een speeltuin. Hoewel niet vaststaat dat er fysiek contact is geweest, acht de kantonrechter het aannemelijk dat de fietser is gevallen door een schrikreactie op het plotselinge en snelle naderen van de step. De bestuurder had zijn snelheid moeten matigen, gelet op de aard van het pad en de omgeving, aldus de kantonrechter. Zijn gedrag wordt als gevaarzettend aangemerkt en daarmee volledig aan hem toegerekend.

Het beroep op overmacht faalt: de bestuurder heeft geen feiten gesteld waaruit blijkt dat het ongeval uitsluitend te wijten is aan fouten van de fietser. Ook is geen sprake van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser volgens de kantonrechter. Het verweer dat de fietser een kwetsbare verkeersdeelnemer is, levert geen eigen schuld op. De kantonrechter overweegt dat juist van bestuurders van motorrijtuigen mag worden verwacht dat zij rekening houden met kwetsbare weggebruikers.

De kantonrechter verklaart voor recht dat de stepbestuurder aansprakelijk is voor alle door de fietser geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De vorderingen van de stepbestuurder worden afgewezen.

Rechtbank Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11350

In deze deelgeschilprocedure stond de vraag centraal of openbaar vervoerder HTM aansprakelijk is voor het letsel dat een passagier opliep toen hij bij het instappen met zijn voet tussen de sluitende deuren van een tram kwam en werd meegesleurd. HTM betwistte aansprakelijkheid en beriep zich op vervoerdersovermacht (art. 8:105 lid 2 BW) en eigen schuld van de passagier (art. 8:109 BW).

De kantonrechter oordeelt dat het ongeval plaatsvond tijdens het instappen en dus binnen de vervoerperiode valt (art. 8:102 BW). HTM is in beginsel aansprakelijk voor schade die tijdens het vervoer ontstaat (art. 8:105 lid 1 BW). Het beroep op overmacht faalt: het veiligheidssysteem van de tram functioneerde weliswaar technisch correct, maar bleek niet berekend op het detecteren van een voet tussen de deuren. Bovendien had de trambestuurder kort voor vertrek nog op de camerabeelden moeten kijken. Dat is niet gebeurd. HTM had kunnen en moeten voorkomen dat de tram vertrok terwijl een passagier bekneld zat.

Wel slaagt het beroep op eigen schuld gedeeltelijk. De passagier wist dat de tram op het punt stond te vertrekken en stak bewust zijn voet tussen de sluitende deuren. Dat is geen normaal gebruik van het vervoermiddel volgens de kantonrechter. De kantonrechter acht een verdeling van de aansprakelijkheid van 50%-50% billijk. Een beroep op de billijkheidscorrectie wordt verworpen: de rechtbank acht het letsel niet zodanig ernstig dat een andere verdeling gerechtvaardigd is.

Een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Wel wordt een voorschot van € 800,- toegekend ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4195

Een vrachtwagenchauffeur gleed op 9 februari 2021 uit op een besneeuwd haventerrein in Antwerpen en brak daarbij zijn arm op twee plaatsen. Hij stelde zijn formele werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW, omdat deze volgens hem had nagelaten te zorgen voor een veilige werkomgeving. De werkgever betwistte de aansprakelijkheid en voerde aan dat zij geen zeggenschap had over het terrein en dat het risico op gladheid bij sneeuwval algemeen bekend is.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet tekort is geschoten in haar zorgplicht. De werknemer was op de hoogte van de weersomstandigheden, had een waarschuwing per e-mail ontvangen en droeg geschikte veiligheidsschoenen. Bovendien had de werkgever geen invloed op het sneeuwvrij maken van het haventerrein. De vordering tot aansprakelijkheid wordt afgewezen.

Rechtbank Rotterdam 2 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7975

In deze deelgeschilprocedure staat de vraag centraal of Nationale-Nederlanden (NN), de WAM-verzekeraar van een dronken automobilist die een fietser heeft aangereden, onrechtmatig heeft gehandeld bij de schadeafwikkeling. Het slachtoffer, dat blijvend invalide raakte, wordt vertegenwoordigd door een curator.

De rechtbank oordeelt dat NN onrechtmatig heeft gehandeld door twee koerswijzigingen:

NN heeft allereerst vastgehouden aan een eigen schuld-standpunt, terwijl uit het proces-verbaal van de politie al op 29 november 2021 bleek dat het slachtoffer geen verkeersfout had gemaakt. NN erkende vervolgens pas op 9 september 2022 volledige aansprakelijkheid. Deze vertraging was onredelijk en onrechtmatig, omdat het slachtoffer daardoor ten onrechte opnieuw slachtoffer werd.

Daarnaast heeft NN een kortingsstandpunt van € 70.000,- ingenomen wegens een vermeend te lage verkoopprijs van de oude woning van het slachtoffer. NN liet dit standpunt pas vallen na indiening van het verzoekschrift en had achter de rug van het slachtoffer een eerder gezamenlijk ingeschakelde expert eenzijdig een tweede taxatie laten uitvoeren. Daarmee heeft NN volgens de rechtbank het vertrouwen van het slachtoffer geschonden en onrechtmatig gehandeld. Het slachtoffer had de woning namelijk voor € 10.000,- meer verkocht dan de eerdere taxatie. De aanvraag van de tweede taxatie was onredelijk.

Voor deze twee koerswijzigingen wordt NN veroordeeld tot betaling van € 1.000,- smartengeld wegens secundaire victimisatie (art. 6:106 lid 1 sub b BW). De rechtbank acht het niet onrechtmatig dat NN ervoor heeft gekozen om eerst hun eigen medisch adviseur in te schakelen, een scheidingsadvocaat niet direct te vergoeden, de betaling aan de letselschadeadvocaat niet voortvarend ter hand te nemen, de inschakeling van een bouwkundige te vertragen, of tijdens een bezoek aan het slachtoffer de nadruk te leggen op de schade in plaats van op kennismaking. Ook acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat NN pas na een voorlopige schadestaat en onder druk van een kort geding de benodigde vergoeding voor de aankoop van een nieuwe woning overmaakte.

De rechtbank veroordeelt NN tot betaling van de kosten van de deelgeschilprocedure.

Rechtbank Amsterdam 2 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4590

Op de A10 vond een kettingbotsing plaats tussen drie voertuigen. Eiser bestuurde het voorste voertuig, gevolgd door een tweede voertuig dat WAM-verzekerd was bij Nh1816, en een derde voertuig dat verzekerd was bij Univé. In de hoofdzaak stelt eiser Nh1816 aansprakelijk voor zijn (im)materiële schade. Nh1816 stuurt deze aansprakelijkstelling door naar Univé, maar Univé stelt dat het de verzekerde van Nh1816 is geweest die zelfstandig op eiser is gebotst. Beide verzekeraars betwistten hun verantwoordelijkheid voor de schadeafwikkeling. De rechtbank oordeelt dat eiser kwalificeert als een ‘schuldloze derde’ in de zin van artikel 2 van Bedrijfsregeling 7 van het Verbond van Verzekeraars. Nu Nh1816 als eerste door eiser is aangesproken, rust op haar op grond van artikel 3 lid 1 onder b van de regeling de verplichting om de schade van eiser in behandeling te nemen en af te wikkelen, ongeacht de uiteindelijke aansprakelijkheid van haar verzekerde. De rechtbank wijst de primaire vordering van eiser toe.

In de vrijwaringszaak vordert Nh1816 dat Univé en haar verzekerde haar vrijwaren voor de schadevergoeding waartoe zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld. De rechtbank wijst deze vordering af. Er is onvoldoende bewijs dat het achterste voertuig het middelste voertuig heeft doorgedrukt op het voorste voertuig. De verklaring van de bestuurder van het middelste voertuig tegenover de politie, inhoudende dat hij zelfstandig op het voertuig van eiser is gebotst, acht de rechtbank geloofwaardiger dan de latere betwisting van Nh1816 dat dezelfde bestuurder zich deze verklaring niet meer kan herinneren. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat Univé of haar verzekerde gehouden is Nh1816 te vrijwaren. De rechtbank oordeelt dat Nh1816 gehouden is de schade van eiser af te wikkelen en wijst de vrijwaringsvordering af.

Rechtbank Den Haag 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12226

Eiser rijdt met zijn auto in een gat in het wegdek en stelt de Gemeente Delft aansprakelijk voor de schade aan zijn voertuig. Eiser baseert zijn vordering primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. Aan zijn vordering legt eiser ten grondslag dat hij met zijn linkervoorwiel in een ‘sinkhole’ in het wegdek is gereden. De gemeente voert aan dat het gat niet groter dan tien bij tien centimeter was en dat het mogelijk was voor eiser om het gat te ontwijken.

De rechtbank stelt voorop dat niet iedere oneffenheid in het wegdek een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW oplevert. Het betreffende gat had een omvang van circa 10 bij 10 centimeter en bevond zich tussen twee rijstroken op een weg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet aannemelijk dat sprake was van een zodanig verhoogd risico dat van een gebrekkige weg kan worden gesproken. Ook is niet gebleken van andere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat het wegdek gebrekkig was of dat sprake was van gevaarzettend handelen door de gemeente. De vordering van eiser wordt dan ook afgewezen.

Rechtbank Den Haag 16 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13179

In deze zaak staat de vraag centraal of een advocaat een beroepsfout heeft gemaakt tijdens schikkingsonderhandelingen die hij in 2016 namens zijn cliënten (waaronder ICT-dienstverlener Ithec) voerde. De advocaat had in een e-mail namens zijn cliënten een voorstel gedaan aan de wederpartij, zonder daarbij voldoende duidelijk te maken dat het slechts om een onderhandelingsvoorstel ging. Later ontstond discussie of hierdoor een bindende overeenkomst tot stand was gekomen. Het gerechtshof oordeelde in 2022 dat hier inderdaad sprake van was. Ithec c.s. stelt dat de advocaat hiermee zijn zorgplicht heeft geschonden en vordert schadevergoeding. De schade ziet op gemist rendement, prijsgegeven vorderingen en vermeend verlies van klanten.

De rechtbank oordeelt dat de advocaat in strijd met de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm heeft gehandeld. Hij had er als redelijk handelend en bekwaam advocaat voor moeten zorgen dat zijn cliënten niet onbedoeld aan een schikking werden gebonden. Volgens de rechtbank heeft de advocaat, doordat hij in zijn e-mail geen expliciet voorbehoud maakte, het risico in het leven geroepen dat de wederpartij ervan uitging dat er al een overeenkomst was gesloten. De rechtbank wijst een deel van de gevorderde schadevergoeding toe, namelijk € 50.750 aan kosten voor procedures die volgens de rechtbank het gevolg zijn van de beroepsfout. De rechtbank verklaart de overeenkomst van opdracht gedeeltelijk ontbonden voor zover het de advisering over de schikkingsonderhandelingen in 2016 betreft. De overige vorderingen worden afgewezen.