Hof van Justitie - AVV - augustus 2026
Hof van Justitie EU 12 februari 2026, ECLI:EU:C:2026:89
Eind 2016 bestuurde een man een busje waarin een voormalig trainer en twee teamgenoten meereden. Tijdens het rijden trok de voormalig trainer plotseling aan de handrem. Het voertuig raakte in een slip en botste tegen meerdere obstakels. De bestuurder liep ernstig en blijvend letsel op. Vervolgens ontstond discussie over de vraag of hij voor de toepassing van de WAM nog als bestuurder moest worden beschouwd, nu een inzittende feitelijk had ingegrepen in de besturing van het voertuig.
De bestuurder stelde dat hij vanaf het moment waarop de inzittende aan de handrem trok niet langer als bestuurder kon worden aangemerkt en daarom aanspraak had op de bescherming die de WAM biedt aan inzittenden. De verzekeraar stelde daartegenover dat hij bestuurder bleef, ook al had een inzittende een bestuurshandeling verricht.
De rechtbank had geoordeeld dat de bestuurder na het aantrekken van de handrem niet langer als bestuurder moest worden beschouwd, zodat hij als inzittende onder de WAM-bescherming viel. Het hof vernietigde dat oordeel en oordeelde dat de bestuurder bestuurder bleef. In cassatie stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip "bestuurder" in de WAM-richtlijn.
Het Hof van Justitie overweegt dat de Europese WAM-richtlijn een duidelijk onderscheid maakt tussen de bestuurder en andere inzittenden van het voertuig. Volgens het Hof wordt onder bestuurder in beginsel verstaan degene die zich achter het stuur bevindt, de bedieningsorganen hanteert en de rijrichting bepaalt. Het enkele feit dat een inzittende tijdens de rit ingrijpt in de besturing, brengt niet mee dat de bestuurder zijn hoedanigheid van bestuurder verliest.
Daarbij acht het Hof van belang dat de richtlijn uitgaat van één bestuurder en dat het onderscheid tussen bestuurder enerzijds en inzittenden anderzijds essentieel is voor het stelsel van de verplichte motorrijtuigenverzekering. Indien een bestuurder door een ingreep van een inzittende zijn hoedanigheid zou verliezen, zou onduidelijkheid ontstaan over de vraag wie als bestuurder moet worden aangemerkt. Dat zou afbreuk doen aan de systematiek en rechtszekerheid van de richtlijn.
Het Hof merkt daarnaast op dat het antwoord op de vraag of een inzittende civielrechtelijk aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval wordt beheerst door het nationale aansprakelijkheidsrecht. Die aansprakelijkheidsvraag staat los van de vraag wie voor de toepassing van de WAM als bestuurder wordt aangemerkt.
Het Hof concludeert dat de bestuurder bestuurder blijft, ook wanneer een inzittende tijdens het rijden ingrijpt in de besturing van het voertuig. De schade van de bestuurder hoeft daarom niet te worden gedekt door de verplichte WAM-verzekering, ook niet indien het ongeval is veroorzaakt door het ingrijpen van de inzittende.