Arresten Hoge Raad - AVV - augustus 2025

Arresten Hoge Raad - AVV - augustus 2025

Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:756

In deze zaak stond de vraag centraal of een beroep op exoneratieclausules mag worden doorgeschoven naar de schadestaatprocedure. ABN AMRO Clearing Bank (AACB) verleende op basis van diverse overeenkomsten clearingdiensten aan vennootschappen binnen de Kirchberg-groep. Nadat AACB handelsbeperkingen had opgelegd en een kredietfaciliteit had beëindigd wegens vermeende marktverstorende handelspraktijken, kwamen partijen op 19 februari 2016 overeen dat de handelsbeperkingen per direct zouden worden opgeheven en de kredietfaciliteit tot 30 juni 2016 zou worden voortgezet. Enkele dagen later legde AACB opnieuw beperkingen op en beëindigde zij aanvullende overeenkomsten.

Het hof oordeelde dat AACB toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van de afspraken van 19 februari 2016 en veroordeelde haar tot schadevergoeding, op te maken bij staat. AACB beriep zich op exoneratieclausules in de betreffende overeenkomsten, waarin haar aansprakelijkheid werd uitgesloten behoudens opzet of grove schuld. Het hof oordeelde dat dit verweer in de schadestaatprocedure kon worden behandeld.

AACB gaat in cassatie tegen dit oordeel en klaagt dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan het beroep op de exoneratieclausules. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2008:BD1674) moet een verweer dat ziet op de grondslag van de aansprakelijkheid — zoals een beroep op een exoneratieclausule — in de hoofdprocedure worden beoordeeld. Indien een dergelijk verweer pas in de schadestaatprocedure wordt aangevoerd, wordt miskend dat de schadestaatprocedure uitsluitend betrekking heeft op de omvang van de schade, en niet op de aansprakelijkheidsvraag.

De Hoge Raad oordeelt dat de klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad had het hof moeten onderzoeken of het beroep op de exoneratieclausules de grondslag van de vergoedingsplicht betrof. Nu dat is nagelaten, is het arrest ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof.

Hoge Raad 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1082

In deze zaak stond de vraag centraal of Allianz als WAM-verzekeraar dekking mocht weigeren aan een inzittende (hierna: ‘eiseres 4’) die ernstig letsel opliep bij een eenzijdig verkeersongeval. Allianz stelde dat eiseres 4 betrokken was bij frauduleuze handelingen bij het afsluiten van de verzekering en beriep zich op verval van recht op uitkering wegens opzettelijke misleiding. De goederen van eiseres 4 staan onder beschermingsbewind. De bewindvoerders en eiseres 4 hebben Allianz aansprakelijk gesteld en zijn door Allianz betrokken in de onderhavige procedure.

Het hof oordeelde dat eiseres 4 geen beroep kon doen op art. 6 WAM, omdat zij als “bekende derde” betrokken was bij het afsluiten van de verzekering en Allianz opzettelijk had misleid. Het hof achtte art. 11 WAM niet van toepassing en wees de vordering af.

De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Volgens vaste rechtspraak en het HvJEU heeft een inzittende die schade lijdt door een verkeersongeval een eigen recht op schadevergoeding jegens de WAM-verzekeraar (art. 6 WAM). Dit recht kan niet worden aangetast door verzekeringsrechtelijke bepalingen of contractuele vervalbedingen (art. 11 WAM). Ook fraude bij het afsluiten van de verzekering door de benadeelde zelf staat niet in de weg aan dit recht, tenzij sprake is van misbruik van Unierecht, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat in deze zaak geen sprake is van misbruik van Unierecht. De fraude was gericht op het verkrijgen van een verzekering, niet op het verkrijgen van schadevergoeding. De doelstelling van de WAM-richtlijn, namelijk bescherming van verkeersslachtoffers, wordt in dit geval bereikt. Daarom is ook geen ruimte voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).

De Hoge Raad verklaart eiseres 4 en haar voormalige bewindvoerders niet-ontvankelijk in het cassatieberoep, maar vernietigt het arrest van het hof voor zover het door de huidige bewindvoerder is ingesteld. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling, omdat in ieder geval nog moet worden geoordeeld over het beroep van Allianz op eigen schuld.

Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1133

In deze zaak vorderde zorgverzekeraar Menzis vergoeding van 75% van de door haar betaalde medische kosten na een aanrijding tussen een auto en een fietser. De fietser had ernstig letsel opgelopen. Achmea, de WAM-verzekeraar van de automobilist, had met het slachtoffer een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin stond dat zij 75% van de schade vergoedde. Menzis stelde in deze procedure dat zij op grond van subrogatie (art. 7:962 BW) recht had op hetzelfde percentage.

De rechtbank en het hof wezen de vordering van Menzis grotendeels af. Het hof oordeelde dat het verkeersgedrag van de fietser voor 75% aan het ongeval had bijgedragen en dat de billijkheidscorrectie in dit geval slechts tot een beperkte bijstelling leidde. Menzis kreeg daarom slechts 50% vergoed. Het hof overwoog dat de ernst van het letsel en de kwetsbaarheid van de fietser een beperkte correctie rechtvaardigden, maar dat Menzis als regresnemer niet in dezelfde positie verkeert als het slachtoffer zelf.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel. In gevallen waarin de 50%-regel (art. 185 WVW) of de 100%-regel voor kinderen jonger dan veertien jaar geldt, subrogeert de verzekeraar niet in de rechten van het slachtoffer wat betreft de billijkheidscorrectie. Ook bij een gewone toepassing van de billijkheidscorrectie (artikel 6:101 lid 1 BW) bepaalt de verzekeraar niet zelf hoe de omstandigheden dienen te worden meegewogen. De positie van een kwetsbaar verkeersslachtoffer verschilt immers wezenlijk van die van een regresnemende verzekeraar. Daarom moet voor de verzekeraar een eigen afweging worden gemaakt, die doorgaans slechts tot een beperkte bijstelling van het causale aandeel leidt.

Dat is niet anders wanneer de aansprakelijke verzekeraar een vaststellingsovereenkomst met het slachtoffer heeft gesloten. De uitkomst van die overeenkomst bindt de regresnemer niet voor zover die berust op een billijkheidscorrectie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Menzis en veroordeelt haar in de proceskosten.