Arresten gerechtshoven - AVV - september 2025

Arresten gerechtshoven - AVV - september 2025

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4876

Appellant vordert schadevergoeding wegens letsel dat hij opliep bij een motorongeval op de A2. Hij stelt dat geïntimeerde, die voor hem reed, abrupt snelheid verminderde en naar rechts uitweek zonder richting aan te geven, waardoor appellant ten val kwam. Hij acht geïntimeerde en diens verzekeraar Univé aansprakelijk.

De rechtbank wees de vordering in deelgeschil af. In hoger beroep stelt appellant dat geïntimeerde een verkeersfout maakte en dat de bewijslast bij Univé c.s. ligt. Hij beroept zich op de omkeringsregel en op onrechtmatig handelen in de zin van artikel 5 (gevaarlijk rijgedrag) en 6 WVW (bij overlijden of ernstig letsel benadeelde).

Het hof oordeelt dat de bewijslast bij appellant ligt en dat voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats is, nu de toedracht van het ongeval niet vaststaat. Uit verklaringen van getuigen blijkt dat appellant in de slipstream van geïntimeerde reed, op zeer korte afstand (30 cm tot 1 meter). Er is geen bewijs dat geïntimeerde abrupt snelheid verminderde of plotseling van rijrichting veranderde. Wel staat vast dat hij gas verminderde en naar de vluchtstrook wilde vanwege technische problemen, maar zonder abrupte beweging, aldus het hof.

Het hof acht niet bewezen dat geïntimeerde een verkeersfout maakte of onrechtmatig handelde. De eigen verklaring van appellant wordt niet ondersteund door ander bewijs. Het hoger beroep faalt.

Het hof bekrachtigt de beschikking in deelgeschil en veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling van de hoofdzaak, omdat sprake is van hoger beroep als van een tussenvonnis (artikel 355 Rv).

Gerechtshof Amsterdam 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2174

Appellante liep ernstig letsel op toen zij tijdens een cursusavond Toprope klimmen in de klimhal van Klimmuur Haarlem van twaalf meter hoogte viel. Zij werd gezekerd door een medecursist, zonder back-up zekeraar. Appellante stelde dat Klimmuur Haarlem en haar instructeurs tekort waren geschoten in hun zorgplicht door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en onvoldoende toezicht te houden. Appellante stelde een vordering tot schadevergoeding in.

In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen af. Volgens de rechtbank was geen sprake van een gevaarzettende situatie en had Klimmuur Haarlem niet anders hoeven handelen dan zij heeft gedaan. Appellante ging in hoger beroep. Klimmuur Haarlem voerde aan dat het ongeval het gevolg was van een menselijke fout van de zekeraar en dat sportklimmen geen gevaarlijke sport is. Zij beriep zich op eigen schuld van appellante, op een exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden en betwistte het causale verband tussen haar handelen en de schade. Ook voerde zij aan dat het gewichtsverschil tussen klimmer en zekeraar geen rol speelde.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de Klimmuur en haar instructeurs tekort zijn geschoten in hun zorgplicht. Appellante werd op een relatief moeilijke route toegelaten zonder voldoende ervaring, zonder back-up zekeraar en zonder effectief toezicht. De instructeurs waren op het moment van het ongeval niet in staat direct in te grijpen. Het hof acht het risico op ernstig letsel voorzienbaar en het nemen van veiligheidsmaatregelen niet bezwaarlijk. Ook het gewichtsverschil tussen klimmer en zekeraar was te groot en had vooraf moeten worden gecontroleerd. Het hof oordeelt dat het beroep op eigen schuld faalt en dat het exoneratiebeding moet worden vernietigd wegens een onjuiste terhandstelling van de algemene voorwaarden. Appellante heeft namelijk enkel ingestemd met de klimregels en huisregels, maar niet uitdrukkelijk met de algemene voorwaarden. Een impliciete verwijzing via posters in de klimhal is volgens het hof onvoldoende.

Het hof verklaart de Klimmuur Haarlem en haar vennoten aansprakelijk voor de schade, verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure en veroordeelt hen tot terugbetaling van het eerder betaalde griffierecht en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Gerechtshof Den Haag 26 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1618

Appellant liep een dwarslaesie op tijdens deelname aan het evenement Titan Swim, georganiseerd door Titan Events. Hij gleed uit toen hij van een obstakel (een piramide) wilde springen en raakte met zijn hoofd de rand van dit object. Appellant stelde dat Titan onrechtmatig had gehandeld door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en niet adequaat te waarschuwen voor het gevaar van springen. Hij vorderde schadevergoeding van Titan en haar aansprakelijkheidsverzekeraar Circles Group.

In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen van appellant af. De rechtbank oordeelde dat Titan niet onrechtmatig had gehandeld en dat het risico op uitglijden inherent was aan het karakter van het evenement. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.

Titan voerde in hoger beroep aan dat het risico op uitglijden en ongelukkig terechtkomen inherent is aan een hindernisbaan op het water en dat dit risico niet te voorkomen is. Zij stelde dat het obstakel niet bedoeld was om vanaf te springen en dat deelnemers voorafgaand aan de start van de hindernisbaan geen instructies kregen, omdat het evenement juist bedoeld was als fysieke en mentale uitdaging. Titan beriep zich daarnaast op eigen schuld van appellant en op een exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden. Circles Group betwistte dat appellant een rechtstreeks vorderingsrecht heeft op grond van artikel 7:954 BW.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat Titan onrechtmatig heeft gehandeld. Titan had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat deelnemers niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen, zeker gezien de hoogte, gladheid en vormgeving van het obstakel. Het geven van mondelinge instructies door een steward tijdens de activiteit was onvoldoende. Titan had vooraf duidelijke waarschuwingen moeten geven en fysieke maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat deelnemers zouden springen. Het beroep op eigen schuld faalt eveneens: het was volgens het hof aan Titan om de veiligheid van deelnemers te waarborgen. Met betrekking tot het exoneratiebeding is volgens het hof niet vast komen te staan dat de algemene voorwaarden op de juiste wijze ter hand zijn gesteld. Het beroep daarop faalt dan ook. Ten aanzien van Circles Group acht het hof de directe actie op grond van artikel 7:954 BW toewijsbaar. Appellant mag de verzekeraar rechtstreeks aanspreken voor uitkering van de schadevergoeding, voor zover de polis dekking biedt. Titan c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, tot terugbetaling van het eerder betaalde griffierecht, en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Gerechtshof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2282

Appellante (AVC 2 B.V.), een professionele vastgoedbelegger, kocht een circa 90 jaar oud winkelpand van geïntimeerde. Na levering constateerde AVC 2 ernstige gebreken aan de houten vloer, waaronder verzakkingen en aantasting door vocht en schimmel. AVC 2 stelde dat het pand niet aan de overeenkomst voldeed en dat geïntimeerde haar mededelingsplicht had geschonden. Zij vorderde schadevergoeding van geïntimeerde.

In eerste aanleg wees de rechtbank Noord-Holland de vorderingen af. Volgens de rechtbank was geen sprake van non-conformiteit en had geïntimeerde haar mededelingsplicht niet geschonden. De ouderdomsclausule in de koopovereenkomst sloot aansprakelijkheid voor gebreken aan onder meer de vloer namelijk uit en dat had voor AVC 2 aanleiding moeten zijn om onderzoek te doen naar eventuele constructieve problemen. AVC 2 ging in hoger beroep tegen dit oordeel. De grieven van AVC 2 richten zich op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van non-conformiteit en dat geïntimeerde haar mededelingsplicht niet heeft geschonden. AVC 2 stelt dat geïntimeerde wist van de gebrekkige vloer en dit had moeten melden, en dat het pand niet de eigenschappen bezit die zij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

Geïntimeerde voerde aan dat zij het pand in verhuurde staat had verkocht, zonder garantie over de bouwkundige staat. De ouderdomsclausule was expliciet opgenomen en AVC 2 had geen onderzoek gedaan voorafgaand aan de koop. Geïntimeerde had geen concrete wetenschap van de latere gebreken en mocht vertrouwen op eerdere herstelwerkzaamheden. Daarnaast had zij de ouderdomsclausule als exoneratiebeding opgenomen. 

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het pand voldeed aan de koopovereenkomst, mede gelet op de ouderdomsclausule en het feit dat AVC 2 het pand in feitelijke staat heeft aanvaard. Geïntimeerde heeft haar mededelingsplicht niet geschonden: zij mocht afgaan op de bevindingen van haar aannemer, die geen ernstige gebreken constateerde. Zelfs indien sprake zou zijn van een lichte schending van de mededelingsplicht, staat dit een beroep op de ouderdomsclausule niet in de weg. Het hof oordeelt dat de ouderdomsclausule in de koopovereenkomst moet worden aangemerkt als een exoneratiebeding waarmee geïntimeerde zich terecht heeft willen vrijtekenen voor aansprakelijkheid bij constructieve gebreken. Gezien de tekst van het beding, het ontbreken van garanties, de beperkte kennis van geïntimeerde en de professionele hoedanigheid van AVC 2, is het beroep op deze exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog net aanvaardbaar. De grieven van AVC 2 slagen niet.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5595

In deze procedure verhaalt De Vereende de schade op haar verzekerde, appellant, die zij heeft uitgekeerd aan de nabestaanden van een slachtoffer van een eenzijdig verkeersongeval. Appellant bestuurde de auto onder invloed van alcohol. De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding grotendeels toe. Appellant ging in hoger beroep.

Appellant stelt dat het ongeval niet door alcoholgebruik is veroorzaakt, maar door een technisch defect aan de stuurinrichting. Hij stelt dat De Vereende de schade niet mag verhalen enkel op basis van een overschrijding van de wettelijke alcohollimiet. Volgens hem vereist de clausule dat ook moet worden vastgesteld dat hij door het alcoholgebruik niet meer in staat was het voertuig correct te besturen. Hij betoogt dat verhaal van schade zonder causaal verband in strijd is met artikel 6:248 lid 2 BW (redelijkheid en billijkheid). Ook voert hij aan dat de clausule oneerlijk is in de zin van de Europese Richtlijn Oneerlijke bedingen. Hij stelt namelijk dat het beding onredelijk bezwarend is, omdat het hem verplicht tot terugbetaling van schade zonder dat causaal verband met het alcoholgebruik is vereist.

De clausule houdt in dat De Vereende schade mag verhalen op de bestuurder als deze 1) meer alcohol heeft gedronken dan wettelijk toegestaan; 2) zodanig onder invloed is dat hij het voertuig niet goed kon besturen; 3) onder invloed was van een ander middel dat het rijvermogen aantast.

Het hof oordeelt dat deze verhaalsclausule duidelijk en begrijpelijk is en dat De Vereende zich hierop mag beroepen. De clausule is niet oneerlijk in de zin van de Europese Richtlijn Oneerlijke bedingen, nu appellant bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst redelijkerwijs had moeten begrijpen dat schade veroorzaakt onder invloed van alcohol voor eigen rekening zou komen. Het betoog dat het ongeval is veroorzaakt door een gebroken stuurstang wordt verworpen, omdat de onderbouwing onvoldoende is en uit het politieonderzoek blijkt dat geen gebreken aan het voertuig zijn vastgesteld die het ongeval zouden kunnen verklaren.

Ten aanzien van de schadeposten oordeelt het hof dat de kosten van Trivium-Advies en de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand redelijk zijn en toewijsbaar. De kosten zijn onderbouwd en de werkzaamheden van de advocaat zijn redelijk. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.