Arresten gerechtshoven - AVV - oktober 2025

Arresten gerechtshoven - AVV - oktober 2025

Gerechtshof Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1893

Een uitzendkracht verricht schilderwerkzaamheden op een brug in opdracht van een opdrachtgever. Tijdens zijn werkzaamheden wordt hij op het fietspad aangereden door een scooter, waardoor hij ernstig aangezichtsletsel oploopt. De uitzendkracht stelt zowel het uitzendbureau als de opdrachtgever aansprakelijk voor zijn schade.

De rechtbank oordeelt dat de uitzendkracht schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat zowel het uitzendbureau als de opdrachtgever aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. De opdrachtgever toont onvoldoende aan dat hij aan zijn zorgplicht voldoet, aldus de rechtbank. De opdrachtgever stelt hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank. Daarbij voert hij aan dat hij wel degelijk aan zijn zorgplicht heeft voldaan, omdat voorafgaand aan de werkzaamheden altijd veiligheidsinstructies worden verstrekt, de benodigde veiligheidsmaatregelen (zoals borden, kegels en hekken) zijn getroffen, persoonlijke beschermingsmiddelen zijn uitgereikt en de uitzendkracht bekend was met de veiligheidsaspecten van het werk.

In hoger beroep oordeelt het hof dat de opdrachtgever niet heeft aangetoond dat toereikende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, dat voldoende specifieke instructies zijn gegeven of dat er adequaat toezicht is gehouden. Volgens het hof is het enkel verwijzen naar algemene veiligheidsregels, het plaatsen van enkele kegels en het verstrekken van een veiligheidsvest hiervoor onvoldoende. Ook blijkt niet dat er een risicoanalyse is gemaakt of dat er toezicht was op de naleving van de maatregelen. Verder is niet gebleken van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitzendkracht. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de opdrachtgever tot vergoeding van de schade van de uitzendkracht.

Gerechtshof Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1815

Een werknemer was jarenlang werkzaam bij de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM) alsook bij Machinefabriek Duyvis Cacao (Duyvis). Gedurende zijn dienstverband van 1966 tot 1979 bij NDSM en van 1979 tot 2004 bij Duyvis, werd hij bij beide werkgevers blootgesteld aan asbest. In 2018 is hij overleden aan de gevolgen van mesothelioom. De partner en erfgename van een oud-werknemer heeft de Stichting, opgericht na de liquidatie van NDSM en RSV om asbestclaims af te wikkelen, aangesproken tot schadevergoeding.

In eerste aanleg vordert eiseres vergoeding van smartengeld, ziektekosten, uitvaartkosten, kosten buiten rechte en proceskosten. Eiseres stelt dat de Stichting aansprakelijk is voor de schade omdat de Stichting de asbestclaims afhandelt van het RSV-concern. De Stichting voert verweer en stelt dat zij niet rechtstreeks aansprakelijk is nu zij slechts een steunfonds is, en dat eventuele aansprakelijkheid beperkt moet blijven tot wat onder de oude RICC-verzekering (de oude verzekeraar van NDSM) gedekt zou zijn. Bovendien zou de schade pas na de verzekerde periode zijn ontstaan, en kan de erfgename volgens de Stichting ook de volledige schade op een andere werkgever, Duyvis, verhalen.

De rechtbank oordeelt dat de Stichting wel rechtstreeks kan worden aangesproken omdat de statuten en oprichtingsakte een derdenbeding bevatten ten behoeve van oud-werknemers. Het argument over de verzekering wordt door de rechtbank verworpen, omdat het moment van blootstelling aan asbest volgens de rechtbank doorslaggevend is. Wel vindt de rechtbank het, gezien het beperkte budget en het maatschappelijk belang, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gerechtvaardigd dat eiseres Duyvis geheel buiten beschouwing laat. Voorts oordeelt de rechtbank dat de Stichting voor 70% proportioneel aansprakelijk is voor de schade omdat niet kan worden vastgesteld bij welke werkgever de ziekte is ontstaan, maar de kans groter is dat dit bij NDSM is gebeurd. Dat komt volgens de rechtbank door de hogere frequentie en de periode van blootstelling aan asbest. De rechtbank oordeelt tot slot dat de volledige buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Het hof bevestigt dat de Stichting rechtstreeks kan worden aangesproken, maar oordeelt anders over de omvang van haar aansprakelijkheid. Waar de rechtbank uitgaat van een proportionele aansprakelijkheid van 70%, legt het hof de nadruk op de polisvoorwaarden van de voormalige verzekeraar RICC. Volgens het hof kan de Stichting alleen aansprakelijk worden gehouden voor het deel van de schade dat daadwerkelijk onder de dekking van deze verzekering valt. Dit betekent dat uitsluitend de schade die is veroorzaakt tijdens de verzekerde periode bij NDSM (maart 1974 – november 1978) voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof berekent dit aandeel op 28% van de totale schade, door het aandeel van de verzekerde periode binnen het dienstverband bij NDSM (40%) te combineren met het aandeel van NDSM ten opzichte van Duyvis (70%). De volledige buitengerechtelijke kosten blijven wel voor vergoeding in aanmerking komen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5740

Appellant liep letsel aan zijn arm op tijdens een hondentrainingscursus bij geïntimeerde. Hij gleed uit over een natte plek op de betonnen vloer, ontstaan doordat een hond had geplast en de plek was opgedweild. Appellant stelde dat geïntimeerde onrechtmatig had gehandeld door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en niet adequaat te waarschuwen voor het gevaar van uitglijden. Hij vorderde schadevergoeding van geïntimeerde en betrok ook de aansprakelijkheidsverzekeraar De Goudse in de procedure.

In eerste aanleg wees de rechtbank de vordering af. De rechtbank oordeelde dat geïntimeerde niet onrechtmatig had gehandeld en dat het risico op uitglijden inherent was aan het karakter van de hondentraining. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.

Geïntimeerde voert in hoger beroep aan dat het risico op uitglijden op een natte vloer bekend is bij deelnemers en dat de vloer voldeed aan de NEN-norm voor slipweerstand. Zij wijst op eigen schuld van appellant en op een exoneratiebeding in het inschrijfformulier. De Goudse betwist dat zij rechtstreeks aansprakelijk is voor de schade.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens het hof had geïntimeerde rekening moeten houden met de mogelijkheid dat deelnemers niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen, zeker gezien de natte, gladde vloer en de focus van deelnemers op hun hond. De instructie “goed dweilen” was onvoldoende. Geïntimeerde had duidelijke waarschuwingen moeten geven en fysieke maatregelen moeten treffen, zoals het droogmaken van de vloer of het plaatsen van een waarschuwingsbord. Het beroep op eigen schuld faalt: het was aan geïntimeerde om de veiligheid van deelnemers te waarborgen. Het exoneratiebeding wordt buiten toepassing gelaten, omdat appellant als consument tegenover een professionele partij stond en het beding vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn (artikel 6:237 BW).

Het hof verklaart voor recht dat geïntimeerde aansprakelijk is voor de schade van appellant, nader op te maken bij staat, en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de proceskosten in beide instanties. De vordering tegen De Goudse wordt afgewezen wegens het ontbreken van een zelfstandige grondslag.

Gerechtshof Den Haag 16 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:1778

In deze zaak vorderen Columbus, een letselschadekantoor, en een van haar medewerkers (appellant) verwijdering uit het EVR-register dan wel beperking van de duur ervan. Allianz (geïntimeerde) heeft beide partijen voor de duur van drie jaar in het EVR-register opgenomen. Aanleiding hiervoor was een telefoongesprek dat door een cliënt van Columbus heimelijk werd opgenomen. Uit deze opname bleek dat werd gesproken over het aanpassen en achterhouden van medische informatie, met als doel het verkrijgen van een onterechte schadevergoeding. Ook is uit de opname gebleken dat de appellant deze werkwijze structureel toepast en zijn medewerkers op die manier opleidt.

Opname in het EVR is op grond van artikel 5.2.1 Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PiFi) alleen mogelijk als een gedraging een (mogelijke) bedreiging vormt voor de financiële belangen van cliënten of medewerkers, de organisatie van een financiële instelling, of de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Daarnaast moet voldoende vaststaan dat de betrokkene bij die gedragingen betrokken is geweest en moet het proportionaliteitsbeginsel worden toegepast.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de geluidsopname dat sprake was van een werkwijze die erop gericht was om mogelijk relevante en voor de verzekeraar nadelige informatie achter te houden, waardoor – indien die informatie bijvoorbeeld wijst op een alternatieve oorzaak van klachten – een lagere of geen aanspraak op schadevergoeding kan bestaan. Dit raakt volgens de voorzieningenrechter aan de financiële belangen van de geïntimeerde en aan de integriteit van Columbus en appellant. De voorzieningenrechter acht daarnaast de duur van de registratie proportioneel, gelet op de ernst van de reden voor registratie. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat een belangenafweging tussen partijen niet tot een ander oordeel leidt. Hoewel de registratie financieel nadelige gevolgen (zoals faillissement) kan hebben voor Columbus, weegt het belang van Allianz om te kunnen vertrouwen op informatie die aan haar wordt verstrekt ter voorkoming van het doen van schade-uitkeringen waar geen recht op bestaat zwaarder, aldus de voorzieningenrechter. Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter stelt alleen appellant hoger beroep in.

In het kort geding in hoger beroep stelt appellant dat het niet delen van medische informatie op grond van de Medische Paragraaf van de Gedragscode Behandeling Letselschade is toegestaan. Het hof gaat hier niet in mee en oordeelt dat uit de gespreksopname blijkt dat appellant door het achterhouden van informatie wilde voorkomen dat de verzekeraar alternatieve verklaringen voor de klachten zou opmerken. Die vorm van misleiding is ook in het geval van kortdurende schades, naar het oordeel van het hof, niet toegestaan. Daarnaast oordeelt het hof dat de registratie proportioneel is. Volgens het hof is het kunnen vertrouwen op belangenbehartigers in letselschadezaken van groot belang, omdat aansprakelijkheidsverzekeraars in grote mate afhankelijk zijn van de door de benadeelde verstrekte informatie zelf. De gedragingen van appellant vormen om die reden volgens het hof een serieuze bedreiging voor de financiële sector. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de voorzieningenrechter blijft in stand.

Gerechtshof Den Haag 23 september 2025, ECLI:GHDHA:2025:1888

Een werknemer van ECT Delta Terminal B.V. (ECT) raakt ernstig gewond als hij tijdens het lossen van een schip struikelt over een spanschroef (rondslingerend sjormateriaal) en in het ruim valt. De eigenaar van het schip is Cosco Europe Maritime Inc (Cosco). ECT heeft aansprakelijkheid erkend tegenover haar werknemer. In deze procedure vordert ECT een verklaring voor recht dat Cosco jegens de werknemer samen met ECT hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van de werknemer en dat Cosco op basis van schuldverdeling gehouden is 100% van de door ECT al betaalde schade te vergoeden.

De rechtbank oordeelt dat Cosco als scheepseigenaar naast ECT hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van de werknemer, omdat het ongeval het gevolg is van een fout van de bemanning van het schip (het laten liggen van sjormateriaal op het looppad). Dit kwalificeert derhalve als ‘schuld van het schip’ waarvoor de scheepseigenaar op grond van artikel 8:544 BW aansprakelijk is, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft de werknemer echter niet volledig volgens de veiligheidsvoorschriften gehandeld, omdat hij zijn werk niet had stilgelegd en geen melding had gemaakt van de gevaarlijke situatie. De rechtbank past daarom op grond van artikel 6:102 jo. 6:101 BW de volgende causale verdeling toe: 75% van de schade komt voor rekening van ECT (werkgever), 25% voor Cosco (scheepseigenaar).

Beide partijen gaan in hoger beroep. In hoger beroep voert ECT aan dat Cosco volledig aansprakelijk is, omdat het letsel vooral is veroorzaakt door het rondslingerende materiaal. Cosco betwist dat sprake is geweest van rondslingerend materiaal en acht zichzelf niet aansprakelijk.

Volgens het hof heeft de rechtbank juist geoordeeld dat Cosco als eigenaar van het schip aansprakelijk is, omdat het ongeval is veroorzaakt door een fout van de bemanning in de zin van artikel 8:544 BW. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat schuld van een ondergeschikte, als eigen schuld aan de benadeelde werkgever wordt toegerekend. Dat de werknemer niet overeenkomstig de veiligheidsvoorschriften heeft gehandeld, is dan ook terecht aan ECT toegerekend, aldus het hof. Het hof oordeelt dat de ernst van de over en weer gemaakte fouten wel tot een billijkheidscorrectie leidt: 85% van de schade dient voor rekening van ECT te blijven en 15% voor rekening van Cosco. Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam en verklaart voor recht dat Cosco jegens ECT verplicht is in de schuld bij te dragen met een schadeverdeling van 15%.