Arresten gerechtshoven - AVV - maart 2025
Gerechtshof Amsterdam 4 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:289
In deze procedure vordert appellante, een verzekeraar van een juwelier, schadevergoeding van geïntimeerde, omdat geïntimeerde een pakket ter waarde van € 29.500 niet heeft afgeleverd aan de geadresseerde. In de betreffende overeenkomst met geïntimeerde is echter een beperking van de aansprakelijkheid opgenomen en is bepaald dat geïntimeerde niet aansprakelijk is voor vorderingen van meer dan $ 100 per pakket, tenzij een hogere waarde is aangegeven en een extra toeslag is betaald. De rechtbank heeft de vordering van appellante afgewezen en geoordeeld dat geïntimeerde zich terecht heeft beroepen op de beperking van haar aansprakelijkheid in de toepasselijke vervoersvoorwaarden. Appellante voert in hoger beroep aan dat haar vordering alsnog moet worden toegewezen, omdat het beroep op de aansprakelijkheidsbeperking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Het hof overweegt dat appellante de toepasselijkheid van de vervoersvoorwaarden van geïntimeerde niet betwist en ook geen bezwaar heeft gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank hierover. Het hof neemt hierdoor aan dat de vervoersvoorwaarden van geïntimeerde van toepassing zijn op het transport van het pakket. Artikel 1.2 van deze voorwaarden verklaart het CMR-verdrag van toepassing. Het hof beoordeelt de zaak daarom aan de hand van het CMR-verdrag en de artikelen 19.1 en 20.1 van de vervoersvoorwaarden. Volgens artikel 23 lid 3 van het CMR-verdrag is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot 8.33 SDR (circa € 10,45) per kilogram verloren gewicht. Deze beperking geldt echter niet als de schade voortkomt uit opzet of schuld van de vervoerder.
Onder schuld wordt verstaan een handeling of nalaten dat als roekeloos wordt aangemerkt en met de wetenschap dat schade waarschijnlijk zou volgen (artikel 8:1108 lid 1 BW). Dit betekent dat degene die zich roekeloos gedraagt en zich bewust is van het aanzienlijke risico op schade, maar zich hierdoor niet laat weerhouden, aansprakelijk kan worden gesteld. Appellante moet bewijzen dat sprake is van dergelijk gedrag, aldus het hof. Appellante stelt dat geïntimeerde geen beroep kan doen op de aansprakelijkheidsbeperking, omdat duidelijke instructies waren gegeven voor de aflevering van het pakket en geïntimeerde de instructies niet heeft nageleefd en dat dit tot schade heeft geleid. Het hof oordeelt echter dat appellante onvoldoende heeft gesteld om opzet of bewuste roekeloosheid van geïntimeerde aan te nemen. Het niet naleven van afleverinstructies leidt niet automatisch tot opzet of bewuste roekeloosheid. De zendingsgegevens vermeldden dat de inhoud van het pakket ‘commodities’ betrof met een waarde van € 0,00, en de bezorger kon niet weten dat het pakket een hogere waarde had.
Appellante betoogt ook dat de bepalingen van het CMR-verdrag als algemene voorwaarden moeten worden beschouwd en dat de strenge maatstaf van artikel 29 CMR niet van toepassing is. Het hof oordeelt echter dat de feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om te concluderen dat het beroep van geïntimeerde op de aansprakelijkheidsbeperking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof concludeert dat geïntimeerde zich kan beroepen op de beperking van haar aansprakelijkheid. Aangezien het pakket twee kilogram woog, is de aansprakelijkheid van FedEx beperkt tot $ 100,00. Het hof zal de vordering van appellante alsnog toewijzen tot een bedrag van $ 100,00.
Gerechtshof Den Haag 11 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:115
In deze zaak had een bedrijf dat zich bezighield met graaf- en sloopwerkzaamheden (appellant) een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden (NN). Als beroep had hij hierbij ‘timmerbedrijf’ opgegeven. Vervolgens wordt het bedrijf na het verrichten van graafwerkzaamheden in een woning aansprakelijk gesteld voor de schade die in de woning van de buren is ontstaan. NN weigert de schade te vergoeden, omdat zij meent dat er geen dekking bestaat. In eerste aanleg vordert appellant alsnog vergoeding van deze schade.
De rechtbank oordeelt dat de schadeveroorzakende werkzaamheden niet zijn gedekt onder de aansprakelijkheidsverzekering, omdat uit het polisblad blijkt dat appellant zich heeft aangemeld als timmerbedrijf in plaats van – het meer toepasselijke - aannemer. In hoger beroep grieft appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn klacht dat NN zijn zorgplicht heeft geschonden door niet na te gaan of de gekozen hoedanigheid ook alle werkzaamheden omvatten. Tevens klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat hij de stelling van NN dat het bij de aanvraag van de verzekering ook mogelijk was om voor ‘aannemingsbedrijf’ te kiezen onvoldoende heeft betwist. Volgens appellant was deze optie er niet, althans heeft hij deze optie niet gezien.
Het hof oordeelt dat de grieven falen. Volgens het hof heeft appellant onvoldoende bewijs aangevoerd dat het niet mogelijk was om voor de optie ‘aannemingsbedrijf’ te kiezen en is dit voor een aanbieder voor bedrijfsverzekeringen ook niet aannemelijk. Daarnaast oordeelt het hof dat op basis van de gedragscode voor verzekeraars geen precontractuele zorgplicht bestond voor NN om na te gaan of de door appellant zelfgekozen hoedanigheid ook al zijn werkzaamheden betrof. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:837
Appellant is een Poolse vervoerder die was ingeschakeld om een lading kaas te vervoeren naar Frankrijk. Tijdens het transport verdwijnt de lading. De opdrachtgever stelt hem aansprakelijk voor de schade en in de hoofdzaak wordt uiteindelijk een schikking van € 40.000 getroffen. Appellant heeft haar verzekeraar in vrijwaring opgeroepen en vordert betaling van dit bedrag. In deze zaak gaat het om de vraag of appellant haar verzekeraar terecht in vrijwaring heeft opgeroepen en of zij op grond van de verzekeringsovereenkomst aanspraak kan maken op vergoeding van genoemd bedrag.
De rechtbank heeft de vordering van appellant afgewezen, omdat appellant volgens de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat zich een voorval heeft voorgedaan waar de polis dekking voor verleent.
In hoger beroep voert appellant als belangrijkste grief aan dat voor dekking onder de polis voldoende is dat vaststaat dat er een vervoersovereenkomst was en dat de lading is verdwenen. Het hof overweegt dat de toedracht van het verlies onduidelijk blijft door de verschillende verklaringen van appellant, maar dat zowel in het geval dat er sprake was van een overeenkomst met een onderaannemer als wanneer dit niet zo was op basis van de polisvoorwaarden geen sprake kan zijn van vergoeding onder de polisvoorwaarden. Zo ontbreekt het bewijs van een geldende overeenkomst en heeft appellant ook niet aangetoond dat de – al dan niet bestaande – onderaannemer beschikte over een aansprakelijkheidsverzekering die volledige dekking bood in geval van diefstal. Een beroep op de additionele clausule bij vervoer door onbevoegde personen gaat tevens niet op, omdat appellant geen kopie van de ID-kaart van de chauffeur kan overleggen, aldus het hof. Het hof oordeelt dat de grieven falen en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1068
In het winkelpand van appellante is tweemaal waterschade ontstaan. Appellante was verzekerd bij Achmea en Achmea heeft uit hoofde van deze verzekering de schade vergoed. Het geschil gaat over de vraag of er nog een aanvullend bedrag uitgekeerd moet worden. Partijen verschillen van mening over de omvang van de dekkingsplicht van Achmea, met name over de berekeningen ter vaststelling van de bedrijfsschade. Tevens stelt appellante dat Achmea te traag tot herstel is overgegaan, waardoor appellante langdurig omzet is misgelopen. Achmea stelt dat de vertraging juist aan de kant van appellante zat. Appellante heeft bij de voorzieningenrechter in kort geding betaling gevorderd van de door haar berekende schade. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellante recht had op uitkering van een hoger bedrag aan bedrijfsschade. In hoger beroep vordert appellante alsnog betaling van deze schade, wederom in kort geding.
Met betrekking tot de berekeningen ter vaststelling van de bedrijfsschade geldt dat Achmea is uitgegaan van de omzet van 2022, het boekjaar voorafgaand aan de schadevoorvallen. Daarbij heeft een correctie plaatsgevonden ten aanzien van de maanden januari en februari in het licht van de nasleep van de coronapandemie. Appellante stelt zich op het standpunt dat gekeken dient te worden naar het boekjaar voor de start van de coronapandemie, namelijk 2019. Het hof oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd waarom de coronapandemie een zodanig effect had dat het gehele jaar 2022 niet kan meetellen. Dat had – gezien het verweer van Achmea – wel van appellante mogen verwacht, aldus het hof. Een verklaring voor het verschil in berekeningen tussen partijen gaat over de vraag of de tegemoetkoming vaste lasten die in 2022 is ontvangen, mag worden meegerekend bij het brutowinstpercentage. Het hof oordeelt dat de tegemoetkoming alleen betrekking had op januari en februari. Deze maanden zijn al gecorrigeerd door Achmea en kunnen daarom niet worden meegerekend.
Met betrekking tot de vraag welke tijd nodig is geweest voor het herstel en het op normaal niveau brengen van de omzet overweegt het Hof dat onvoldoende is toegelicht waarom de winkelsluiting een langdurig negatief effect heeft gehad op de omzet. Appellante heeft immers verteld al tien jaar haar bedrijf voornamelijk via mond-op-mondreclame te runnen, aldus het hof.
Het hof oordeelt dat in het kader van het kort geding niet kan worden vastgesteld dat Achmea nog een aanvullend bedrag is verschuldigd, met name gezien het feit dat Achmea al een hoger bedrag had uitgekeerd. Gelet hierop kan volgens het hof de vraag of appellante onvoldoende heeft gedaan om sneller tot herstel te komen en of een beroep hierop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, onbeantwoord blijven. Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.