Arresten gerechtshoven - AVV - juli 2026

Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7685

Appellante raakte in 2018 betrokken bij een verkeersongeval en ontving in 2022 ruim € 447.000 aan letselschadevergoeding. Voor de financiering van een eigen tandartspraktijk vroeg zij een AOV aan bij ASR. In de gezondheidsverklaring antwoordde zij “nee” op vragen over eerdere klachten, behandelingen en beperkingen, terwijl zij nog langdurig schouderklachten had, diverse medische onderzoeken had ondergaan en het letselschadetraject nog liep. ASR kwam hiervan op de hoogte nadat appellante bij haar zwangerschap een uitkeringsvraag stelde. Vervolgens bleek dat appellante wisselend had verklaard over de reden voor haar antwoorden en weigerde zij meermalen een medische machtiging af te geven. ASR registreerde haar in het IVR en EVR voor acht jaar wegens opzettelijke misleiding. De kantonrechter wees haar vorderingen tot verwijdering van die registraties af.

In hoger beroep stelt appellante dat geen sprake was van opzet tot misleiding en dat ASR niet had mogen registreren. Subsidiair vraagt zij om verkorting van de registratieduur. ASR voert aan dat appellante bewust onjuiste informatie verstrekte, dat de vragen helder waren en dat haar handelwijze het vertrouwen van de verzekeraar aantastte.

Het hof oordeelt dat ASR terecht heeft aangenomen dat appellante de precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet om te misleiden. De vragen in de gezondheidsverklaring waren duidelijk, de klachten uit het ongeval waren recent en nog onderwerp van revalidatie en onderzoek, en appellante was medisch onderlegd. Bovendien was het letselschadetraject pas één maand na het invullen van de verklaring afgerond. De combinatie van onjuiste antwoorden, inconsistenties in haar verklaringen en het belang bij het verkrijgen van de AOV voor de financiering bevestigen volgens het hof dat sprake was van opzettelijke misleiding. De registraties in IVR en EVR waren daarom rechtmatig. Wel acht het hof de registratieduur van acht jaar disproportioneel. Appellante wordt hierdoor ernstig belemmerd in het starten van haar praktijk en bij het verkrijgen van verzekeringen. ASR heeft onvoldoende onderbouwd waarom handhaving van de volledige termijn nodig zou zijn, aldus het hof. Het hof verkort de looptijd van beide registraties tot vier jaar. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Gerechtshof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3765

Geïntimeerde is als passagier betrokken geraakt bij een ernstig verkeersongeval. De bestuurder van de auto reed onder invloed van lachgas en botste met hoge snelheid tegen een vrijwel stilstaande pijlwagen. Geïntimeerde raakte daarbij gewond. Tijdens de rit had geïntimeerde op verzoek van de bestuurder ballonnen met lachgas gevuld en aan hem aangereikt. De bestuurder is strafrechtelijk veroordeeld wegens roekeloos rijgedrag. ASR is de WAM‑verzekeraar van het voertuig en heeft aansprakelijkheid afgewezen, omdat geïntimeerde volgens haar in gelijke mate als de bestuurder aan het ongeval had bijgedragen.

In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens geïntimeerde en dat ASR als WAM‑verzekeraar gehouden is diens schade te vergoeden. De rechtbank heeft hierbij 50% eigen schuld aan de zijde van geïntimeerde aangenomen wegens zijn gedragingen voorafgaand aan en tijdens de rit.

ASR heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en stelt dat geïntimeerde door zijn handelen – het instappen bij een bestuurder die lachgas gebruikte, het aanreiken van lachgasballonnen en het nalaten in te grijpen – zijn bescherming als passagier heeft verspeeld, zodat hem het recht op schadevergoeding geheel moet worden ontzegd. Daarnaast voert ASR in hoger beroep aan dat geïntimeerde ten tijde van het ongeval geen autogordel droeg, hetgeen volgens ASR tot een hogere mate van eigen schuld moet leiden.

Het hof oordeelt dat het gedrag van geïntimeerde niet met zich brengt dat hij zijn aanspraak op schadevergoeding volledig verliest. Volgens het hof waren de rollen van partijen niet gelijkwaardig: de bestuurder was de enige die het voertuig bestuurde en verantwoordelijk was voor het rijgedrag. Het enkele feit dat geïntimeerde als passagier ballonnen met lachgas heeft aangereikt op verzoek van de bestuurder, is volgens het hof onvoldoende om hem gelijk te stellen met de bestuurder of hem buiten het beschermingsbereik van de geschonden verkeersnorm te plaatsen. De norm die de bestuurder heeft geschonden, strekt ook tot bescherming van geïntimeerde als passagier. Wel kunnen de gedragingen van geïntimeerde leiden tot eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW, aldus het hof.

Ten aanzien van het niet dragen van de autogordel oordeelt het hof dat ASR voldoende heeft onderbouwd dat geïntimeerde de gordel niet droeg. Het hof hecht daarbij waarde aan het proces‑verbaal van de politie en objectieve gegevens ter plaatse, terwijl de verklaringen van geïntimeerde hierover wisselend en onvoldoende consistent zijn geweest. Het niet dragen van de autogordel heeft volgens het hof bijgedragen aan de omvang van het letsel.

Het hof oordeelt dat, uitgaande van de door de rechtbank vastgestelde 50/50‑verdeling, het niet dragen van de autogordel aanleiding geeft om de schadeverdeling bij te stellen. Het hof stelt de aansprakelijkheid van ASR vast op 40% en het eigen‑schuldpercentage van geïntimeerde op 60%. Het hof ziet geen aanleiding voor een billijkheidscorrectie. Het vonnis van de rechtbank wordt in zoverre vernietigd en voor het overige bekrachtigd door het hof.

Gerechtshof Den Haag 17 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:239

Een agrarisch handels‑ en transportbedrijf leverde strobalen aan een aardbeienkwekerij. Tijdens het uitladen viel een strobaal van een aanhangwagen op de eigenaar van de aardbeienkwekerij. De eigenaar overleed ter plaatse. Het bedrijf werd door de nabestaanden aansprakelijk gesteld voor de overlijdensschade. Het bedrijf was verzekerd onder een werk‑ en landbouwmaterieelverzekering (WLM) bij Allianz en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (AVB) bij Fatum. Allianz heeft de schade aan de erven vergoed en het schaderegelingstraject doorlopen. Vervolgens ontstond tussen Allianz en Fatum een geschil over de vraag welke verzekering dekking bood voor de schade.

Allianz heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Fatum volledig draagplichtig is voor de uitgekeerde schadevergoeding en de kosten van het schaderegelingstraject en dat Fatum deze bedragen aan Allianz moet vergoeden op grond van art. 7:961 BW. De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid was gedekt onder de WLM‑polis van Allianz en heeft de vorderingen van Allianz afgewezen.

Allianz is in hoger beroep gekomen en voert aan dat de aansprakelijkheid van het bedrijf niet is gedekt onder haar WLM‑polis. Volgens Allianz is geen sprake van schade “veroorzaakt met of door het object” in de zin van de polisvoorwaarden en evenmin van dekking voor een aanhangwagen die ten tijde van het ongeval was losgekoppeld van het bij Allianz verzekerde voertuig en gekoppeld aan een andere tractor. Fatum stelt daartegenover dat meerdere bij Allianz verzekerde objecten een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het ongeval en dat daarom wel degelijk sprake is van dekking onder de WLM‑polis, althans van samenloop met de AVB‑polis.

Het hof oordeelt dat voor de uitleg van de polisvoorwaarden doorslaggevend is of het risico dat zich heeft verwezenlijkt, een risico is dat eigen is aan het gebruik van het verzekerde werk‑ en landbouwmaterieel. Volgens het hof is dat niet het geval. Het hof oordeelt dat het ongeval is veroorzaakt door gevaarlijke werkzaamheden rondom het uitladen van de strobalen en het zich bevinden van derden in de gevarenzone bij de aanhangwagen. Dat risico is volgens het hof geen risico dat eigen is aan het gebruik van de bij Allianz verzekerde objecten, maar aan de wijze waarop de werkzaamheden zijn georganiseerd. Het enkele bestaan van een condicio sine qua non‑verband tussen het gebruik van verzekerde objecten en het ongeval is daarvoor onvoldoende.

Ten aanzien van de dekking voor aanhangwagens oordeelt het hof dat de aanhangwagen ten tijde van het ongeval niet was gekoppeld aan een bij Allianz verzekerd object en evenmin kan worden aangemerkt als een losgekoppelde aanhangwagen die nog niet buiten het verkeer tot stilstand was gekomen. De uitleg van Fatum zou volgens het hof leiden tot onwenselijke dubbele dekking, hetgeen niet strookt met de aard en strekking van de verzekering.

Het hof oordeelt daarom dat de aansprakelijkheid van het bedrijf niet is gedekt onder de WLM‑polis van Allianz en uitsluitend onder de AVB‑polis van Fatum. Allianz heeft de schade onverplicht vergoed en kan deze op grond van art. 7:961 BW volledig verhalen op Fatum. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, wijst de vorderingen van Allianz alsnog toe en veroordeelt Fatum tot betaling van de schadevergoeding en de kosten van het schaderegelingstraject, vermeerderd met rente en proceskosten.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:451

Een 20‑jarige man (hierna: ‘appellant’) raakt in 2021 gewond tijdens het sleeën achter een buggy. De groep vrienden had afgesproken een slee met een touw aan de buggy te bevestigen en elkaar om beurten voort te trekken over een traject dat deels over een grasveld en deels over de openbare weg liep. Tijdens een rit ligt appellant voorover op de slee. Bij het nemen van een bocht vanaf het grasveld naar de weg verliest de buggy kort grip op een ijzig wegdeel, waarna de slee een zwieper maakt en appellant tegen een boom slaat. Hij loopt ernstig en deels blijvend letsel op.

Appellant stelt de bestuurder van de buggy en diens WAM‑verzekeraar Allianz aansprakelijk. Hij vordert onder meer een verklaring voor recht en een voorschot op de schade. De rechtbank wijst de vorderingen af.

In hoger beroep voert appellant aan dat art. 185 WVW van toepassing is, dat geen sprake was van een sport- en spelsituatie en dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld door te hard en gevaarlijk te rijden. Ook stelt hij dat sprake is van grove onvoorzichtigheid.

Het hof bekrachtigt het vonnis. Het overweegt eerst dat art. 185 WVW toepassing mist, omdat appellant moet worden aangemerkt als een door een motorrijtuig vervoerde persoon: de slee was bewust aan de buggy gekoppeld zodat de inzittende gebruik kon maken van de kracht en snelheid van het voertuig.

Voorts oordeelt het hof dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie. De gehele rit – over zowel het grasveld als de weg – maakte onderdeel uit van het spel. De deelnemers zochten daarbij bewust de grenzen op en accepteerden de daaraan verbonden risico’s, waaronder het risico van slippen en slingeren.

Het hof verwerpt ook de stelling dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld door te hard te rijden. Dat de buggy op een ijzig wegdeel in een slip is geraakt, leidt niet tot aansprakelijkheid. De slip is het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden binnen een risicovol spel. Niet is komen vast te staan dat de bestuurder opzettelijk gevaarlijk heeft gereden of buiten de spelgrenzen is getreden. Van grove onvoorzichtigheid is evenmin sprake. Het rijgedrag paste binnen de context van het spel, waarbij deelnemers gaandeweg meer risico accepteerden.

Het hoger beroep slaagt niet. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1935

Een veehouder heeft landbouwplastic gekocht van een verkoper. Later blijkt dat het plastic kleine gaatjes bevatte, waardoor zuurstof bij kuilgras van de veehouder kon komen. Het kuilgras beschimmelde en werd daardoor waardeloos. De veehouder stelde zowel de verkoper als de producent van het landbouwplastic aansprakelijk voor de daardoor geleden schade. 

In eerste aanleg vorderde de veehouder schadevergoeding wegens onder meer het verloren gaan van het kuilgras, extra kosten en gederfde inkomsten. De rechtbank wees de vordering grotendeels af, met name omdat de schade onvoldoende concreet was onderbouwd.

In hoger beroep staat vast – op basis van eerdere tussenarresten – dat de verkoper non-conform heeft geleverd en dat de producent onrechtmatig heeft gehandeld door gebrekkig landbouwplastic in het verkeer te brengen. Daarmee zijn zij in beginsel aansprakelijk voor de schade. In geschil is nog de omvang van die schade.

Het hof oordeelt dat de schade concreet moet worden begroot. Kosten die rechtstreeks verband houden met de gevolgen van het gebrekkige plastic komen voor vergoeding in aanmerking, zoals kosten voor gezondheidsproblemen bij de koeien, extra werkzaamheden en kosten van deskundigen.

De door de veehouder opgevoerde kosten voor extra krachtvoer acht het hof onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gederfde melkinkomsten corrigeert het hof de uitgangspunten van de veehouder door uit te gaan van een lagere melkproductie. De gevorderde vergoeding van de waarde van het verloren gegane kuilgras wijst het hof af, omdat deze niet past binnen een concrete schadebegroting en zou leiden tot overcompensatie.

Het hof begroot de toe te wijzen schade op € 36.726,77. De producent wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De verkoper wordt slechts voor een beperkt bedrag (€ 223,53) veroordeeld, waarvoor de verkoper en de producent hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank. 

Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2455

In een langlopende letselschadeprocedure tussen een benadeelde en aansprakelijkheidsverzekeraar Allianz staat, na eerdere tussenarresten, de begroting van de schade wegens verlies van verdienvermogen centraal. 

Uitgangspunt is dat appellant zonder ongeval vanaf 2004 110% van het minimumloon zou hebben verdiend, terwijl in de feitelijke situatie wordt uitgegaan van zijn werkelijke inkomen. Voor de periode vanaf 2012 geldt dat appellant 50% van de schade zelf draagt wegens schending van de schadebeperkingsplicht. 

De deskundige begroot de schade op circa € 257.000. Partijen verschillen van mening over onder meer de verwerking van eigen schuld, de rol van de bijstandsuitkering (Participatiewet), toeslagen en fiscale aspecten. 

Het hof verwerpt de bezwaren van Allianz tegen de rekenkundige verwerking van eigen schuld. Het percentage eigen schuld moet worden toegepast op de schade (het verschil tussen hypothetisch en feitelijk inkomen) en niet op het hypothetisch inkomen zelf. 

Ten aanzien van de bijstandsuitkering overweegt het hof dat deze een vangnetfunctie heeft en in beginsel niet in mindering strekt op de schade. Dat sluit aan bij het uitgangspunt dat de aansprakelijke partij de schade moet dragen. Tegelijkertijd kan het negeren van de bijstand ertoe leiden dat de benadeelde zowel bijstand als volledige schadevergoeding ontvangt, zonder dat zeker is dat de gemeente tot terugvordering overgaat. 

Het hof kiest daarom een tussenoplossing. Voor de periode waarin appellant bijstand ontving (1 juli 2012 tot 1 oktober 2026) wordt de schade verwezen naar de schadestaat. De gemeente kan dan over het verleden de balans opmaken en beoordelen of en in hoeverre zij de bijstand terugvordert. Indien dat gebeurt, kan appellant het teruggevorderde bedrag alsnog op Allianz verhalen. 

Verder oordeelt het hof dat voor de feitelijke situatie moet worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand, omdat het recht op bijstand en de hoogte daarvan afhankelijk zijn van de gezinssituatie. 

Voor de periode na 1 oktober 2026 moet geen rekening meer worden gehouden met bijstand, maar wel met het wegvallen van toeslagen. Door ontvangst van schadevergoeding zal appellant, gelet op vermogensgrenzen, geen recht meer hebben op zorg- en huurtoeslag. Fiscale schade wegens box 3-heffing wordt overigens niet aangenomen. 

De buitengerechtelijke kosten worden grotendeels gematigd. Het hof kent onder meer € 20.000 aan kosten rechtsbijstand toe, naast medische kosten en vertaalkosten, telkens te vermeerderen met wettelijke rente. 

De zaak is nog niet afgerond. Appellant krijgt gelegenheid om op basis van de uitgangspunten van het hof een nadere schadeberekening over te leggen, waarna een eindarrest zal volgen. Voor de periode waarin bijstand is ontvangen zal de schade gedeeltelijk in een schadestaatprocedure worden vastgesteld.

Gerechtshof Den Haag 28 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:658

Een werknemer (hierna: ‘appellant’) stelt dat zijn werkgever tekortgeschoten is in haar verplichtingen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. In 2018 stelt hij de werkgever aansprakelijk en verzoekt om schadevergoeding. De arbeidsovereenkomst is in datzelfde jaar beëindigd. In eerste aanleg wijst de kantonrechter de vorderingen af wegens verjaring.

In hoger beroep stelt appellant dat de verjaring tijdig is gestuit, onder meer door e-mails van september 2020. Hij verzoekt alsnog toewijzing van zijn vorderingen. De werkgever voert aan dat de vordering is verjaard en dat geen sprake is van geldige stuitingshandelingen.

Het hof bekrachtigt het vonnis. Het overweegt dat de brief van 19 december 2018 een geldige stuiting oplevert, zodat vanaf dat moment een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen, eindigend op 19 december 2023. Nu de dagvaarding dateert van 7 mei 2024, had de verjaring tijdig opnieuw moeten worden gestuit.

De door appellant aangevoerde e-mails van 11 en 30 september 2020 kwalificeren niet als geldige stuitingshandelingen. De e-mails zijn niet verzonden naar een adres waarvan appellant redelijkerwijs mocht aannemen dat de werkgever daar bereikbaar was, terwijl ook niet is komen vast te staan dat de berichten de werkgever hebben bereikt. Daarmee is niet voldaan aan de ontvangstleer van art. 3:37 lid 3 BW.

Nu geen geldige tweede stuiting heeft plaatsgevonden, is de rechtsvordering verjaard. Aan verdere inhoudelijke beoordeling komt het hof niet toe.

Het hoger beroep slaagt niet. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.