Arresten gerechtshoven - AVV - januari 2026

I Stock 1293032395

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7056

De man en de vrouw zijn in 2018 getrouwd en hebben samen twee kinderen. Hun huwelijk is op 25 februari 2025 ontbonden. In eerste aanleg is de echtscheiding uitgesproken, een ouderschapsplan vastgesteld en de kinderalimentatie bepaald op € 330,- per kind per maand.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep onder meer om verdeling van een door de man ontvangen letselschadevergoeding van € 227.000,-. Partijen verschillen van mening over de vraag of (en in hoeverre) de letselschadevergoeding aan de man verknocht is en dus buiten de gemeenschap van goederen valt.

Het hof oordeelt dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoeken. Volgens vaste rechtspraak geldt dat smartengeld en vergoedingen voor schade na het huwelijk in beginsel verknocht zijn aan de ontvanger. Het is volgens het hof aan de man om met bewijsstukken aan te tonen welk deel van de vergoeding verknocht is en of dat bedrag nog te identificeren is in zijn vermogen. Het hof overweegt dat de man dit niet heeft onderbouwd; de overgelegde e-mails van zijn advocaat zijn daarvoor onvoldoende.

Vervolgens beoordeelt het hof hoeveel van de letselschadevergoeding op het moment van ontbinding van de gemeenschap (25 februari 2025) nog aanwezig was. De man heeft wisselend verklaard over de besteding van de vergoeding, maar stelt dat een deel is gebruikt voor het levensonderhoud van het gezin. De rechtbank is uitgegaan van een besteding van € 50.000 aan het gezin, en het hof volgt dit. Over het resterende bedrag heeft de man onvoldoende inzicht gegeven; het hof gaat er daarom van uit dat het resterende bedrag (€ 177.000,- ) op het moment van de ontbinding nog aanwezig was en dus moet worden verdeeld. De man wordt veroordeeld om aan de vrouw € 88.500,- te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de beschikking. De proceskosten worden gecompenseerd: ieder draagt de eigen kosten.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7411

Geïntimeerde had via zijn tussenpersoon een schadeverzekering voor landmateriaal afgesloten bij ASR, waaronder een wiellader was verzekerd. In de polis stond een clausule dat diefstal alleen was gedekt als het materieel na werktijd in een afgesloten pand of container werd geplaatst. In 2021 werd de wiellader gestolen terwijl deze op een afgesloten terrein stond, maar niet in een afgesloten pand of container. ASR weigerde dekking op grond van de polisvoorwaarden.

Geïntimeerde stelde de tussenpersoon aansprakelijk, omdat de tussenpersoon volgens hem had bevestigd dat ook bij stalling op een afgesloten terrein dekking zou bestaan. Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat de tussenpersoon toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorgplicht. Uit getuigenverklaringen blijkt dat ondubbelzinnig is bevestigd dat stalling op een afgesloten terrein voldoende was voor dekking. Wat betreft het causale verband acht het hof aannemelijk dat geïntimeerde de wiellader in een afgesloten pand of container zou hebben gestald als hij juist was geïnformeerd, mede gezien de waarde van het materieel en de beschikbare stallingsruimte op het woonadres.

Het beroep van op eigen schuld slaagt niet. Het hof overweegt dat het op de weg van de tussenpersoon lag om bij gewijzigde omstandigheden opnieuw te wijzen op de polisvoorwaarden. De schade wordt vastgesteld op de verzekerde som van € 30.000,- minus het eigen risico van € 250,-.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt in de proceskosten van het hoger beroep.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7482

Een patiënt onderging een ooglaserbehandeling bij Vision Oogzorg (thans Nextmark B.V.). Na de behandeling ontwikkelde hij ernstige klachten, waaronder het droge ogen syndroom en visusproblemen. Daarna volgde een herbehandeling, maar de klachten bleven bestaan. De patiënt vordert een verklaring voor recht dat Vision Oogzorg en haar verzekeraar VvAA aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden (im)materiële schade als gevolg van de behandelingen.

Vision Oogzorg en VvAA voeren aan dat zij niet aansprakelijk zijn. Volgens Vision Oogzorg en VvAA is er geen sprake van het droge ogen syndroom en hebben zij bovendien aan hun informatieplicht voldaan en de juiste onderzoeken uitgevoerd. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat Vision Oogzorg proportioneel aansprakelijk was voor 60% van de schade en dat VvAA deze schade diende te vergoeden. Zowel eiser als gedaagden zijn in hoger beroep gegaan tegen het vonnis.

Het hof oordeelt dat Vision Oogzorg is tekortgeschoten in haar wettelijke informatieplicht en in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De kliniek heeft voorafgaand aan de behandeling geen adequaat onderzoek gedaan naar de traanfilm en traanproductie (zoals voorgeschreven in de professionele standaard), waardoor niet is uitgesloten dat anders een contra-indicatie voor de behandeling naar voren was gekomen. De patiënt is hierdoor onvoldoende geïnformeerd over de risico’s, waaronder het substantiële risico (8%) op het ontstaan van het droge ogen syndroom. Het hof acht causaal verband aanwezig tussen de tekortkoming van Vision Oogzorg en de klachten van de patiënt. Ook de schade als gevolg van de herbehandeling in 2017 komt voor rekening van Vision Oogzorg, omdat deze voortvloeide uit de klachten na de eerste behandeling. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart voor recht dat Vision Oogzorg en haar verzekeraar volledig aansprakelijk zijn voor de schade van de patiënt.

Gerechtshof Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3601

Een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf op Schiphol liep ernstige rugklachten op door zware arbeidsomstandigheden en werd volledig arbeidsongeschikt verklaard. Na een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever stelde hij Schiphol als exploitant van de luchthaven aansprakelijk voor zijn schade, onder meer op grond van onrechtmatige daad, wanprestatie en analoge toepassing van werkgeversaansprakelijkheid.

De medewerker stelde dat Schiphol als exploitant van de luchthaven een maatschappelijke zorgplicht heeft om te zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden en dat Schiphol al sinds 2003 op de hoogte was van de slechte arbeidsomstandigheden. Daar komt volgens de medewerker bij dat Schiphol door het toelaten van een groot aantal grondafhandelingsbedrijven – meer dan op vergelijkbare luchthavens – een sterke onderlinge concurrentie heeft veroorzaakt. Volgens de medewerker werden deze bedrijven daardoor gedwongen hun diensten zo goedkoop mogelijk aan te bieden, wat ten koste ging van de arbeidsomstandigheden van werknemers. Schiphol profiteerde van deze situatie, onder meer via verhuur en havengelden, terwijl de negatieve gevolgen van deze concurrentie bij de medewerkers terechtkwamen. Volgens de medewerker heeft Schiphol daardoor bewust onrechtmatig geprofiteerd van de wanprestatie van de grondafhandelaren.

Schiphol voerde aan dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en toezicht daarop primair bij de werkgever en de arbeidsinspectie ligt. Uit wet- en regelgeving volgt geen verplichting voor Schiphol om toezicht te houden op de arbeidsomstandigheden van werknemers van grondafhandelingsbedrijven. Schiphol betwistte dat zij onrechtmatig heeft gehandeld of heeft geprofiteerd van wanprestatie en stelde dat art. 7:658 lid 4 BW niet van toepassing is omdat zij geen werkgever is en geen feitelijke zeggenschap of instructiebevoegdheid heeft over de medewerker.

In eerste aanleg wordt de vordering van de medewerker afgewezen, waarna hij in hoger beroep gaat.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en oordeelt dat Schiphol niet aansprakelijk is. Het hof overweegt dat uit de relevante regelgeving (zoals het Algemeen Luchtvaartreglement, Regeling Toelating Schiphol, Schipholregels, Safety en Security Zakboek) geen concrete verplichting voor Schiphol volgt om toezicht te houden op de arbeidsomstandigheden van werknemers van grondafhandelingsbedrijven. De verantwoordelijkheid ligt primair bij de werkgever en de arbeidsinspectie. Het toestaan van concurrentie is op zichzelf niet onrechtmatig en leidt niet zonder meer tot aansprakelijkheid voor slechte arbeidsomstandigheden bij derden, aldus het hof. Er is volgens het hof verder geen sprake van onrechtmatig profiteren van wanprestatie, omdat niet is gebleken dat Schiphol actief betrokken was bij een wanprestatie van de werkgevers of daarvan heeft geprofiteerd. Wanprestatie door Schiphol is tevens niet aannemelijk gemaakt, omdat uit de Schipholregels en het toelatingsbeleid geen verbintenissen voor Schiphol jegens de medewerker voortvloeien die zien op arbeidsomstandigheden van bagageafhandelaren en luchtvrachtafhandelaren. Ten slotte oordeelt het hof dat art. 7:658 lid 4 BW toepassing mist, omdat de medewerker geen werknemer van Schiphol was en Schiphol geen feitelijke zeggenschap of instructiebevoegdheid had. Het hof verwerpt alle grieven van de medewerker en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Gerechtshof Den Haag, 16 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2580

Appellant was bestuurder van Inno Nautic Holding B.V. (‘INH’), die jarenlang procedeerde tegen Cuckoo Company B.V. (‘Cuckoo’). In 2013 liet INH conservatoir beslag leggen op aandelen van Cuckoo. Nadat Cuckoo in 2018 bij arrest was veroordeeld tot betaling aan INH, diende de advocaat van YUR Advocaten B.V. (‘YUR’) namens INH een verzoekschrift in tot executoriale verkoop van de beslagen aandelen. De rechtbank verklaarde INH echter niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift volgens de rechtbank te laat was ingediend. INH stelde YUR aansprakelijk voor de schade wegens het vervallen van het beslag.

De rechtbank wees de vordering grotendeels af. In hoger beroep stelt appellant dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door het verzoekschrift te laat in te dienen. Het hof oordeelt echter dat de advocaat mocht afgaan op de letterlijke tekst van art. 715 lid 3 Rv, waaruit volgt dat de termijn voor indiening pas begint te lopen nadat het arrest in kracht van gewijsde is gegaan en aan de vennootschap is betekend. Volgens het hof hoefde de advocaat niet te anticiperen op een andere uitleg door de rechtbank. Er is daarom geen sprake van een beroepsfout. Daarnaast vordert appellant wettelijke rente over een bedrag van €10.000,- dat INH onverschuldigd aan YUR heeft betaald. Het hof oordeelt dat YUR dit bedrag niet te kwader trouw heeft ontvangen, omdat het in het kader van een beslagregeling is betaald. De overige vorderingen, waaronder vergoeding van buitengerechtelijke kosten, worden afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Gerechtshof Den Haag, 9 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2541

Appellant reed met zijn Dodge Ram in de bebouwde kom met circa 120 km/uur waar 50 km/uur was toegestaan en botste achterop een Hyundai Matrix die zonder verlichting de weg opreed (hierna: betrokkene). Appellant 2 had de Dodge Ram bij Allianz verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. Allianz vergoedde 75% van de schade van de tegenpartij en vorderde dit bedrag, op grond van haar polisvoorwaarden, terug van appellant, stellende dat sprake was van roekeloos rijgedrag en schending van de mededelingsplicht. De rechtbank oordeelde dat het rijden met 120 km/uur in de bebouwde kom als roekeloos moest worden aangemerkt en dat Allianz dekking mocht uitsluiten. Ook werd het eigen schuldpercentage van de betrokkene vastgesteld op 25%.

Appellanten voeren in hoger beroep drie grieven aan. De eerste grief richt zich tegen het oordeel dat appellant 2 voorafgaand aan het ongeval roekeloos rijgedrag heeft vertoond. De tweede grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat sprake is van 25% eigen schuld aan de zijde van betrokkene. De derde grief, voorwaardelijk ingesteld, betreft het oordeel dat appellanten hun informatie- en medewerkingsplicht zouden hebben geschonden, waardoor Allianz dekking mocht weigeren. Het hof oordeelt dat het rijgedrag van appellant 2 terecht als roekeloos is aangemerkt. Vaststaat dat hij binnen de bebouwde kom met een snelheid van circa 100 tot 120 km/uur reed waar 50 km/uur was toegestaan, terwijl het donker was, het wegdek nat was en er sprake was van zijwegen en in- en uitvoegend verkeer. Dit gedrag kwalificeert naar het oordeel van het hof als een aan opzet grenzende vorm van schuld in de zin van art. 7:952 BW. De stelling dat slechts sprake was van een inschattingsfout verwerpt het hof. Ook het verweer tegen de conclusies uit het EDR-rapport slaagt niet, omdat dit volgens het hof onvoldoende concreet is onderbouwd en geen tegenrapport is overgelegd. De eerste grief faalt.

Ten aanzien van de tweede grief oordeelt het hof dat de rechtbank terecht is uitgegaan van 25% eigen schuld aan de zijde van betrokkene. De enige verkeersfout die hem kan worden toegerekend is, volgens het hof, het zonder verlichting oprijden van de rijbaan vanaf een tankstation. Dat hij voorrang had moeten verlenen of onder invloed van drugs verkeerde is, naar het oordeel van het hof, niet komen vast te staan. Gezien de beperkte snelheid waarmee betrokkene de weg opreed afgezet tegen het rijgedrag van appellant 2, acht het hof het toegepaste eigen schuldpercentage redelijk. Ook deze grief faalt.

Nu de eerste grief niet slaagt, komt het hof niet toe aan behandeling van de voorwaardelijk ingestelde derde grief. Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbanken en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.