Arresten gerechtshoven - AVV - februari 2026

Arresten Gerechtshof AVV februari 2026

Gerechtshof Den Haag 13 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1

Een werkneemster, aan te merken als topfunctionaris in de zin van de Wet normering topinkomens (WNT), raakte verwikkeld in een arbeidsconflict met haar werkgever en werd daarbij bijgestaan door een advocaat. Na een ontslag op staande voet adviseerde de advocaat haar om – met het oog op haar mentale rust – in te stemmen met een vaststellingsovereenkomst waarin een ongespecificeerd all-in bedrag van € 100.000,- werd opgenomen. Dit bedrag werd niet uitgesplitst in afzonderlijke looncomponenten en een beëindigingsvergoeding, terwijl op de arbeidsovereenkomst de WNT van toepassing was. Uiteindelijk werd betaling van dit bedrag geweigerd wegens strijd met de WNT-normen. De werkneemster stelde daarop het advocatenkantoor aansprakelijk wegens beroepsfouten en vorderde schadevergoeding.

De werkneemster stelde dat de advocaat haar onvoldoende had geïnformeerd en geadviseerd. Volgens haar had de advocaat haar niet gewezen op de risico’s van de WNT, nagelaten het bedrag te structureren in WNT-vrije loonbestanddelen en een gemaximeerde beëindigingsvergoeding, en geen reële proceskansen en alternatieven besproken, zoals het aanvechten van het ontslag op staande voet. Ook zou onvoldoende aandacht zijn besteed aan de fiscale en uitkeringsrechtelijke gevolgen van de gekozen constructie. Hierdoor zou zij schade hebben geleden, onder meer doordat zij geen betaling ontving en nadeel ondervond in haar uitkeringspositie.

De rechtbank oordeelde dat de advocaat ten onrechte in de vaststellingsovereenkomst geen onderscheid had gemaakt tussen wettelijke looncomponenten en rechten enerzijds en de beëindigingsvergoeding anderzijds. Voor het overige wees de rechtbank de vorderingen af omdat de werkneemster onvoldoende had gesteld en onderbouwd dat zij schade had geleden en dat sprake was van andere beroepsfouten, waaronder het niet betrekken van de fiscale en uitkeringsrechtelijke gevolgen van de vaststellingsovereenkomst.

In hoger beroep komt het hof tot een verdergaand oordeel. Het hof stelt vast dat de advocaat zich onvoldoende heeft verdiept in de WNT-systematiek en ten onrechte heeft volstaan met een ongespecificeerd all-in bedrag, terwijl duidelijk was dat de WNT van toepassing was en dat de beëindigingsvergoeding wettelijk was gemaximeerd op € 75.000,-. Daardoor is de werkneemster volgens het hof blootgesteld aan het reële risico dat de overeenkomst wegens strijd met de WNT nietig zou zijn, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Daarnaast heeft de advocaat, naar het oordeel van het hof, haar onvoldoende geïnformeerd over proceskansen, alternatieven en risico’s in verband met het ontslag op staande voet en is ook onvoldoende aandacht besteed aan de fiscale en uitkeringsrechtelijke consequenties van de regeling. Het hof oordeelt dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals het een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat betaamt, zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen van het advocatenkantoor. 

Ten aanzien van de schade overweegt het hof dat deze moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie waarin geen beroepsfouten zouden zijn gemaakt. Omdat de werkneemster dit hypothetische scenario nog onvoldoende concreet heeft uitgewerkt, kan de schade naar het oordeel van het hof nog niet worden begroot. Het hof doet daarom een tussenuitspraak en geeft haar de gelegenheid dit nader te onderbouwen, waarna verdere beslissing zal volgen.

Gerechtshof Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:30

Een netbeheerder, Liander N.V., stelde een vennootschap binnen het VolkerWessels-concern aansprakelijk voor schade aan een ondergrondse hoogspanningskabel. Op 12 juni 2012 was via het Kadaster een graafmelding gedaan voor werkzaamheden, waarbij als aanvrager en opdrachtgever “VolkerWessels Telecom” stond vermeld, met een adres dat destijds niet toebehoorde aan de aangesproken vennootschap, maar aan een zustervennootschap. Op 17 juli 2012 ontstond bij mechanische graafwerkzaamheden schade aan een 50 kV-oliedrukkabel van Liander, met bodemverontreiniging tot gevolg.

Liander stelde zich op het standpunt dat de in de melding genoemde handelsnaam correspondeerde met de in het handelsregister geregistreerde handelsnaam van Volker Wessels Telecom B.V. (hierna: VWT). Omdat VWT volgens Liander als grondroerder moest worden aangemerkt en haar zorgplicht uit hoofde van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) had geschonden, vorderde Liander ruim € 141.000,- aan schadevergoeding. De rechtbank wees de vordering af. Zij oordeelde dat Liander onvoldoende had onderbouwd dat juist VWT betrokken was bij, dan wel verantwoordelijk was voor, de graafwerkzaamheden. 

In hoger beroep betoogt Liander dat uit de graafmelding mocht worden afgeleid dat VWT de aanvrager en dus de grondroerder was. De naam “VolkerWessels Telecom” was immers haar geregistreerde handelsnaam en haar bedrijfsactiviteiten sloten aan bij het leggen van kabels. Voor zover de melding onduidelijk was, diende dat volgens Liander voor risico van VWT te komen. Daarnaast voert zij aan dat zij op grond van latere correspondentie erop mocht vertrouwen dat VWT de juiste aansprakelijke partij was. Subsidiair stelt zij dat, indien een zustervennootschap feitelijk had gegraven, VWT als opdrachtgever of op grond van art. 6:171 BW aansprakelijk is.

VWT betwist iedere betrokkenheid. Volgens haar was de melding gedaan ten behoeve van een andere groepsmaatschappij, die destijds ook feitelijk was gevestigd op het in de melding genoemde adres. Binnen het concern werd de handelsnaam “VolkerWessels Telecom” breder gebruikt en was deze dus niet onderscheidend voor VWT. Van een rol als grondroerder of hulppersoon is volgens haar geen sprake.

Het hof oordeelt dat Liander op basis van de enkele vermelding van de handelsnaam in de graafmelding niet mocht aannemen dat VWT de grondroerder was. Volgens het hof maakte het ontbreken van de toevoeging “B.V.” duidelijk dat het om een handelsnaam ging en stond vast dat meerdere groepsvennootschappen binnen het concern deze handelsnaam voerden. Voorts overweegt het hof dat het in de melding opgegeven adres niet het adres van VWT was, maar het adres van een andere concernvennootschap, zodat dit geen aanknopingspunt vormde voor betrokkenheid van VWT. Omdat daarnaast, volgens het hof, geen andere concrete feiten waren gesteld waaruit enige betrokkenheid of verantwoordelijkheid van VWT bij de graafwerkzaamheden kon worden afgeleid, is er geen grond om VWT als grondroerder aan te merken. Het beroep van Liander op gerechtvaardigd vertrouwen wordt eveneens verworpen, omdat naar het oordeel van het hof uit de latere correspondentie redelijkerwijs niet viel af te leiden dat VWT de uitvoerende partij was. Ook het beroep op art. 6:171 BW slaagt niet. Volgens het hof heeft Liander onvoldoende onderbouwd dat een uitvoerende groepsmaatschappij als hulppersoon van VWT handelde, zodat VWT ook op die grond niet aansprakelijk is. Aldus komt het hof tot de conclusie dat Liander haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank. 

Gerechtshof Den Haag 13 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2

Een automobilist (hierna: appellant) werd van achteren aangereden door een verzekerde van Unigarant. In een eerder tussenarrest had het Gerechtshof Den Haag reeds geoordeeld dat de verzekerde aansprakelijk was voor de schade als gevolg van deze kop-staartbotsing. In het onderhavige arrest staat uitsluitend de omvang van de schade ter beoordeling.

De benadeelde stelde dat hij door het ongeval een hersenschudding en andere klachten had opgelopen, waardoor hij langdurig arbeidsongeschikt was geraakt, inkomensverlies had geleden en sprake was van diverse materiële en immateriële schadeposten. Appellant vordert onder meer             € 5.000,- aan smartengeld en ruim € 41.000,- aan inkomensschade. Het hof stelt de schade vast conform art. 6:97 BW, dat wil zeggen op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.

Het hof stelt vast dat appellant enige tijd klachten heeft ervaren zoals vermoeidheid, nek‑ en hoofdpijn en concentratieproblemen die aannemelijk samenhingen met het ongeval. Deze klachten worden, naar het oordeel van het hof, ondersteund door huisartsnotities en een neurologisch consult waarin geen objectieve afwijkingen werden gevonden maar wel werd gesproken van posttraumatische klachten. Volgens het hof staat vast dat appellant inmiddels volledig is hersteld en bieden de beschikbare medische gegevens onvoldoende basis om een deskundige in te schakelen. Gezien de beperkte ernst van het letsel, de low‑impact aanrijding en de door appellant geschetste omstandigheden, begroot het hof het smartengeld op € 750,-.

Ten aanzien van het inkomensverlies acht het hof slechts een beperkte schade aannemelijk. Appellant had tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst recht op 70% loondoorbetaling. Omdat hij tijdens ziekte 30% loon miste, begroot het hof het inkomensverlies over die periode op € 1.436,40. Voor de periode daarna heeft appellant volgens het hof onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval niet kon werken of dat zijn contract niet werd verlengd vanwege het ongeval. De neuroloog had bovendien genoteerd dat appellant alweer enkele uren werkte, en appellant had nagelaten stukken over te leggen waaruit bleek waarom hij geen uitkering ontving. Daarom schat het hof het verdere inkomensverlies op € 1.500 bruto.

Alles afwegend begroot het hof de totale schade op ruim € 7.450, inclusief smartengeld, inkomensverlies, autoschade, expertisekosten en kosten van de deelgeschilprocedure. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt Unigarant tot vergoeding van deze kosten. 

Gerechtshof Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:83

In Designer Outlet Roosendaal vond een incident plaats waarbij de hond van appellant de dwergpoedel van geïntimeerde had gebeten. De dwergpoedel liep ernstig letsel op, waaronder een gebroken rib en een klaplong, en werd na verwijzing opgenomen in de dierenkliniek. Ondanks een operatie overleed de hond enkele dagen later aan de gevolgen van het bijttrauma. Geïntimeerde vorderde ruim € 10.000,- aan schadevergoeding, waaronder dierenartskosten, crematiekosten, kosten van een nieuwe hond en immateriële schade. De kantonrechter achtte appellant als bezitter van de hond aansprakelijk en wees de vordering grotendeels toe.

In hoger beroep betwist appellant dat zijn hond had gebeten en betwist hij de omvang van de schade, met name de hoge kosten van de opname in een dierenkliniek in Gent. Het hof oordeelt dat op basis van de camerabeelden en de dierenartsverslagen voldoende vaststaat dat de grote hond de dwergpoedel heeft aangevallen en dat het letsel het gevolg is van het incident. 

Ten aanzien van de schade overweegt het hof dat bij schade aan een dier aansluiting wordt gezocht bij de regels voor zaakschade (art. 3:2a BW). Kosten moeten in redelijke verhouding staan tot de waarde van het dier. De dierenartskosten en beperkte bijkomende kosten worden toegewezen. De hoge kosten van de academische kliniek in Gent – die meer dan anderhalf keer de waarde van een nieuwe poedel bedroegen – acht het hof niet redelijk in verhouding tot de waarde van de hond en daarom niet toewijsbaar. Ook immateriële schade wordt door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof vernietigt het vonnis voor wat betreft de hoogte van de schade en wijst uiteindelijk € 1.585,22 toe.

Gerechtshof Den Haag 27 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:148 

Een werknemer (hierna: appellant) werkte bij Ship Motion Design B.V. als service engineer. In 2018 verrichtte hij samen met een zzp’er takelwerkzaamheden in de machinekamer van een jacht. Daarbij is een takel van de rail geschoten doordat een lijmklem als eindstop was geplaatst in plaats van een moer en bout. 

Appellant stelt dat de takel hem op het hoofd en schouder heeft geraakt, waarna hij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Appellant stelt Ship Motion op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk voor het ongeval in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Ship Motion betwist dat sprake is geweest van een ongeval in de uitoefening van de werkzaamheden en dat appellant schade heeft geleden. De kantonrechter oordeelde dat niet is komen vast te staan dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het ongeval.

In hoger beroep voert appellant onder meer aan dat hij niet de exacte toedracht van het ongeval hoeft te bewijzen, maar slechts dat hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval is overkomen en dat hij daardoor schade heeft geleden. Hij wijst op zijn eigen getuigenverklaring, de verklaring van een onafhankelijke aanwezige in de machinekamer en de medische stukken waaruit blijkt dat hij kort na het incident met schouder- en pijnklachten onder behandeling is gekomen. 

Ship Motion handhaaft haar betwisting dat sprake is geweest van een ongeval met letsel. Volgens haar is appellant niet door de takel geraakt, maar hooguit geschrokken en gevallen. Zij stelt dat geen objectief medisch bewijs bestaat voor letsel door het incident en dat geen causaal verband is aangetoond. Voorwaardelijk betoogt zij dat, indien al van een ongeval wordt uitgegaan, de werknemer moet bewijzen dat hij daadwerkelijk door de takel is geraakt en hoe de val precies heeft plaatsgevonden.

Het hof stelt voorop dat appellant moet bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar niet de precieze toedracht van het ongeval. Op basis van de eigen verklaring van de werknemer, ondersteund door de verklaring van een onafhankelijke getuige, acht het hof bewezen dat de takel is losgeschoten, de werknemer heeft geraakt en dat hij tijdens zijn werkzaamheden ten val is gekomen. De discussie over de exacte valbeweging of het gewicht van de takel is volgens het hof niet doorslaggevend.

Ten aanzien van het letsel oordeelt het hof dat uit de medische stukken volgt dat appellant kort na het incident onder behandeling is gekomen met objectiveerbare schouderklachten, zodat de schade voldoende aannemelijk is. Verder oordeelt het hof dat Ship Motion haar zorgplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat Ship Motion heeft zorggedragen voor een deugdelijke bevestiging van de takel of adequaat toezicht heeft gehouden op veilig werken. Ook slaagt het beroep op eigen schuld niet omdat, volgens het hof, geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van appellant. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en acht Ship Motion aansprakelijk. 

Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:165

In 2013 vond een speedbootongeval plaats waarbij de schuldenaar onder invloed van alcohol met te hoge snelheid onder een brug is doorgevaren. De schuldeiser, die op dat moment op de boot stond, is daarbij met zijn hoofd tegen de brug gekomen en blijvend invalide geraakt. De rechter heeft in een uitspraak geoordeeld dat de schuldenaar voor 75% aansprakelijk is en dat de aansprakelijkheid is beperkt tot een bedrag van € 137.000. Later is door de rechter de schade van de schuldeiser vastgesteld op € 212.930,16. Sinds 2016 betaalde de schuldenaar maandelijks € 400,- op basis van een tussen partijen getroffen betalingsregeling. In 2025 is de schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De schuldeiser heeft vervolgens verzocht om tussentijdse beëindiging van de regeling op grond van art. 350 lid 3 sub f Fw, stellende dat bij het toelatingsverzoek relevante feiten en omstandigheden zijn verzwegen die tot afwijzing hadden moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat geen gronden bestonden voor tussentijdse beëindiging van de regeling.

In hoger beroep voert de schuldeiser aan dat de schuldenaar bij zijn toelatingsverzoek onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven. Zo heeft hij niet volledig geïnformeerd over de ernst van het ongeval, de blijvende letselschade, de civiele uitspraken waarin zijn aansprakelijkheid is vastgesteld, de wettelijke limitering van de schade en de achtergrond van de betalingsregeling. Volgens de schuldeiser was geen sprake van een objectief uitzichtloze financiële situatie en kon de schuldenaar – mede gezien zijn inkomen – doorgaan met betalen. De toelating tot de WSNP was daarom ten onrechte. De schuldenaar stelt daartegenover dat zijn financiële situatie wel degelijk uitzichtloos was. De schuld was omvangrijk en zou bij voortzetting van betaling mogelijk nooit volledig worden voldaan. Hij betwist dat hij relevante informatie heeft verzwegen en stelt dat de toelatingsprocedure volgens de regels is verlopen. Ook wijst hij erop dat hij sinds toelating aan al zijn verplichtingen voldoet.

Het hof oordeelt dat de schuldenaar bij zijn toelatingsverzoek onvoldoende informatie heeft verstrekt over wezenlijke feiten en omstandigheden. Met name had hij de aard en ernst van de schuld, blijvende letselschade door ernstig verwijtbaar handelen, en de achtergrond van de betalingsregeling volledig moeten toelichten. Ook had hij inzicht moeten geven in zijn daadwerkelijke betaalcapaciteit. Volgens het hof zou, indien deze informatie bekend was geweest, het toelatingsverzoek zijn afgewezen op grond van art. 288 lid 1 Fw. Daarnaast is er, naar het oordeel van het hof, onvoldoende grond om te concluderen dat de schuldenaar niet kon voortgaan met het betalen van zijn schuld. Dat de schuld langdurig is of mogelijk oploopt, maakt volgens het hof niet dat sprake is van een objectief uitzichtloze financiële situatie, mede gelet op de aard van de schuld en de bestaande betaalcapaciteit. Het hof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en beëindigt alsnog de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub f Fw