Arresten gerechtshoven - AVV - december 2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6555
Appellante woonde samen met haar zoon. Haar inboedel was verzekerd bij Achmea, onder andere tegen inbraak en diefstal. In 2022 deed haar zoon aangifte van een inbraak in de woning tussen 19.30 en 21.43 uur. Achmea schakelde een schade-expert in, die de waarde van de gestolen goederen vaststelde op € 15.061. Vervolgens liet Achmea een onderzoeksbureau de schadeclaim onderzoeken. Dit bureau concludeerde dat het niet aannemelijk was dat de inbraak had plaatsgevonden op de wijze die appellante voorhield. Achmea weigerde daarop de schade te vergoeden, omdat appellante onvoldoende had aangetoond dat er daadwerkelijk een onder de inboedelverzekering gedekt voorval (inbraak) had plaatsgevonden.
Appellante vorderde bij de kantonrechter dat Achmea moest overgaan tot dekking en uitbetaling van de schade. De kantonrechter wees de vordering af, omdat appellante tegenover het gemotiveerde verweer van Achmea onvoldoende had onderbouwd dat de gestelde inbraak en diefstal daadwerkelijk had plaatsgevonden. In hoger beroep vraagt appellante alsnog om toewijzing van haar vordering.
Appellante baseert haar stelling over de inbraak en diefstal voornamelijk op de verklaring van haar zoon tegenover de politie. Achmea stelt dat de inbraak niet op de door appellante beschreven wijze kan zijn gebeurd. Het hof oordeelt dat door appellante geen nadere omstandigheden zijn aangevoerd ter verdere onderbouwing van de inbraak in het licht van het door Achmea gevoerde verweer. Naar het oordeel van het hof leveren de argumenten van appellante niet dergelijke omstandigheden of feiten op die de gestelde inbraak voldoende aannemelijk maken.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaart de zoon van appellante dat één van de doorgeslagen ramen op een kier stond en dat de hendel was omgezet, en later weer dat beide ramen open stonden. Het hof oordeelt dat dit een nieuwe feitelijke stelling is die zij buiten beschouwing laat, omdat deze in strijd is met de twee-conclusieregel zoals neergelegd in art. 347 lid 1 Rv. Het hof overweegt dat op grond van die regel partijen hun debat in hoger beroep in beginsel behoren te concentreren in hun memories en dat zij daarna hun eerdere stellingen alleen nog verder mogen preciseren. De nieuwe stelling van appellante voldoet hier volgens het hof niet aan.
Naar het oordeel van het hof is door appellante niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde inbraak plaatsvond. In het licht van de gemotiveerde betwisting door Achmea heeft zij, zo oordeelt het hof, geen nadere, concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die haar stelling plausibel maken. Hierop stuit de eerste grief van appellante tegen het vonnis af. Omdat appellante haar stelplicht niet heeft vervuld, komt het hof ook niet toe aan bewijslevering, zodat ook de tweede grief wordt verworpen. Het hoger beroep slaagt niet en appellant wordt veroordeeld in de kosten.
Geschillencommissie Kifid 3 november 2025, nr. 2025-0869
De consument heeft een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden. De 12-jarige zoon van de consument is met een fatbike in botsing gekomen met een scooter. De scooterbestuurder stelt de consument als ouder aansprakelijk voor de schade. De verzekeraar weigert dekking aan de consument en weigert namens hem verweer te voeren tegen de aansprakelijkstelling, stellende dat de fatbike een motorrijtuig is en derhalve uitgesloten van dekking.
De consument vordert vergoeding van de schade aan de scooter en de fatbike en stelt dat de uitsluiting voor motorrijtuigen niet van toepassing is, nu de fatbike trapondersteuning heeft, niet als motorrijtuig geregistreerd is en geen WAM-verzekering kent. Voorts voert de consument aan dat geen sprake is van opzet, roekeloosheid of bewuste schuld, en dat de fatbike in de veronderstelling van een gewone e-bike is aangeschaft. De consument betoogt dat aansprakelijkheid niet vaststaat en dat de verzekeraar coulance dient te betrachten. Tevens wijst de consument op de leeftijd van zijn zoon (jonger dan 14 jaar), waardoor deze niet aansprakelijk zou zijn ex art. 6:164 BW.
De commissie stelt vast dat de verzekeraar dekking mag weigeren op grond van de polisvoorwaarden. De commissie overweegt dat de verzekeraar het beroep op de verzekering heeft afgewezen onder verwijzing van de in de voorwaarden opgenomen dekkingsuitsluiting waaronder motorrijtuigen zijn uitgesloten van dekking. Uit de definitie in de Wegenverkeerswet 1994 en de opgestelde rapporten van Dekra en Automotive Expertise Specialist volgt dat de fatbike een motorrijtuig is, nu deze door mechanische kracht wordt voortbewogen en een snelheid van 35 km/h kan bereiken. De uitzondering voor fietsen met trapondersteuning is volgens de commissie niet van toepassing, nu de fatbike niet voldoet aan de wettelijke eisen (maximaal 0,25 kW, uitschakeling bij 25 km/h). De commissie acht de polisvoorwaarden duidelijk en begrijpelijk en ziet geen aanleiding voor toepassing van de contra proferentem-regel.
Daarnaast concludeert de commissie dat bekendheid van de consument met het motorrijtuig-karakter van de fatbike niet vereist is voor afwijzing van de dekking. Vervolgens overweegt de commissie dat de aansprakelijkheid niet hoeft te zijn vastgesteld om te kunnen concluderen dat er op grond van de voorwaarden geen dekking is. Ook staat het gegeven dat de zoon jonger is dan 14 jaar is en hiermee niet aansprakelijk kan zijn voor een onrechtmatige daad niet in de weg aan een beroep van de verzekeraar op de voorwaarden. Tot slot concludeert de commissie dat coulance door de verzekeraar niet afdwingbaar is.
Gerechtshof Amsterdam, 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2715
Sanjia Netherlands B.V. en M2C B.V. (hierna: Sanjia c.s.) hadden sinds november 2019 een overeenkomst met JAN Accountants en Adviseurs B.V. (JAN) voor een “basic package” van accountancydiensten. Voor aanvullende of bijzondere werkzaamheden moesten Sanjia c.s. zelf contact opnemen met JAN. Vanaf juni 2020 bood de overheid de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) aan als coronasteunmaatregel. In mei 2021 vroegen Sanjia c.s. aan JAN of zij in aanmerking kwamen voor coronasteun. JAN hielp toen bij het aanvragen van steun, maar de aanvraagtermijnen voor het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 waren toen al verstreken. Sanjia c.s. stelden zich op het standpunt dat JAN op grond van de overeenkomst of spontaan op grond van een uit die overeenkomst voortvloeiende zorgplicht, gehouden was hen te adviseren over de coronasteun. Sanjia c.s. hebben JAN aansprakelijk gesteld en hebben de gemiste termijnen aan steun als schade van JAN gevorderd. In eerste aanleg wees de rechtbank de vordering van Sanjia c.s. af.
In hoger beroep vorderen Sanjia c.s. dat JAN op grond van de overeenkomst, dan wel spontaan op grond van uit de overeenkomst voorvloeiende zorgplicht, verplicht was hen te adviseren over de TVL. Sanjia c.s. wijzen erop dat JAN haar precontractuele zorgplicht schond doordat zij niet op de hoogte waren dat zij een basic package hadden en dat ze JAN een uitgebreidere opdracht konden verstrekken. Het hof stelt vast dat er tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestond (art. 7:401 BW). Om te beoordelen of JAN de zorg van een goed opdrachtnemer in voldoende mate in acht nam, is het volgens het hof van belang om vast te stellen wat de inhoud van de overeenkomst tussen partijen was.
Het hof oordeelt dat JAN op basis van de overeenkomst alleen verplicht was tot het uitvoeren van een “basic package” met standaardwerkzaamheden. Volgens het hof moesten Sanjia c.s. als professionele partijen begrijpen dat aanvullend advies, zoals over de TVL, alleen op verzoek werd geleverd. Het hof vindt dat het feit dat JAN zich als full service dienstverlener profileerde, niet betekent dat Sanjia c.s. mochten verwachten dat zij automatisch advies kregen over coronasteun. Naar het oordeel van het hof bestond er ook geen verplichting voor JAN om uit eigen beweging te onderzoeken of Sanjia c.s. voor de TVL in aanmerking kwamen. Volgens het hof was er geen wettelijke of beroepsregel die accountants verplichtte hun klanten hierover spontaan te informeren. Het hof acht van belang dat Sanjia c.s. op de hoogte waren van het bestaan van coronasteun en dat hun situatie geen duidelijke signalen gaf van coronaschade. Het hof oordeelt verder dat het versturen van nieuwsbrieven door JAN geen verplichting tot individueel advies schept. Volgens het hof lag het op de weg van Sanjia c.s. om zelf navraag te doen over mogelijke steun. Tot slot oordeelt het hof dat uit de overeenkomst en de toepasselijke regels geen ruimere zorgplicht voor JAN volgt. Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van Sanjia c.s. af.
Gerechtshof 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2346
Na een verkeersongeval erkent Allianz als WAM-verzekeraar van een van de betrokken bestuurders (appellante 2) aansprakelijkheid voor het ongeval tegenover de verzekeraar van de andere partij (AMS c.s.). Later wil Allianz op deze erkenning terugkomen, mede doordat haar verzekerde (appellante 2) volhield dat zij niet de veroorzaker was.
AMS c.s. vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat Allianz niet op haar erkenning van aansprakelijkheid mag terugkomen en vorderde betaling van de uitgekeerde schade. Allianz vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat haar verzekerde niet aansprakelijk is en dat juist de andere partij aansprakelijk is voor het ongeval. Volgens Allianz had zij haar erkenning tijdig herroepen en was sprake van een vergissing. AMS c.s. stelde dat de erkenning zonder voorbehoud was gedaan en dat Allianz daaraan is gebonden.
De rechtbank oordeelde dat Allianz niet op haar erkenning kan terugkomen en tot betaling gehouden is. Volgens de rechtbank is de verzekerde (appellante 2) echter niet persoonlijk aan de erkenning gebonden. Allianz gaat in hoger beroep tegen dit oordeel.
In hoger beroep bevestigt het hof dat een verzekeraar in beginsel niet kan terugkomen op een zonder voorbehoud gedane erkenning van aansprakelijkheid tegenover een derde, tenzij sprake is van bijvoorbeeld bedrog. Allianz is daarom aan haar erkenning gebonden en moet in beginsel de schade vergoeden. De verzekerde (appellante 2) is echter niet gebonden aan de erkenning van haar verzekeraar. Het hof gelast een comparitie van partijen om een schikking te beproeven.
Gerechtshof 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2287
Een bedrijf teelde en verzorgde op eigen kosten pioenrozen voor haar opdrachtgever, met als vergoeding de bloemenopbrengst. In 2020 verkocht de opdrachtgever een aanzienlijk deel van het areaal met pioenrozen aan een derde en beëindigde vervolgens de teeltovereenkomst. Het bedrijf werd daarna niet meer toegelaten tot de percelen en kon haar werkzaamheden niet afronden of de bloemen oogsten.
Het bedrijf vorderde schadevergoeding wegens het verlies van opbrengsten door de verkoop van het areaal en het verhinderen van de uitvoering van de teeltovereenkomst tot het einde van het oogstseizoen. Daarnaast vorderde zij een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de nieuwgevormde stekken, dan wel recht heeft op een aanvullende vergoeding voor rooi-, deel- en stekwerkzaamheden. De opdrachtgever stelde dat hij gerechtigd was tot opzegging, dat het bedrijf geen recht heeft op aanvullende vergoedingen en dat de eigendom van de stekken bij hem berustte. Verder beriep hij zich op een exoneratieclausule in de overeenkomst.
In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de opdrachtgever aansprakelijk is voor een deel van de schade wegens het verhinderen van het bedrijf om haar werkzaamheden af te ronden en de bloemen te oogsten. De rechtbank wees de vordering tot aanvullende vergoeding voor rooi-, deel- en stekwerkzaamheden af, evenals de vordering tot eigendom van de stekken.
In hoger beroep bevestigt het hof dat de opdrachtgever tekortgeschoten is door het areaal te verkopen zonder het bedrijf te compenseren en haar na opzegging niet in staat te stellen tot het einde van het oogstseizoen haar werkzaamheden uit te voeren en de bloemen te oogsten. De opdrachtgever is aansprakelijk voor de schade die het bedrijf hierdoor heeft geleden, waaronder het verlies van de opbrengsten uit de bloemen die anders geoogst en verkocht hadden kunnen worden. De omvang van deze schade zal nader moeten worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Het hof oordeelt dat het bedrijf geen recht heeft op een aanvullende vergoeding voor rooi-, deel- en stekwerkzaamheden, omdat deze werkzaamheden binnen de opdracht vielen en al werden vergoed via de bloemenopbrengst. Het beroep van de opdrachtgever op een exoneratieclausule slaagt niet, omdat sprake is geweest van bewust handelen met het oog op eigen voordeel ten koste van het bedrijf.
Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2634
ASK Romein International B.V. en ASK Romein B.V. (hierna: ASK) vervaardigden dakspanten en kraanbanen voor een montagehal. Tijdens het inhijsen en proefbelasten van zware kranen in 2011 zijn deze staalconstructies blootgesteld aan spanningen boven de vloeigrens, waardoor plastische vervormingen zijn opgetreden. In 2013 werd scheurvorming geconstateerd. De opdrachtgever stelde ASK aansprakelijk, waarna ASK dekking vorderde onder haar CAR-verzekering. De verzekeraar (Amlin c.s.) weigerde dekking, stellende dat geen sprake was van materiële schade in de zin van de polisvoorwaarden.
ASK vorderde een verklaring voor recht dat de plastische vervormingen als materiële schade kwalificeerde en dat de schade onder de CAR-verzekering viel. De verzekeraar voerde aan dat plastische vervormingen niet visueel waarneembaar waren en niet als aantasting van de stoffelijke gaafheid golden, alsmede dat het werk bovendien nooit gaaf is geweest door ontwerpfouten.
De rechtbank oordeelde dat de plastische vervormingen een aantasting vormen van de stoffelijke structuur die naar verkeersopvatting de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt en dus materiële schade oplevert in de zin van de polis. Het verweer dat het werk nooit gaaf is geweest, werd verworpen. De rechtbank wees de vordering van ASK toe. Amlin heeft hoger beroep ingesteld tegen dit oordeel.
In hoger beroep bevestigt het hof het oordeel van de rechtbank. Het hof overweegt dat ASK voldoende heeft aangetoond dat tijdens het inhijsen en proefbelasten spanningen boven de vloeigrens zijn opgetreden, waardoor plastische vervormingen zijn ontstaan. Deze plastische vervormingen kwalificeren volgens het hof als een objectieve aantasting van de stoffelijke structuur en dus als materiële schade in de zin van de polis. Dat de constructie door ontwerpfouten niet voldeed aan de eisen, doet daar niet aan af, aldus het hof. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.