Arresten gerechtshoven - AVV - augustus 2026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3744
Een woningeigenaar (appellante) stelt de voormalige partner (geïntimeerde) van haar broer, die destijds met haar kinderen in de woning van appellante woonde, aansprakelijk voor schade aan een schuifpui en een ruit van haar woning. Volgens appellante is de schuifpui beschadigd doordat geïntimeerde deze onjuist heeft gebruikt en bovendien zou de ruit zijn beschadigd door de destijds nog geen twee jaar oude dochter van geïntimeerde. Appellante vordert vergoeding van de schade aan de schuifpui en de ruit. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, omdat onvoldoende vaststaat dat geïntimeerde voor de schade verantwoordelijk was.
In hoger beroep vordert appellante alsnog toewijzing van haar vorderingen. Geïntimeerde betwist aansprakelijkheid en voert aan dat niet vaststaat waardoor de schade is ontstaan en evenmin dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen.
Het hof oordeelt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade aan de schuifpui door een gedraging van geïntimeerde is veroorzaakt. Volgens het hof blijkt uit de overgelegde stukken niet dat geïntimeerde de schuifpui met zodanige kracht heeft gebruikt dat daardoor de schade is ontstaan. Ook de door geïntimeerde ondertekende verklaring dat de schade tijdens haar gebruik van de schuifpui zou zijn ontstaan, acht het hof onvoldoende bewijs. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat deze verklaring door appellante zelf is opgesteld, terwijl geïntimeerde de Nederlandse taal niet beheerst. Daarnaast verklaart geïntimeerde dat zij de verklaring heeft ondertekend omdat zij voor haar huisvesting en die van haar kinderen afhankelijk is van appellante en haar broer. Onder deze omstandigheden kan de verklaring niet als betrouwbaar bewijs worden aangemerkt. Het hof concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld.
Ten aanzien van de beschadigde ruit overweegt het hof als volgt. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:169 BW moet eerst vaststaan dat de gedraging van het kind, indien haar minderjarige leeftijd wordt weggedacht, als een onrechtmatige daad zou kwalificeren. Volgens het hof heeft appellante onvoldoende gesteld over de wijze waarop de dochter van geïntimeerde de schade zou hebben veroorzaakt. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat sprake was van onzorgvuldig handelen. De enkele omstandigheid dat tijdens of door het spelen van het kind schade is ontstaan, is daarvoor volgens het hof onvoldoende.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellante af.
Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1660
Appellant stelt een WAM-verzekeraar aansprakelijk nadat hij als fietser is aangereden door een bij de verzekeraar verzekerde automobilist. Daarbij claimt hij letselschade en materiële schade aan onder meer zijn telefoon en kleding. Tijdens de schadeafwikkeling ontstaan bij de verzekeraar twijfels over de juistheid van de verstrekte informatie. Na onderzoek concludeert de verzekeraar dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn letsel en de gestelde materiële schade. De verzekeraar vordert daarop terugbetaling van eerder uitgekeerde bedragen en vergoeding van de gemaakte onderzoekskosten. De kantonrechter wijst die vorderingen toe. In hoger beroep voert appellant alsnog verweer.
Het hof oordeelt dat de verzekeraar voldoende heeft onderbouwd dat appellant heeft geprobeerd hem opzettelijk te misleiden. Volgens het hof blijkt uit beeldmateriaal, verklaringen van betrokkenen en de onderzoeksbevindingen dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zowel zijn letsel als de schade aan zijn telefoon en kleding. De door appellant gegeven verklaringen zijn volgens het hof niet te verenigen met de beschikbare gegevens en worden onvoldoende ondersteund door objectieve stukken.
Appellant beroept zich erop dat hij in de strafzaak wegens fraude is vrijgesproken. Het hof volgt hem daarin niet. Volgens het hof staat een strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg aan het aannemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. De civiele rechter moet zelfstandig beoordelen of sprake is van een onrechtmatige daad.
Het hof oordeelt vervolgens dat de verzekeraar de gemaakte onderzoekskosten op appellant kan verhalen. De verzekeraar mocht gelet op de aanwijzingen voor misleiding nader onderzoek laten uitvoeren, waaronder het inschakelen van een externe onderzoeker. De daarmee gemoeide kosten van ruim € 2.900,- acht het hof redelijk. Ook de terugvordering van eerder betaalde bedragen blijft in stand. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter.
Gerechtshof Den Haag 30 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2083
Op een onbeveiligde spoorwegovergang in Winsum botst een melkwagen van Melkweg Fritom tegen de zijkant van een rijdende trein van Arriva. ASR, de WAM- en cascoverzekeraar van Melkweg Fritom, stelt ProRail aansprakelijk voor zowel de schade aan de melkwagen als de schade van Arriva die zij deels heeft vergoed. Volgens ASR heeft ProRail onrechtmatig gehandeld door na eerdere dodelijke ongevallen op dezelfde overweg niet tijdig de toegezegde veiligheidsmaatregelen te treffen. ProRail betwist aansprakelijkheid en voert aan dat de chauffeur van de melkwagen het ongeval heeft veroorzaakt.
De rechtbank oordeelt dat zowel ProRail, de eigenaar van de melkwagen als Arriva voor het ontstaan van de schade verantwoordelijk zijn. In de onderlinge verhouding stelt de rechtbank de aansprakelijkheid van ProRail vast op 40%, terwijl Arriva en Melkweg Fritom (en daarmee ASR als haar verzekeraar) ieder voor 30% aansprakelijk zijn.
In hoger beroep beoordeelt het hof de aansprakelijkheidsverdeling opnieuw. Het hof stelt voorop dat een onbeveiligde spoorwegovergang niet zonder meer gebrekkig of gevaarzettend is. Voor die beoordeling zoekt het hof, net als de rechtbank, aansluiting bij de gezichtspunten uit het Kelderluik-arrest. Volgens het hof was destijds ter plaatse sprake van goed zicht, daglicht en een voor de chauffeur bekende verkeerssituatie. De chauffeur was bovendien handsfree aan het telefoneren en reed tegen de zijkant van de trein aan. Het hof beschouwt dit als de voornaamste oorzaak van het ongeval.
Toch treft ook ProRail volgens het hof een verwijt. Na twee eerdere dodelijke ongevallen had ProRail in het kader van een schikking toegezegd de overweg versneld aan te pakken en af te sluiten. Op het moment van het ongeval waren deze maatregelen echter nog niet uitgevoerd. Volgens het hof weegt het niet-nakomen van die concrete toezegging mee bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van ProRail. Daarmee heeft ProRail bijgedragen aan het voortbestaan van een gevaarlijke situatie.
Het hof komt uiteindelijk tot een andere uitkomst dan de rechtbank. Anders dan de rechtbank betrekt het hof de schade van Arriva niet in de uiteindelijke beoordeling, omdat ProRail daarvoor niet aansprakelijk wordt geacht. Vervolgens beoordeelt het hof afzonderlijk dat ProRail voor 20% moet bijdragen aan de schade van Melkweg Fritom. Tegelijkertijd moet ASR, als verzekeraar van Melkweg Fritom, 80% van de door ProRail geleden schade vergoeden. De percentages zien daarmee niet op een algemene verdeling van alle bij het ongeval geleden schade, maar op de wederzijdse bijdrageplicht van partijen ten aanzien van elkaars schade.
Gerechtshof Den Haag 30 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2023
Delta heeft Selecta opdracht gegeven om werkzaamheden uit te voeren voor de aanleg van een glasvezelnetwerk. In het kader daarvan verricht Selecta nabij het Leppa Akwadukt in Friesland boorwerkzaamheden. Daarbij wordt een folielaag van Rijkswaterstaat doorboord, waardoor bodemwater, zand en grond wegstromen. Voor deze werkzaamheden beschikt Selecta niet over een vergunning van Rijkswaterstaat. Selecta heeft voorafgaand aan de werkzaamheden wel een KLIC-melding gedaan en ontvangt naar aanleiding daarvan twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat, waarin onder meer staat dat voor werkzaamheden in een dergelijk gebied een vergunning nodig is.
In eerste aanleg vordert Delta onder meer een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, aansprakelijk is voor de door Delta geleden en nog te lijden schade en gehouden is Delta te vrijwaren voor aanspraken van derden, waaronder die van Rijkswaterstaat. Selecta voert verweer en stelt onder meer dat het ontbreken van de vergunning haar niet kan worden toegerekend, omdat Delta haar niet heeft gevraagd een vergunning aan te vragen en zij niet weet of hoeft te begrijpen dat zich op die locatie een onderdeel van een waterstaatswerk bevindt. Volgens Selecta is Delta zelf verantwoordelijk voor de ontstane schade. De rechtbank oordeelt dat Selecta toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de raamovereenkomst door zonder vergunning te boren in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Selecta de partij is die de KLIC-melding doet en dat zij de brieven van Rijkswaterstaat over het aanvragen van een vergunning negeert.
Selecta gaat in hoger beroep en voert aan dat Delta als grondroerder medeverantwoordelijk is voor de werkzaamheden, dat Selecta niet hoeft te begrijpen dat een vergunning van Rijkswaterstaat is vereist en dat de contractuele vrijwaringsbepaling haar aansprakelijkheid juist beperkt.
Het hof oordeelt dat Selecta toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de raamovereenkomst. Volgens het hof volgt uit de door Rijkswaterstaat verstrekte informatie duidelijk dat sprake is van een kritisch gebied en dat nader contact met Rijkswaterstaat noodzakelijk is. Selecta moet daarom nader onderzoek doen en een vergunning aanvragen. Door dit na te laten en toch te boren handelt zij in strijd met haar contractuele verplichtingen, aldus het hof. Daarnaast oordeelt het hof dat de contractuele vrijwaringsbepaling geen beperking van aansprakelijkheid bevat, maar juist een ruime verplichting voor Selecta om Delta te vrijwaren voor aanspraken van derden die het gevolg zijn van nalatigheid, onvoorzichtigheid of onjuist handelen van Selecta. Van eigen schuld aan de zijde van Delta is volgens het hof geen sprake, omdat op grond van de overeenkomst juist op Selecta de verplichting rust de benodigde vergunningen te verkrijgen. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4584
Daandels huurt van appellanten een bedrijfsruimte waarin een horecagelegenheid wordt geëxploiteerd, met daarboven een woonruimte. Op de bewoonde zolderverdieping is brand ontstaan, waarna het herstel ruim anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Als gevolg daarvan hebben appellanten gedurende een periode geen huur ontvangen. Daarnaast stellen zij dat Daandels in strijd met de huurovereenkomst een zelfstandige woonruimte op de zolder heeft gerealiseerd en verhuurd, waardoor contractuele boetes zijn verbeurd.
In eerste aanleg vorderen appellanten vergoeding van de gederfde huurinkomsten, vergoeding van diverse kosten en betaling van contractuele boetes. Daandels vordert op haar beurt schadevergoeding wegens gestelde inkomstenderving als gevolg van een te trage herstelperiode. De kantonrechter heeft alle vorderingen afgewezen.
In hoger beroep stellen appellanten dat Daandels aansprakelijk is voor de brandschade en de daaruit voortvloeiende huurderving. Volgens appellanten blijkt uit inspectierapporten dat sprake was van brandgevaarlijke elektrische voorzieningen op de zolderverdieping en moet Daandels op grond van de huurovereenkomst – in afwijking van art. 7:218 BW - aansprakelijk worden gehouden. Ook menen zij dat diverse contractuele boetes zijn verbeurd.
Het hof stelt vast dat appellanten schade hebben geleden. Dat sprake zou zijn van onderverzekering of dat appellanten hun schade onvoldoende hebben beperkt, staat volgens het hof niet aan het bestaan van schade in de weg. Ook kwalificeert de gederfde huur als schade, aldus het hof. Het hof oordeelt echter dat Daandels niet aansprakelijk is voor de gevorderde huurderving. De contractuele bepaling uit de huurovereenkomst waarop appellanten zich beroepen, heeft uitsluitend betrekking op brandschade aan het gehuurde zelf. De gevorderde schade bestaat uit misgelopen huurinkomsten en valt daarom niet onder deze aansprakelijkheidsregeling, aldus het hof.
Daarnaast oordeelt het hof dat causaal verband tussen enig handelen of nalaten van Daandels en het ontstaan van de brand niet is komen vast te staan. Uit het brandonderzoek volgt juist dat de oorzaak van de brand niet met zekerheid kon worden vastgesteld en niet is gebleken dat deze verband hield met de door appellanten gestelde tekortkomingen van Daandels. Er is daarom volgens het hof geen grond om de omkeringsregel toe te passen.
Ten aanzien van de gevorderde boetes oordeelt het hof dat deze niet zijn verbeurd. Voor de meeste boetes gold dat eerst een ingebrekestelling moest worden verstuurd, terwijl daarvan geen sprake is geweest. Daarnaast was onderverhuur van de bovenwoning aan derden op grond van de huurovereenkomst toegestaan. Dat meerdere personen van de woonruimte gebruik maakten, maakt dit niet anders.
Het hof wijst de vorderingen af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.