Arresten gerechtshoven - AVV - augustus 2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3541
Een bloembollenteler (appellante) stelt dat haar tulpenbollen besmet zijn geraakt met stengelaaltjes op de percelen die zij pachtte van de verpachter. Zij vordert schadevergoeding en terugbetaling van pacht, stellende dat de besmetting een gebrek vormt waarvoor de verpachter aansprakelijk is. De pachtkamer oordeelde eerder dat er sprake was van een gebrek, maar dat dit niet aan de verpachter kon worden toegerekend. In hoger beroep staat de vraag centraal of de besmetting aan de verpachter kan worden toegerekend op grond van schuld, de wet, rechtshandeling of conform verkeersopvattingen.
Het hof stelt voorop dat toerekening op grond van rechtshandeling niet aan de orde is, nu partijen geen afspraken hebben gemaakt over de risicoverdeling ten aanzien van stengelaaltjes. Ook van toerekening op basis van schuld is geen sprake. De verpachter heeft voldoende onderbouwd dat hij niet wist en ook niet hoefde te weten dat het perceel besmet was. Hij heeft zelf in het daaropvolgende seizoen uien geteeld op het perceel en daarbij eveneens schade geleden. Dat handelen is niet verenigbaar met wetenschap van de besmetting, aldus het hof. Het hof overweegt voorts dat ook op grond van verkeersopvattingen het risico van besmetting niet voor rekening van de verpachter komt. De bollenteelt is een specialistische en winstgevende teelt, waarbij de teler jaarlijks wisselende percelen pacht en daarmee bewust bepaalde teeltrisico’s accepteert. De potentiële schade is groot, maar daar staat een hoge opbrengst tegenover. De verpachter daarentegen ontvangt slechts een vaste pachtprijs en draagt geen teeltrisico. In die context ligt het volgens het hof op de weg van de pachter om maatregelen te treffen ter beperking van ziekteschade, bijvoorbeeld door voorafgaand onderzoek of het maken van aanvullende afspraken. Nu dat niet is gebeurd, rust het risico van besmetting met stengelaaltjes in dit geval op de pachter, aldus het hof.
Gerechtshof Den Haag 8 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1210
Zorgverzekeraar DSW vorderde in deze zaak van de gemeente Delft vergoeding van de medische kosten voor een snorfietser die ’s nachts ernstig gewond raakte toen hij tegen een omgewaaid schrikhek botste.. Het hek was door de gemeente midden op de Julianalaan geplaatst in verband met wegwerkzaamheden, maar was niet verzwaard. DSW stelde dat sprake was van een gevaarzettende situatie waarvoor de gemeente aansprakelijk is.
De rechtbank wees de vordering van DSW toe. Zij oordeelde dat de gemeente bekend moest zijn geweest met het risico dat het hek bij storm kon omwaaien en dat zij eenvoudig voorzorgsmaatregelen had kunnen nemen, zoals verzwaring of extra controle. Het beroep van de gemeente op eigen schuld van het slachtoffer werd verworpen.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank en oordeelt dat de gemeente aansprakelijk is. Doorslaggevend is dat het hek niet was verzwaard, terwijl de gemeente wist dat het stormde en dat dergelijke hekken bij harde wind kunnen omwaaien. Bovendien stond het hek midden op de rijbaan, terwijl (snor)fietsers daar nog mochten rijden. De gemeente had eenvoudig voorzorgsmaatregelen kunnen treffen, zoals verzwaring van het hek of plaatsing op een minder risicovolle plek.
Het hof verwerpt het verweer van de gemeente dat zij niet wist dat het hek was omgevallen. Juist omdat het risico op omwaaien bekend was, had de gemeente daarop moeten anticiperen. Ook het argument dat het hek niet verzwaard was vanwege de calamiteitenroute voor hulpdiensten, slaagt niet. De gemeente heeft onvoldoende toegelicht waarom geen alternatieve maatregelen mogelijk waren.
Het beroep op eigen schuld van het slachtoffer wordt eveneens verworpen. Er is geen bewijs dat hij te hard reed of onoplettend was. Dat hij over het middengedeelte van de weg reed in plaats van op de fietsstrook, is onder de gegeven omstandigheden niet verwijtbaar.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1828
In deze zaak vorderde WAM-verzekeraar Ansvar regres op de bestuurder van een Mercedes die op 26 januari 2022 onder invloed van alcohol en met zeer hoge snelheid een dodelijk verkeersongeval veroorzaakte. Twee inzittenden van een andere auto kwamen daarbij om het leven. Ansvar had als WAM-verzekeraar schadevergoedingen uitgekeerd aan de nabestaanden en wilde deze bedragen verhalen op de bestuurder, omdat er geen dekking was vanwege de uitsluiting in de polisvoorwaarden in het geval van rijden onder invloed.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde in eerste aanleg voor recht dat de bestuurder aansprakelijk was voor de overlijdensschade (art. 6:108 BW) en dat Ansvar regresrecht had op grond van art. 15 lid 1 WAM. De vordering tot betaling van schadevergoeding werd echter afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering van de bestuurder tot ongedaanmaking van frauderegistraties werd toegewezen.
Het hof vernietigt het vonnis gedeeltelijk en wijst de vorderingen van Ansvar grotendeels toe. Het hof oordeelt dat het regresrecht van art. 15 lid 1 WAM zich niet alleen uitstrekt tot overlijdensschade op grond van art. 6:108 BW, maar ook tot andere schadeposten die aan de erfgenamen zijn uitgekeerd, zoals affectieschade, medische kosten, uitvaartkosten en redelijke kosten van rechtsbijstand.
Het hof acht de uitgekeerde bedragen aan de nabestaanden van beide slachtoffers grotendeels toewijsbaar, met uitzondering van de notariskosten die betrekking hadden op de afwikkeling van de nalatenschap. De bestuurder wordt veroordeeld tot betaling van de schade, vermeerderd met de wettelijke rente, onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten.
Het hof concludeert dat Ansvar ten onrechte persoonsgegevens van de bestuurder heeft geregistreerd en verwerkt en dat dit niet gerechtvaardigd is onder het Protocol, de Gedragscode of de AVG. De gedragingen van de bestuurder, namelijk de gebrekkige moraliteit, zijn roekeloos rijgedrag en het bagatelliseren van drankgebruik kwalificeren volgens het hof niet als incidenten in de zin van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Er was onvoldoende bewijs dat de bestuurder opzettelijk Ansvar heeft willen misleiden. De registratie was daarom in strijd met de AVG en moet worden verwijderd.
Gerechtshof Den Haag 22 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1320
In deze zaak vorderde een schilder schadevergoeding van zijn werkgever na een arbeidsongeval. De werknemer viel van een trap over een balkonleuning en liep ernstig letsel op. De werkgever werd eerder strafrechtelijk veroordeeld voor het ongeval. In hoger beroep bevestigt het hof de civiele aansprakelijkheid van de werkgever.
De rechtbank Den Haag had eerder geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de werkgever zijn zorgplicht had geschonden door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Er was geen sprake van bewuste roekeloosheid van de werknemer. De rechtbank wees de vordering van de schilder daarom toe.
Het hof bekrachtigt dit oordeel. Uit verklaringen blijkt dat de werknemer al sinds 2009 vrijwel dagelijks voor de werkgever werkte en aanwijzingen kreeg over de uitvoering van het werk. Ook als er geen formele arbeidsovereenkomst bestond, is de werkgever aansprakelijk op grond van art. 7:658 lid 4 BW. De werkgever had vóór aanvang van de werkzaamheden valbescherming moeten aanbrengen. De stelling van werkgever, dat hij de werknemer had gewaarschuwd om niet aan de daklijst te werken en de trap niet te gebruiken tot hij terugkwam met een steiger, is onvoldoende. Er is ook geen bewijs dat de werknemer bewust roekeloos handelde. Het hof oordeelt dat de werknemer recht heeft op schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen, gebaseerd op 32 uur per week tegen het cao-minimumloon. De werkgever moet ook een belastinggarantie afgeven. Het feit dat de werknemer mogelijk illegaal in Nederland verbleef, doet daar niet aan af.
Ten aanzien van het strafvonnis oordeelt het hof dat dit nog niet onherroepelijk is en daarom geen gezag van gewijsde heeft. De civiele rechter mag dus zelfstandig oordelen over de schade. De strafrechter had slechts een voorschot op schadevergoeding toegewezen; het hof bevestigt dat in deze civiele procedure hogere bedragen kunnen worden toegekend.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de werkgever in de proceskosten van het hoger beroep.