Hoge Raad 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055
In de zogenoemde Mallorcazaak werd de verdachte veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging, waarbij het slachtoffer (A) door ernstig geweld direct buiten bewustzijn raakte en enkele dagen later overleed. Het hof achtte de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk op grond van artikel 6:166 BW en wees de vorderingen tot schadevergoeding van de ouders en vriendin van het slachtoffer toe.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof groepsaansprakelijkheid terecht heeft aangenomen. De kans op ernstig letsel had de groepsleden, waaronder de verdachte, moeten weerhouden van deelname aan het geweld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en juridisch juist.
Ten aanzien van de vererfde immateriële schade oordeelt de Hoge Raad anders. Omdat het slachtoffer direct en blijvend buiten bewustzijn was en geen kennis heeft kunnen nemen van het hem toegebrachte leed, is geen sprake van immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW. Het recht op smartengeld is hoogstpersoonlijk en vereist dat het slachtoffer zelf kenbaar maakt -of dat namens hem kenbaar wordt gemaakt- aanspraak te willen maken op vergoeding daarvan. Volgens de Hoge Raad komt het wettelijk stelsel erop neer dat het aan een slachtoffer toegebrachte leed dat niet door hem persoonlijk kon worden ervaren, zich niet leent voor compensatie (in de vorm van een geldbedrag). Omdat er in dit geval géén recht op immateriële schadevergoeding bestaat, buigt de Hoge Raad zich niet meer over de vraag of het slachtoffer een mededeling had moeten doen dat hij aanspraak wilde maken op vergoeding (zoals vereist in artikel 6:95 lid 2 BW). De vordering van de ouders wordt derhalve afgewezen, evenals de schadevergoedingsmaatregel voor zover daarop gebaseerd.
De Hoge Raad merkt in deze zaak op dat kosten die worden gemaakt om de toestand van een comateus slachtoffer te verbeteren of te verlichten, kunnen kwalificeren als materiële schade in de zin van artikel 6:107 BW. Dergelijke kosten zijn wel voor vererving vatbaar, ook als het slachtoffer zelf geen immateriële schade heeft geleden. Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat de aanspraak op affectieschade, die in deze zaak ook is toegekend, een zelfstandige vorm van compensatie biedt aan de naasten van het slachtoffer voor het leed dat zij zelf hebben ervaren.
Wat betreft de vordering van de vriendin van het slachtoffer wegens gederfd levensonderhoud oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad haar betwisting naar voren te brengen. Gezien de complexiteit en omvang van de vordering had het hof moeten beoordelen of compensatie door eigen onderzoek nodig was. Nu dat is nagelaten, wordt ook deze beslissing vernietigd en terugverwezen naar het hof.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof gedeeltelijk en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van de vordering tot gederfd levensonderhoud. De overige klachten worden verworpen.