Arrest Hoge Raad - AVV - juli 2026

Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321

Een verzekerde heeft in 2013 een arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd bij Nationale Nederlanden (hierna: NN). In de gezondheidsverklaring en bij een medische keuring heeft verzekerde vragen over rugklachten ontkennend beantwoord, terwijl later bleek dat hij al vóór het sluiten van de verzekering chronische rugklachten had op basis van een aangeboren afwijking. In 2020 meldde hij zich arbeidsongeschikt en verzocht hij om uitkering. Na ontvangst van medische informatie heeft NN zich op het standpunt gesteld dat de verzekerde zijn mededelingsplicht heeft geschonden, de verzekering opgezegd en uitkering geweigerd. Verzekerde is vervolgens een procedure gestart en heeft hierin gevorderd  dat NN alsnog tot uitkering moest overgaan. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering van verzekerde afgewezen. Verzekerde is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan.

Het hof oordeelde dat sprake was van een schending van de mededelingsplicht door verzekerde, maar dat NN niet tijdig had voldaan aan haar kennisgevingsplicht van art. 7:929 lid 1 BW. Volgens het hof was de termijn van twee maanden gaan lopen op het moment dat NN de brief van de orthopedisch chirurg ontving. NN had haar verzekerde niet binnen twee maandenbericht over de gevolgen van de schending van de mededelingsplicht. Het hof verklaarde daarom voor recht dat NN ten onrechte uitkering had geweigerd en de verzekering had opgezegd.

In cassatie klaagt NN onder meer dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor het moment waarop de twee‑maandentermijn van art. 7:929 lid 1 BW aanvangt. Volgens NN kan dat moment niet samenvallen met de ontvangst van medische informatie door de medisch adviseur, omdat de verzekeraar zelf pas na advisering door de medisch adviseur kan beoordelen of sprake is van schending van de mededelingsplicht. Daarnaast klaagt NN dat het hof heeft miskend dat art. 7:929 lid 1 BW slechts vereist dat de verzekeraar wijst op de mogelijke gevolgen van de schending, en niet dat hij binnen twee maanden definitief beslist welke gevolgen hij daaraan verbindt.

De Hoge Raad oordeelt dat de twee‑maandentermijn van art. 7:929 lid 1 BW pas aanvangt wanneer de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Wanneer de verzekeraar ter verkrijging van die zekerheid medisch onderzoek laat verrichten en daarbij een medisch adviseur is betrokken, kan het moment waarop de medisch adviseur medische informatie ontvangt in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar. De verzekeraar kan die beoordeling pas maken nadat de medisch adviseur zijn advies heeft uitgebracht en de verzekeraar dit advies met gepaste voortvarendheid heeft kunnen beoordelen. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat art. 7:929 lid 1 BW slechts vereist dat de verzekeraar binnen twee maanden wijst op de niet‑nakoming van de mededelingsplicht onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Het hof heeft miskend dat niet vereist is dat de verzekeraar binnen die termijn definitief meedeelt welke gevolgen hij daadwerkelijk zal verbinden aan de schending. In het licht daarvan is het oordeel van het hof dat NN niet tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.