Hoge Raad 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1447
In deze zaak werd de verdachte veroordeeld wegens bedreiging van een voormalig burgemeester door het sturen van een dreigende e-mail. Het hof kende de benadeelde partij (de burgemeester) een vergoeding toe voor immateriële schade, omdat bij de benadeelde redelijke vrees was ontstaan en het hof aannam dat de verdachte het oogmerk had gehad om nadeel, namelijk angst, toe te brengen.
De Hoge Raad herhaalt dat voor toewijzing van smartengeld op grond van art. 6:106 sub a BW vereist is dat de aansprakelijke persoon daadwerkelijk het oogmerk had om immateriële schade toe te brengen. Het enkele feit dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft gecreëerd waardoor immateriële schade is ontstaan, is daarvoor onvoldoende. Het moet gaan om de bedoeling om een ander immateriële schade toe te brengen (HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:836).
Het oordeel van het hof dat de vordering tot immateriële schadevergoeding deels kon worden toegewezen, is volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof volgt niet zonder meer dat het oogmerk van de verdachte daadwerkelijk was gericht op het toebrengen van immateriële schade. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof op dit punt en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.