Arrest Hoge Raad - AVV - december 2025

Arrest Hoge Raad - AVV - december 2025

Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1540

Een bestuurder van twee vennootschappen werd in privé hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor een schuld na ondertekening van een ‘promissory note’. Nadat betaling uitbleef, werd hij in de incassoprocedure bijgestaan door een advocaat. De bestuurder bekende meermaals schuld en benadrukte dat hij de zaak graag wilde regelen. Uiteindelijk volgde een faillietverklaring.

De curator stelde de advocaat (en diens kantoorgenoten) aansprakelijk, omdat zij de bestuurder niet hadden gewezen op de mogelijkheid dat zijn echtgenote de promissory note had kunnen vernietigen wegens het ontbreken van haar toestemming (art. 1:88/1:89 BWSM). De curator vorderde schadevergoeding van de advocaat en legde hieraan ten grondslag dat de advocaat een beroepsfout had gemaakt door niet te wijzen op de vernietigingsmogelijkheid. De advocaat voerde aan dat hij de cliënt had gewezen op de risico’s, dat de cliënt de schuld erkende en een regeling wilde treffen, en dat het niet wijzen op de vernietigingsmogelijkheid in deze context geen schending van de zorgplicht opleverde. Daarnaast strekte de vernietigingsmogelijkheid volgens de advocaat slechts ter bescherming van de echtgenote en was zij geen partij.

De rechtbank oordeelde dat de advocaat zijn zorgplicht had geschonden, omdat een redelijk handelend advocaat zijn cliënt had moeten adviseren over de vernietigingsmogelijkheid. De rechtbank veroordeelde de advocaat daarom tot schadevergoeding.

In hoger beroep oordeelde het hof dat een advocaat zelfstandig moet beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en dat hij niet onder alle omstandigheden kritiekloos mee moet gaan in wat de cliënt wil. Volgens het hof was het proberen om te komen tot een regeling in dit geval een alleszins verdedigbare processtrategie, omdat de bestuurder de vordering meermaals had erkend. Het niet wijzen op de mogelijkheid van vernietiging van de promissory note door de echtgenote kon in deze context daarom niet als een schending van de zorgplicht worden aangemerkt, aldus het hof.

Daarbij strekte de vernietigingsmogelijkheid ter bescherming van de echtgenote en kon deze slechts door haar worden ingesteld. Het hof wees de vordering af.
In cassatie klaagt de curator dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de advocaat niet had hoeven wijzen op de vernietigingsmogelijkheid, met name omdat het hof niet had onderzocht wat de kans was dat de echtgenote van deze mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt en wat de kans van slagen daarvan was geweest.

Volgens de Hoge Raad had het hof bij de beoordeling of de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt moeten betrekken of een beroep op de vernietigingsgrond kans van slagen had en de mate waarin de bestuurder blijk had gegeven zich van die mogelijkheid bewust te zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door bij de motivering niet te betrekken wat de kans was geweest dat de echtgenote zich op de vernietigingsgrond had beroepen, indien de bestuurder hierover was voorgelicht door de advocaat en wat vervolgens de kans van slagen zou zijn geweest. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof voor zover dit tegen de advocaat en zijn kantoor is gewezen en verwerpt het beroep voor het overige. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling.

Hoge Raad, 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1686

Op 4 november 2009 raakte een werkneemster van Rabobank (geïntimeerde) tijdens haar werk betrokken bij een eenzijdig auto-ongeval. Ten tijde van het ongeval had geïntimeerde een aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich (appellant), waarvan de dekking per 1 oktober 2009 was uitgebreid voor aansprakelijkheid op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW). In 2014 liet de werkneemster via haar gemachtigde aan geïntimeerde weten dat zij haar rechten voorbehield en de verjaring stuitte. In 2018 stelde werkneemster geïntimeerde aansprakelijk voor een tekort van € 635.272,63, nadat zij in 2017 een vaststellingsovereenkomst had gesloten met Interpolis en een aanvullende uitkering had ontvangen uit een collectieve ongevallenverzekering. Werkneemster verweet de werkgever dat er geen behoorlijke aanvullende verzekering was afgesloten voor werknemers die verkeersrisico’s liepen. Ook deze brief gold als stuitingshandeling. De kernvraag in deze zaak is of de vordering van geïntimeerde op appellant is verjaard.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de vordering van geïntimeerde was verjaard. Primair stelde appellant dat de vordering vanaf de datum van het verkeersongeval op 4 november 2009 of uiterlijk december 2009 opeisbaar was, omdat geïntimeerde toen bekend was of had moeten zijn met het ongeval en de schade en dat de verjaringstermijn op dat moment was gaan lopen. Subsidiair stelde appellant dat de verjaringstermijn in ieder geval was gaan lopen na ontvangst van de brief van 24 september 2014 van de advocaat van de werkneemster. Appellant beschouwde deze brief als een aansprakelijkstelling, waardoor geïntimeerde vanaf dat moment een opeisbare vordering op appellant had en de verjaringstermijn toen was aangevangen.

Geïntimeerde stelde dat zij pas bij brief van 25 juni 2018 door de werkneemster aansprakelijk was gesteld en dat toen de vordering opeisbaar was geworden zodat de verjaringstermijn pas vanaf dat moment was gaan lopen.

Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW begon te lopen op de dag nadat geïntimeerde bekend was geworden met de opeisbaarheid van haar vordering. Volgens de wetsgeschiedenis was dat het moment waarop de verzekerde (geïntimeerde) door de benadeelde (werkneemster) aansprakelijk werd gesteld. Het hof volgde geïntimeerde in haar standpunt dat de brief van 24 september 2014 slechts een stuitingsmededeling was en niet als een aansprakelijkstelling hoefde te worden opgevat. Pas met de brief van 25 juni 2018 was geïntimeerde, volgens het hof, aansprakelijk gesteld. De verjaringstermijn begon daarom, zo stelde het hof, pas op 26 juni 2018 te lopen en geïntimeerde dagvaardde appellant binnen de termijn van drie jaren (namelijk op 13 april 2021) in vrijwaring. De vordering van geïntimeerde op appellant was naar het oordeel van het hof dan ook niet verjaard.

Appellant stelt in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat het moment van aansprakelijkstelling bepalend was voor de aanvang van de verjaringstermijn, omdat de wet sprak van “opeisbaarheid” en niet van “aansprakelijkstelling” en doordat de opeisbaarheid van een dekkingsaanspraak ook kon voortvloeien uit andere omstandigheden dan enkel een aansprakelijkstelling. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en bevestigt, met verwijzing naar de wetgeschiedenis, het oordeel van het hof: dat voor de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW bepalend is op welk moment de werkneemster geïntimeerde aansprakelijk stelde. Het cassatieberoep van appellant wordt verworpen.

HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1676

Op 6 november 2019 schoot de verdachte samen met een medeverdachte in Duitsland op een advocaat, met het doel hem van het leven te beroven. De advocaat, curator in een faillissement, raakte daarbij gewond aan zijn been. De partner van de advocaat voegde zich als benadeelde partij in de strafzaak en vorderde onder meer vergoeding van shockschade. Zij stelde dat zij kort na de aanslag via een appbericht vernam dat er een schietpartij in haar straat was. Uit angst dat het haar partner betrof, probeerde zij contact met hem te leggen. Later hoorde zij van de politie dat het inderdaad om haar partner ging, die verwond was en naar het ziekenhuis was gebracht. Zes uur na de aanslag mocht zij hem zien. Hij was toen wakker.

Het hof oordeelde in hoger beroep dat de partner van de advocaat op de dag van de aanslag een zenuwslopende en emotioneel zware tijd doormaakte, die ook daarna nog zijn tol eiste. Naar het oordeel van het hof was er echter geen sprake van de voor toekenning van shockschade vereiste directe confrontatie met de jegens de advocaat gepleegde onrechtmatige daad of de gevolgen daarvan. Het hof wees daarom de vordering tot shockschade af. In cassatie wordt door de benadeelde partij een middel ingesteld tegen de afwijzing van de shockschadevergoeding.

De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) en herhaalt de overwegingen hieruit. Zo geeft hij aan dat iemand die een ander doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en confrontatie plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. De eerder door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten spelen een rol bij de beoordeling van deze omstandigheden. De Hoge Raad overwoog in zijn eerdere arrest dat de feitenrechter aan de hand van deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval moet beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn. Een directe confrontatie met de daad was sinds het arrest uit 2022 dus geen hard vereiste meer, zoals in eerdere rechtspraak wel werd aangenomen (zie o.a. HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356).

In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het hof de afwijzing van de vordering tot schokschade heeft gebaseerd op zijn oordeel dat geen sprake is van een – voor de toekenning van een vergoeding voor die schokschade vereiste – confrontatie van de benadeelde partij met de jegens de advocaat gepleegde onrechtmatige daad of de gevolgen daarvan. Gelet op de vaststellingen van het hof over de wijze waarop de benadeelde partij is geconfronteerd met het strafbare feit, geeft dit oordeel volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het onder vermelding van de gezichtspunten toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel met betrekking tot de vordering van schokschade faalt.