Ziggo handelt onrechtmatig jegens haar aandeelhouders

Samenvatting:

Op 27 juni 2014 heeft LGE HoldCo VII B.V. (“LGE”) een openbaar bod gedaan op alle aandelen in het kapitaal van (destijds) Ziggo N.V. (“Ziggo”). De biedprijs bestond
uit aandelen van Liberty Global Shares (genoteerd aan de NASDAQ) plus € 11,‐. Op 21 november 2014 ‐ na afloop van de na‐aanmeldingstermijn ‐ heeft LGE 98,4% van
de aandelen verkregen en is een uitkoopprocedure (art. 2:359c BW) gestart. In de uitkoopdagvaarding van 3 december 2014 is een gevorderde uitkoopprijs van €
39,78 per aandeel opgenomen (gebaseerd op de beurskoers Liberty Global Shares op datum na‐aanmeldingstermijn en tegen de USD‐EUR wisselkoers van die dag). Op
8 december 2014 is via een persbericht de gevorderde uitkoopprijs bekend gemaakt. De VEB stelt een collectieve actie in (art. 3:305a BW) en verzoekt de rechtbank
voor recht te verklaren dat:

(i.) Ziggo in strijd heeft gehandeld met de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie (art. 5:25i lid 2 jo 5:53 lid 1 Wft);
(ii) Ziggo daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Ziggo‐aandeelhouders die hun Ziggo‐aandelen tussen 3 december en 8 december hebben verkocht;
(iii.) de verkoop van de Ziggo‐aandelen bij afwezigheid van het onrechtmatig handelen tegen een gunstiger beurskoers, dan wel in het geheel niet tot stand zou zijn
gekomen; en
(iv.) het csqn‐verband aanwezig is tussen het onrechtmatige handelen en de geleden koersschade.

De rechtbank

Ad i.) De rechtbank overweegt dat de de gevorderde uitkoopprijs is aan te merken als informatie die:
‐ rechtstreeks betrekking heeft op Ziggo. Die informatie kon immers direct van invloed zijn op de handel in Ziggo‐aandelen;
‐ kwalificeert als voorwetenschap in de zin van art. 5:53 Wft. De informatie was nog niet voldoende kenbaar voor beleggers;
‐ een significante invloed op de koers zou kunnen hebben. Daarvan was sprake nu de uitkoop zou plaatsvinden tegen een prijs die minimaal ruim 10% hoger was dan
de beurskoers op dat moment; en
‐ op 21 november 2014 voldoende concreet was. Het feit dat de definitieve uitkoopprijs nog door de Ondernemingskamer zou worden vastgesteld doet hieraan niet af.

De gevorderde uitkoopprijs is ‐ gezien het voorgaande ‐ aan te merken als koersgevoelige informatie. Ziggo had deze informatie op de datum dat de te vorderen
uitkoopprijs bekend was onverwijld algemeen verkrijgbaar moeten stellen en handelde derhalve in strijd met de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige
informatie.

Ad ii.) Ziggo handelde daarmee onrechtmatig jegens de Ziggo‐aandeelhouders die tussen 21 november 2014 (dag dat Ziggo bekend had moeten maken) en 8 december
2014 (dag van bekendmaking) hun Ziggo‐aandelen hadden verkocht.

Ad iii. + iv.) Een rechtsvordering op grond van 3:305a lid 1 Bw kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld (art. 3:305a lid 3 ). De ratio daarvan is
dat de vraag in hoeverre een persoon schade heeft geleden, zich in algemene zin niet voor een collectieve vordering leent. De gevraagde verklaringen voor recht
strekken er toe dat ten aanzien van individuele aandeelhouders wordt vastgesteld dat hun schade direct en onverkort het gevolg is van het onrechtmatig handelen van
Ziggo en zijn derhalve niet te rijmen met het voormelde uitgangspunt van artikel 3:305a BW.

De rechtbank verklaart voor recht dat Ziggo in strijd heeft gehandeld met artikel 5:25i lid 2 Wft en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Ziggoaandeelhouders
die hun Ziggo‐aandelen tussen 27 november en 8 december hebben verkocht en wijst het meer of anders gevorderde af.

Klik hier voor de gehele publicatie van 27 juli 2016 in Wolters Kluwer SmartNewz.

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar