Transformatie en parkeren

Op 23 april 2015 hielden we bij Holla Advocaten een seminar over transformatie van vastgoed. Daarin zijn we ingegaan op de mogelijkheden voor transformatie die het Besluit omgevingsrecht (Bor) sinds 1 november 2014 biedt. Uiteraard hebben we daarbij stilgestaan bij artikel 4 lid 9 van bijlage II bij het Bor. Dat artikel hebben we het transformatieartikel genoemd, omdat met deze bepaling relatief snel en eenvoudig tot een wijziging van het planologisch toegestane gebruik van een pand en het daarop aansluitend terrein kan worden gekomen.

Naar aanleiding van vragen daarover bij het seminar, behandel ik in deze column hoe moet worden omgegaan met het parkeren als wordt besloten tot de wijziging van het planologisch gebruik met behulp van artikel 4 lid 9.

Maar de conclusie is alvast: parkeren kan of moet altijd in de besluitvorming van de gemeente worden betrokken.

Parkeren kan in de besluitvorming worden betrokken omdat artikel 4 lid 9 de gemeente niet een verplichting, maar een bevoegdheid geeft om planologische medewerking te verlenen aan de wijziging van het gebruik van een pand en het daarop aansluitend terrein. Dat betekent dat een gemeente niet verplicht is om medewerking te verlenen. Indien een transformatie van een pand leidt tot een te verwachten grotere parkeerbehoefte, hetgeen voorstelbaar is als in een loods een supermarkt wordt gerealiseerd of in een kantoorpand zonder baliefunctie woningen, dan kan de toename van de parkeerbehoefte voor de gemeente reden zijn om medewerking te weigeren. Bijvoorbeeld als de grotere parkeerbehoefte vanwege de nieuwe functie niet kan worden opgelost op het eigen (aansluitende) terrein en er een te grote parkeerdruk ontstaat op de omgeving van het te transformeren pand en er overlast te verwachten is.

Het is ook mogelijk dat het parkeren in de besluitvorming moet worden betrokken. Dat is het geval als de wijziging van het gebruik van het pand gepaard gaat met vergunningplichtige bouwactiviteiten. Als daarvan sprake is, dan is naast een vergunning om (door middel van artikel 4 lid 9) af te wijken van het bestemmingsplan ook een vergunning benodigd voor het bouwen. De aanvraag om een bouwomgevingsvergunning moet worden getoetst aan – kort gezegd – het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, het bouwbesluit en de bouwverordening. In de bouwverordening staat een parkeerartikel (2.5.30), waaruit volgt dat parkeren op eigen terrein moet worden opgelost. Kortom, als er gebouwd gaat worden, moet aan het parkeerartikel getoetst worden. Als het parkeren vanwege de nieuwe functie niet op eigen (aansluitend) terrein kan worden opgelost is er een grond om de bouwomgevingsvergunning te weigeren.

Wel meld ik nog dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel is dat bij sloop en vervangende nieuwbouw, maar ook bij transformatie het standpunt inneemt dat alleen de toename van de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. Als in de oude functie een behoefte van 8 parkeerplaatsen bestond en in de nieuwe functie 20, dan is aan de bouwverordening voldaan als 12 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

Dus: ook bij transformatie zal er aandacht moeten zijn voor een deugdelijke parkeeroplossing.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar