Registeraccountant ziet bankschuld over het hoofd

Accountantskamer, 8 augustus 2016, ECLI:NL:TACAKN:2016:66 ‐ Op SmartNewz sinds: 25 augustus 2016

Klaagster is ‐ kort nadat haar echtgenoot had vernomen ongeneeslijk ziek te zijn ‐ enige bestuurder en enig aandeelhouder van holdingmaatschappij X (“X”) geworden. X was op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder van Bouwbedrijf A (“A”). X heeft in 2007 44% en in 2014 de overige 56% van de aandelen in A overgedragen aan de vennootschap Y (“Y”), waarna klaagster is uitgetreden als bestuurder van X. Betrokkene is verbonden aan het accountantskantoor dat de jaarrekeningen van X en A ‐ en sedert 2007 ook van Y ‐ samenstelt. Betrokkene heeft daarnaast klaagster in privé geadviseerd over haar pensioenpositie voorafgaand aan het overlijden van haar echtgenoot en heeft klaagster bijgestaan bij de verkoop van de resterende aandelen van X in A. Klaagster verwijt betrokkene dat een financieringsovereenkomst van X ‐ en de daaraan verbonden zekerheden ‐ door de betrokkene over het hoofd zijn gezien, waardoor: (i.) de jaarcijfers van X van 2008 t/m 2013 incorrect zijn; (ii.) klaagster incorrect geadviseerd is over haar pensioenpositie; (iii.) klaagster incorrect geadviseerd is rond de overdracht van de resterende aandelen van X in A aan Y; daarnaast verwijt klaagster de betrokkene dat hij (iv.) ten onrechte zowel de koper als de verkoper van de resterende aandelen van X in A heeft bijgestaan.

Accountantskamer:
De Accountantskamer overweegt eerst dat de klacht tijdig is ingediend nu klaagster de beweerde nalatigheden in redelijkheid niet eerder heeft kunnen constateren dan tijdens een gesprek met de bank in 2015.
Ad (i. t/m iii.): nu betrokkene ter zitting heeft verklaard dat een deel van de financieringsovereenkomst waarschijnlijk in 2008 aan hem ter hand is gesteld, had hij dit debiteurschap toen al kunnen en moeten opmerken. Betrokkene had moeten constateren dat de aan hem verstrekte gegevens onvolledig of anderszins onbevredigend waren en nader onderzoek moeten doen. Door dit achterwege te laten heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in art. 2 onder d VGBA;

Ad (iv.): de Accountantskamer heeft al herhaaldelijk overwogen dat een openbaar accountant in dit verband bedacht moet zijn op de naleving van fundamentele beginselen ‐ vervat in zowel de VGC als de VGBA ‐ als het (dreigen te) ontstaan van belangenconflicten. Daaruit volgt niet dat een accountant zich na het ontstaan van een (dreigend) belangenconflict altijd dient terug te trekken als accountant. Betrokkene kan ten aanzien hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Echter, de accountant dient de gesignaleerde bedreiging, zijn beoordeling daarvan, de toegepaste maatregel en zijn conclusie wel op grond van art. 21 lid 3 VGBA vast te leggen. Niet gebleken is dat hij een en ander heeft gedaan.

In ogenschouw genomen dat de bron voor de meeste verzuimen steeds dezelfde is, acht de accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Dirk de Jong ‐ Holla Advocaten

Klik hier voor de gehele publicatie van 25 augustus 2016 in Wolters Kluwer SmartNewz

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar