Overname activiteiten voorafgaand aan faillissement: onrechtmatig of paulianeus?

Op 27 maart 2012 is Internationaal Transportbedrijf A. Dekker en Zn. B.V. (“Dekker”) in staat van faillissement verklaard. Dekker had voorafgaand aan het
faillissement meerdere relaties met de heer Vermeer in privé dan wel zijn vennootschappen (“Vermeer”). De kantoorruimte werd gehuurd van Vermeer in privé en
waren er afspraken over het gebruik van een aangrenzend magazijn. Op 19 maart 2012 ‐ na inlichting van het personeel over de eigen faillissementsaanvraag ‐
hebben Dekker en Vermeer afgesproken dat Vermeer voor een vergoeding chauffeurs van Dekker kon inzetten voor (het overnemen van) opdrachten van een
opdrachtgever (“Opdrachtgever”) van Dekker. De huurovereenkomst werd per 20 maart beëindigd, waardoor Vermeer weer zelf de beschikking had over het magazijn
en de zich daarin bevindende goederen van Opdrachtgever. Het vergoeden van de kosten voor de chauffeurs is door Vermeer verrekend met de nog openstaande
vordering op Dekker. De curator vordert in onderhavige procedure betaling van Vermeer op grond van:

(i.): onrechtmatig handelen (art. 6:162 BW) van Vermeer nu Vermeer zich zonder recht en/of titel de activiteiten en/of opdrachten en/of Opdrachtgever van
Dekker vóór de faillissementsdatum heeft overgenomen. De schade bestaat uit het mislopen van de omzet die Dekker aan Opdrachtgever in rekening had kunnen
brengen;

(ii.): paulianeus handelen (art. 42 Fw) omdat voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor een opdrachtgever van Dekker door Vermeer geen enkele vergoeding
is voldaan en de boedel daarmee is benadeeld; en doet een beroep op;

(iii.): het verrekeningsverbod van art. 54 Fw omdat de verrekening is gedaan in strijd met de goede trouw dan wel dat de verrekening paulianeus is.

De rechtbank:

Ad (i.): zelfs indien de door de curator gestelde omstandigheden vast komen te staan, hetgeen niet zonder meer het geval is nu deze door Vermeer merendeels worden
betwist, moet sprake zijn van een causaal verband tussen de verweten onrechtmatige gedragingen en de gestelde schade. Nu de curator niet voldoende heeft
onderbouwd dat Dekker voldoende personeel, vrachtauto’s en diesel ter beschikking had om voor Opdrachtgever te rijden en dat Dekker daarnaast toegang had tot de
te vervoeren goederen, kan de rechtbank niet vaststellen dat zonder de gestelde gedragingen door Vermeer de gevorderde omzet door Dekker zou zijn gerealiseerd.
Gezien het voorgaande kan deze grondslag van de curator niet leiden tot toewijzing van zijn vordering.

Ad (ii): Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op de faillissementspauliana om dezelfde reden niet slagen als het hiervoor besproken beroep op
onrechtmatige daad. Immers kan de rechtbank op grond van de gestelde feiten en omstandigheden niet vaststellen dat voor zover de door Vermeer gestelde afspraak
niet gemaakt was, Dekker zelf de werkzaamheden voor de opdrachtgever had kunnen verrichten. De vereiste benadeling van schuldeisers ontbreekt. Voorts is
onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen op welke grond Vermeer een vergoeding voor het overnemen van de werkzaamheden van verschuldigd was naast een
vergoeding voor het inlenen van de chauffeurs.

Ad (iii.): Het beroep van de curator op artikel 54 Fw gaat niet op. Dit nu het betreffende artikel allereerst ziet op het niet te goeder trouw overnemen van een
schuld c.q. vordering van een derde en daarvan is geen sprake. Ook niet indien het begrip schuldoverneming extensief wordt uitgelegd (HR 8 juli 1987, NJ 1988). Ook
het beroep op artikel 42 Fw ‐ voor wat betreft de verrekening ‐ gaat niet op, omdat dit artikel enkel ziet op rechtshandelingen die hebben plaatsgevonden voor het
faillissement en de verrekening heeft plaatsgevonden na de datum van het faillissement.

Klik hier om het gehele artikel van 27 december 2016 in SmartNewz te lezen

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar