Interne aansprakelijkheid curator pro se: Maclou‐norm van toepassing?

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 16 maart 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:239 ‐ Op SmartNewz sinds: 14 april 2016

Feiten:

Gedaagde (de “Gedaagde”) is in september 2002 als curator aangesteld in het faillissement. In november 2012 is Gedaagde vanwege gevoerd wanbeheer van de boedel en frauduleus handelen met aan die boedel toebehorende gelden ontslagen. De huidige curatoren (“Curatoren”) zijn in zijn plaats benoemd. Na benoeming hebben de Curatoren Gedaagde herhaaldelijk aangesproken om conform zijn wettelijke verplichting (art. 69 Fv (in Nederland: art. 73 lid 2 Fw)) rekening en verantwoording af te leggen over zijn beheer van de boedel. Tot tweemaal toe heeft Gedaagde op opzettelijke en onvolledige wijze uitvoering gegeven aan zijn verplichting. Uiteindelijk is de herziene rekening en verantwoording goedgekeurd. De boedel bestond uit vier percelen grond op Aruba (de “Percelen”). In de kern verwijten de Curatoren Gedaagde dat hij in strijd met de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm en aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens de boedel en dat Gedaagde persoonlijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door de boedel geleden schade.

Het Gerecht overweegt als volgt:

Voorop gesteld dat de in dit geval aan te leggen maatstaf anders is dan de Maclou‐norm (HR 19 april 1996, NJ 1996/727 (abusievelijk verwijst het Gerecht naar HR NJ 1992, 727 )). Het in dat arrest geformuleerde criterium ziet op de aansprakelijkheid van de curator jegens schuldeisers van de failliet (externe aansprakelijkheid), voor de vaststelling waarvan de rechter terughoudendheid dient te betrachten. In casu gaat het echter om interne aansprakelijkheid: Gedaagde jegens de door hem te beheren en te vereffenen boedel en de Gedaagde jegens de boedel waarover hij het beheer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het Gerecht heeft in die verhouding als maatstaf te gelden dat een curator in het belang van de boedel dient te handelen zoals van een redelijk handelend curator in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (“zorgvuldigheidsnorm”), bij de beoordeling of vaststelling waarvan de rechter minder terughoudendheid hoeft te betrachten. Schending van de zorgvuldigheidsnorm levert jegens de boedel een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) op. Indien die onrechtmatige daad vermijdbaar was is die verwijtbaar, en daarom toerekenbaar aan de al dan niet ontslagen curator pro se. Schade die de boedel als gevolg van dat onrechtmatige handelen heeft geleden en/of nog zal lijden zal de al dan niet ontslagen curator (in persoon) in beginsel dienen te vergoeden. Hierbij heeft te gelden dat de zorgvuldigheidsnorm mede strekt tot bescherming van de boedel voor dergelijke schade in de zin van het bepaalde in art. 6:163 BW.

Pim van de Goor – Holla Advocaten

Klik hier voor de gehele publicatie d.d. 14 april 2016 van Pim van de Goor in Wolters Kluwer, SmartNewz Insolventie recht

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar